Greg van Avermaet en Het Grote Gunnen

Stel: je hebt een lievelingsrestaurantje, om de hoek. Zomaar eens binnengelopen toen je trek had en er nooit meer weggegaan. Je hebt het van goed geweldig zien worden, van halfvol vol en van goedkoop aan de prijzige kant. Maar altijd heeft het een beetje van jou gevoeld, een plek waar een onzichtbaar vlaggetje met jouw initialen wappert, als ontdekker. Je hebt je nooit echt een gast gevoeld, meer een vriend. Als er aan het tafeltje naast je eens iets mis ging – slappe worteltjes, dood bier, zwart vlees – kon je de neiging om je te verexcuseren nauwelijks onderdrukken. Het restaurant (in kleine kring sprak je al een tijd van ‘ons tentje’) kreeg een nieuwe kaart, een nieuwe inrichting, nieuw personeel. Als de eigenaar er was, schoof hij nog altijd even bij je aan, ouwe jongens heerlijk krentenbrood, maar steeds vaker stond hij in zijn andere vestiging, in de andere stad. De manager die de eigenaar verving, wist wie je was, een ‘vaste’, maar hij kende je pas van sinds de zaak toch al iedere avond vol zat.
Op een dag kom je bij je lievelingsrestaurantje en dan is er geen plek meer. Het meisje van de reserveringen begrijpt niet waarom dat je zo aangrijpt.

Je zou kunnen zeggen dat ik op het grootste moment van glorie in het wielerleven van Greg Van Avermaet derde werd. Terwijl Greg in Rodez na talloze tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende plaatsen nu voor de jubeltenige verandering eens won, stond ik me voor te bereiden op de eerste kampeersessie uit mijn leven, op een natuurcamping ergens in Nederland, waar de wc-rollen als trofeeën in de richting van het sanitair werden gedragen.
Er was geen televisie, geen radio, geen internet. Geen Tour. (Als er niet zo veel kleine dieren waren geweest, had je kunnen zeggen: geen leven). Ik inspecteerde mijn luchtbed (‘Dat hoort, dat er steeds een beetje lucht uitloopt’) en mijn tent (‘Gezellig hè, dat je niet rechtop kunt staan’) en duizend kilometer sloeg José de Cauwer van pure pret de schouder van Michel Wuyts uit de kom.

Balletje in de nek
Uitgestelde glorie is misschien wel de zuiverste glorie die er bestaat. Wie weet wat het is om niet te winnen, weet wat winst waard is. Het wordt pas echt goed licht als het lang donker is geweest. Bij Greg Van Avermaet schemerde het jaren en op het moment suprême blies het noodlot weer een wolk voor de zon.
Enkele minuten na Gregs finish in Rodez stroomden de berichten binnen, berichten van mensen die me feliciteerden met iets waaraan ik niets had bijgedragen, waarvan ik niet wist dat het gebeurd was, mensen die dachten dat ik op mijn hoofd op de bank stond, een fles champagne in de ene en een levensgrote, kartonnen Greg in de andere, mensen die niet wisten dat ik op dat eigenste moment van afgeleide glorie met een badmintonracket onder mijn arm een bekertje water uit een jerrycan stond te persen (‘Heerlijk toch, dat je gewoon een paar dagen geen stromend water hebt? Dat heb je het hele jaar al’).
Bij het lezen van die berichtjes begreep ik onmiddellijk dat er iets voorgoed veranderd was. Overal zouden verhalen verschijnen, over de man die zich van eeuwig verlies had opgewerkt tot het Hoogste. Heldenverhalen, meeslepend en opbeurend. Het was alsof iemand een reusachtige loep had genomen en die op iets Heel Persoonlijks van mij had gelegd. Even voelde ik me als het meisje dat ik eens in een Theroux-documentaire over Michael Jackson zag: overstuur, omdat zij, als trouwe fan, zo veel minder aandacht van haar idool kreeg dan ‘zogenaamde fans’ die niet luisterden als iemand ze sommeerde aan de kant te gaan.
Fans zijn vreemd: ze dromen van succes, van wereldroem, maar in hun hart willen ze het onderwerp van hun fascinatie het liefst helemaal voor zichzelf houden. Met Michael Jackson zit je dan misschien sowieso verkeerd.
Zondagavond, terug uit de natuur (in een stenen huis, met een stoel en een bank en een douchegebouwtje in de vorm van een aparte kamer), dronk ik al het achterstallige Greg Van Avermaet-nieuws in dat ik achter was: de sprint, het ongeloof, de interviews. Onder leiding van oud-voetballer Wesley Sonck legde Greg een dag na zijn etappeoverwinning alweer een balletje in zijn nek. (Ik leg ook wel eens een balletje in mijn nek – al probeer ik te minderen – maar nooit een dag na een etappeoverwinning in de Tour. Mocht ik ooit, onverhoopt, nog eens een Touretappe winnen, dan verklaar ik hierbij dat ik nooit van mijn leven nog een balletje in mijn nek zal leggen.)

Herhalingen
Herhalingen. Herhalingen.
En nog eens herhalingen.
En daar weer herhalingen van.
Foto’s.
Het was dat zijn naam erbij stond, anders had ik hem niet herkend, zo met zijn armen in de lucht.
Ook in slow-motion won ie, zij het trager.
Ik kreeg er maar moeilijk genoeg van.
En terwijl ik voor de vierde keer luisterde naar een vraaggesprek met de opa van Greg (‘Mijn vrouw heeft de strijkplank kapotgestampt’), begreep ik dat er iets veranderd was, dat ik mijn liefde voortaan zou moeten delen. De human-interestmaffia had zich over Greg ontfermd, en de human-interestmaffia laat niet makkelijk los.
Ik begreep het en ik vond het niet eens erg.
Ik gunde Greg z’n overwinning meer dan mezelf Greg.