Doping, stress en valangst: zo verlies je de Tour

Wie de Tour de France wil winnen, moet niet alleen fysiek maar ook mentaal ijzersterk zijn. Over die psychologie in de wielersport schreef de Nederlandse onderzoeker Martijn Veltkamp het boek De verborgen motor. Een interview, in aanloop naar de 102de editie van de Ronde van Frankrijk.

De renners zullen zoals gebruikelijk een aardig stukje tegen de klok moeten rijden. Tijdrijden is een eenzame discipline en wordt daarom als psychologisch erg moeilijk beschouwd. Klopt dat?
“Eigenlijk kan je het ook omkeren: tijdrijden is niet per se moeilijker, maar in groep fietsen is makkelijker. Je kan je immers ‘optrekken’ aan de concurrenten. Bovendien is in je eentje fietsen voor veel renners het uitgangspunt op training. Fietsen ze daarna in groep, dan voelt het makkelijker aan. Dat noemen we sociale facilitatie.”

Toch zie je vaak dat een kleinere groep renners in een ontsnapping sneller vooruitgaat dan een grotere groep achtervolgers.
“Hoe groter de groep, hoe meer renners zich kunnen ‘verstoppen’. En als één renner geen kopwerk opknapt, dan raken de anderen ook gedemotiveerd. Het ideale aantal renners in een groep ligt daarom tussen vier en acht. Met minder moeten de individuele renners te veel werk leveren, maar met meer dan acht is er te veel anonimiteit. Je ziet dat ook in de bedrijfswereld. Vier tot acht deelnemers is ideaal voor een brainstormsessie.”

Vaak rijden de renners in de Tour de France door een zee van supporters. Welk psychologisch effect heeft dat?
“Hier is alweer sprake van sociale facilitatie. Publiek heeft altijd een positief effect op de motivatie en prestatie van de coureurs. Maar let op: voor een beginnende renner, of voor amateurs, kan het effect net omgekeerd zijn. Ze raken gestresseerd en worden onzeker. Vervolgens focussen ze zich op die onzekerheid en raken ze uit de flow van het fietsen. Het fietsen gaat dan veel moeizamer.”

De stress slaat wel vaker toe bij grote wielerwedstrijden. Ook bijvoorbeeld tijdens het afdalen van een berg – een belangrijk onderdeel in de Ronde van Frankrijk. Hoe komt het dat sommige renners plots bang zijn om af te dalen?
“Angst voor diepte krijgen we al op heel jonge leeftijd mee. Uit onderzoek blijkt dat baby’s die nog niet kruipen die angst niet hebben, maar zodra ze kunnen kruipen, zijn ze plots wel bang voor dieptes. Dat gaat gelukkig na verloop van tijd weer weg. Maar als een wielrenner plots valt of uitglijdt in een afdaling kan die prille angst plots weer de kop opsteken. Dan krijg je een paradoxaal effect: de renner wil een nieuwe val absoluut vermijden, maar gaat daardoor veel te veel focussen op zijn houding, het remmen, de bochten aansnijden … Het gaat ineens niet meer vanzelf, de renner denk te veel na.’

Wat kan een renner daaraan doen?
“Op het moment zelf erg weinig, want de tegenstanders zullen geen genade kennen en nog sneller afdalen. Nadien is exposure of blootstelling, een beproefde methode: gewoon opnieuw gaan dalen – eerst langzaam, dan steeds sneller. De Fransman Thibaut Pinot (vorig jaar derde in de Tour de France – red.) had vroeger daalangst. Nadat hij met een ervaren piloot in een racewagen bochten aansneed, raakte hij van zijn angst verlost.’

Vrijwel elke ploeg heeft een uitgesproken kopman, die voor de overwinning moet gaan. Welke psychologische kwaliteiten moet zo iemand hebben?
“Je zou denken dat een kopman vooral dominant moet zijn en bevelen moet kunnen uitdelen, maar dat is niet de hele waarheid. De leider moet ook zelfverzekerd zijn, en sterke emotionele vaardigheden hebben: hij moet weten hoe andere renners in de ploeg zich voelen. Daarnaast is een goed koersinzicht cruciaal. Zo kreeg de Spanjaard Alberto Contador het onlangs erg lastig in de laatste bergrit van de Ronde van Italië. Maar door zijn uitzonderlijke koersinzicht wist hij de schade binnen de perken te houden.’

Veel renners, zoals Contador, stellen duidelijke doelen. Ze werken dan maandenlang toe naar één bepaalde wedstrijd, vaak de Ronde van Frankrijk, en al de rest wordt bijzaak. Hoe komt dat?
“Je ziet inderdaad dat veel coureurs hun seizoen opdelen in blokjes. Zo hoeven ze maar gedurende een kortere tijdspanne hypergemotiveerd te zijn. Want een heel jaar door maximaal gemotiveerd zijn, is onmogelijk. Je ziet dan dat renners na hun doelwedstrijd plots even helemaal niets meer presteren. Na dat dipje bouwen ze weer langzaam op naar het volgende doel. Ook hebben wielrenners soms een dipje na een reeks successen. Bekend voorbeeld: Philippe Gilbert. Na een wonderlijk jaar 2011 leek hij begin 2012 even helemaal het noorden kwijt.

“Gilbert is typisch zo’n renner die fietst vanuit een enorme passie voor de sport. Maar als het beloningseffect van al die overwinningen plots wegvalt, dan kunnen ook de motivatie en de passie verdwijnen. Dat fenomeen is aangetoond bij psychologisch onderzoek met kleuters die een tekening moesten maakten. De helft van hen kreeg nadien een beloning, de andere helft niet. Als die beloning bij groep één wegviel, dan verdween ook de motivatie om te tekenen – iets wat ze nochtans wel leuk vonden! De kinderen in groep twee bleven daarentegen even gemotiveerd. Datzelfde effect zie je dus wel eens bij erg succesvolle wielrenners.”

De verborgen motor
De verborgen motor

Tot slot nog een onvermijdelijk thema: doping. U schrijft dat veel dopingmiddelen eigenlijk amper werken, maar dat ze vooral een placebo-effect teweegbrengen.
“Veel renners denken dat dopingmiddelen een voordeel opleveren van tien tot zelfs veertig procent. Terwijl onderzoek aantoont dat bijvoorbeeld epo je maar één à twee procent beter maakt. Op topniveau maakt dat natuurlijk een verschil, maar het is toch wat anders dan tien procent. Alleen: doordat de renner zelf gelooft dat het middel zo goed werkt, gaat hij er ook daadwerkelijk een stukje harder door rijden. Die één à twee procent wordt dan drie à vier procent.

“Het werkt ook in de andere richting. Renners die geen verboden middelen nemen, maar denken dat hun tegenstanders bevoordeeld zijn omdat zij dat wel doen, zullen louter door die negatieve gedachte trager gaan rijden. Dat noemen we het omgekeerde placebo-effect.”