In memoriam: Jan Stassen (1951 – 2015)

In zijn woonplaats Nijmegen is donderdag 16 juli geheel onverwacht onze eindredacteur Jan Stassen overleden.

Jan werkte vele jaren voor ‘het blaadje’: eerst als eindredacteur bij de Haagse Post, later als eindredacteur bij fusieblad HP/De Tijd. Na een periode iets anders te hebben gedaan, kwam hij in mei van dit jaar – helaas veel te kort – weer terug op zijn oude nest.

Jan Stassen werd in 1951 geboren in Venlo. Na het afronden van de studie Nederlands in Nijmegen en het volgen van de kunstacademie in Arnhem, verscheen in 1986 bij uitgeverij De Bezige Bij zijn eerste en enige roman: Sluitertijden, een semi-autobiografische roman over zijn tijd als hasjhandelaar in het Nijmegen van de late jaren zeventig. Het boek werd goed ontvangen. Literair recensent Hans Vervoort schreef in NRC Handelsblad: “Het aantal goede vertellers onder de Nederlandse schrijvers is met één gestegen door het debuut van Jan Stassen. (–) Stassens schrijfstijl is trefzeker en plezierig ironisch waar dat nodig is, zijn dialogen zijn voortreffelijk, zijn timing in het toedienen van informatie en het uitwerken van de karakters zijn voor een debutant opmerkelijk goed.”

Maar wat hij misschien nog leuker vond dan het schrijven van teksten, was het redigeren ervan. “Jan was een eindredacteur pur sang”, zegt Truusje van Tol, van 1990 tot 2002 chef eindredactie van HP/De Tijd. “Geen kromme zin, geen denkfout, geen verkeerde spelling ontsnapte aan zijn aandacht. Van een gewone zin een mooie zin maken, daar had hij lol in. Een nóg mooier, nóg beter woord bedenken dan wat er stond. Hij kende niet alleen de taal van binnen en van buiten en van boven tot onder, maar hij was ook enorm belezen en wist vaak meer van een onderwerp dan wie erover had geschreven. Heerlijk om hem als collega, vraagbaak en onuitputtelijke bron van anekdotes in je buurt te hebben. Natuurlijk bakkeleiden we ook wel eens en botsten de humeuren. Jan kon als hij de geest had ontzettend foeteren op allerlei misstanden in de maatschappij die per direct veranderd moesten worden, en nog liever gisteren. Soms deed hij dat luidkeels, maar meestal via een soort gemonkel dat ik vanachter mijn bureau nét nog kon verstaan. Maar ook kon je geweldig met ‘m lachen. Zijn lach begon meestal met een geluidloos schuddebuiken, tot hij het niet meer hield. Hij was scherp, geestig, had een fijn gevoel voor humor, maar bovenal voor de schoonheid van de taal, of het nu een prachtig mooi woord of een puntkomma betrof. Verschrikkelijk jammer, voor hemzelf en voor ‘het blaadje’, dat hij maar zo kort van z’n tweede eindredacteurschap heeft kunnen genieten. Want léuk dat-ie het vond.”

Belezen en bevlogen
Peter de Jong van uitgeverij Art Revisited, waar Jan Stassen enkele jaren geleden zijn magnum opus over het leven en werk van kunstschilder Rudolf Hagenaar publiceerde, roemt zijn onuitputtelijke kennis: “Ik ben nooit eerder zo’n geïnformeerd en bevlogen mens tegengekomen als Jan Stassen. Ieder onderwerp dat ik bij hem aansneed werd meestal beantwoord met: ‘Ja maar Peter, weet je wat nu het gekke is…’ En dan bleek dat hij veel meer exacte kennis over het onderwerp bezat dan ik, en dat ook nog eens op een fantastisch eenvoudige manier uiteen kon zetten. De kennis die Jan had op het gebied van beeldende kunst, het gebied dat voor mij een beetje controleerbaar was, was schier eindeloos. Ook wapenfeiten uit de politieke geschiedenis van Nederland kon hij larderen met data en namen en voorzien van wat kritische kanttekeningen.”

De totstandkoming van het boek over kunstschilder Hagenaar kenmerkt de bevlogenheid van Stassen. De Jong: “Met enige regelmaat zagen we een oude Ford Sierra, ogenschijnlijk bijeen gehouden door duct tape, de oprit van de uitgeverij op rollen. Het was Jan, hij kwam weer een plukje schilderijen van Rudolf Hagenaar laten fotograferen. Altijd tien stuks, verpakt in bubbeltjesplastic en bijeen gehouden door onderbroekenelastiek. Hij leende deze schilderijen bij de (vaak particuliere) eigenaars, en hing dan tijdelijk een schilderij uit zijn eigen collectie bij de bruikleengever aan de muur. Dit ritueel heeft zo’n twintig keer plaatsgevonden. Jan moest en zou de schilderijen goed gefotografeerd hebben. Hij geloofde in de kunstenaar en vond dat zijn werk gezien moest worden. Tot dan toe waren er twee boeken verschenen over het werk van Hagenaar, maar die deden de kunstenaar volgens Jan te weinig eer aan. Hij schreef daarom een geweldig essay van honderd pagina’s over Rudolf Hagenaar en samen goten we, in de avonduren bij mij thuis, de tekst en de gefotografeerde werken in een indrukwekkend boek. Jan vond wat vrienden en de uitgever bereid de financiële nek uit te steken en het boek was een feit. Wat zullen veel mensen hem missen, in het bijzonder zal dit gelden voor zijn lieve vrouw Puk.”

23 juli, de dag waarop familieleden, vrienden en vakgenoten afscheid nemen van Jan Stassen, haalt oud-collega Matt Dings herinneringen op:

‘Vandaag stond zijn overlijdensadvertentie in de krant, dus ik moet het wel geloven: Jan Stassen is inderdaad dood. Ik had het al eerder vernomen, maar toen vond ik het te onwerkelijk. Ik wilde het ook niet geloven. Dood zijn was niets voor Jan, daarvoor leefde hij te intens. Maar, ach, ook intense levens houden een keer op.

‘Ik leerde hem kennen bij de fusie van HP en De Tijd, een kwart eeuw geleden. Hij kwam uit het kamp van de Haagse Post, ik uit dat van De Tijd, en samen zorgden we voor de eerste vriendschap die de fusie opleverde. Al gauw praatten we menige avond vol, eerst in de kroeg, daarna aan Jans grote witte borreltafel in de Amsterdamse Quellijnstraat, vaak met nog andere vrienden, verwoed bomend over het vak, het leven en de kunsten, achter glazen die steeds weer leeg en vol raakten, en omgeven door de kruidige nevels van joints en alcohol. Gaandeweg bleef ik er regelmatig logeren, zodat de avonden nachten werden, de gesprekken bevlogener en de onderwerpen steeds weidser. Dan joeg Jan de brand in een verse joint en legde omstandig uit waar het heen moest met de schilderkunst, de literatuur, de politiek en de popmuziek. Waarbij hij steevast uitkwam bij de nieuwste va Bob Dylan. Hij kon zo vervoerd oreren over ‘his Bobness’ dat hij zich niet liet ophouden door iets banaals als een sanitaire stop, maar zijn hoorcollege vanaf de pot met de wc-deur open luidkeels voortzette.

‘Hij werkte hard nauwgezet, niet alleen op de eindredactie, waar hij een reputatie van foutloosheid vestigde, maar ook in zijn huis in De Pijp, dat hij met grote precisie van A tot Z verbouwde. Viel je om middernacht bij hem binnen, dan was hij vaak nog aan het stuken of het timmeren. Het eten was er dan doorgaans weer eens bij ingeschoten – Jan had wel wat belangrijkers te doen.

‘Toen net na de millenniumwissel Jans vijftigste verjaardag in zicht kwam, vroegen sommige vrienden zich af of hij die wel zou halen, met zijn riskante levensstijl. Zulke zorgen waren een hem niet erg besteed. In het leven ging het hem niet om de lengte, maar om de diepte. En om keuzes maken. Keuzes voor vrijheid en kwaliteit. Radicale keuzes.

‘Zoals die voor Rudolf Hagenaars. Toen hij de relatief onbekende Zeeuwse schilder Rudolf Hagenaars op het spoor kwam, zette hij rigoureus al zijn kaarten op deze sombere kunstenaar, volgens Jan een miskend genie. Hij kocht zich arm aan diens doeken, verdiepte zich grondig in zijn werk, schreef een diepgravend essay over hem en wist met grote inspanning en overtuigingskracht een dik standaardwerk samen te stellen en uit te geven. Hagenaars noch Jan werd er beroemd door, maar Jan had het ‘m toch maar mooi geflikt.

‘Uren en uren heb ik Jan over ‘zijn’ Hagenaars horen praten. Ik werd het onderwerp weleens moe, maar niet Jans aanstekelijke gedrevenheid. Sterker nog: ik had hem wát graag nog eens uren en uren beluisterd. Maar daar kwam onverhoeds iets fataals en verdrietigs tussen. Rest de rouw. En goddank de herinnering.’