De man met de ondraaglijk correcte muzieksmaak

De hoop op een dag zonder pijn had de man met de ondraaglijk correcte muzieksmaak (OCM) lang geleden al opgegeven. Vaak ging het reeds bij het ontwaken mis. Dan had hij zijn terugkerende droom, of liever: nachtmerrie, gehad. De nachtmerrie dat de radio aanstond. Waar andermans nachtmerries eindigen in wakkere opluchting, dreunden de zijne voort in zijn hoofd, tot het gewraakte nummer verdrongen werd door een ander, minstens zo gewraakt nummer – een proces dat pas ’s avonds bij het in slaap vallen eindigde, om zich de volgende dag van voor af aan te herhalen, met een weliswaar andere maar volgens de man met OCM volstrekt inwisselbare soundtrack.

Droomde de man met OCM niet, dan waren er de gebruikelijke obstakels. De aanblik van het plafond leidde tot Het is een nacht van Guus Meeuwis, het eerste kopje koffie tot V.O.F. de Kunst. Hij had zichzelf aangeleerd om op zijn buik in te slapen, maar over het nachtelijke woelen had hij geen controle en regelmatig was de bovenzijde van zijn kamer het eerste wat hij ’s ochtends zag wanneer hij zijn ogen opende. Enige tijd had hij thee geprobeerd, maar daar kwam René Froger van, net als van de luidruchtige merels in zijn tuin.

Junior beleidsmedewerker
Zijn gehele werkzame leven was de man met OCM in dienst van de gemeente waar hij woonde. Ooit begonnen als junior beleidsmedewerker, inmiddels – via diverse promoties die vanzelf kwamen als je maar lang genoeg bleef zitten en niet te veel zeurde – senior beleidsmedewerker. Zijn werk bestond eruit de door nieuwe ondernemingen ingediende huuraanvragen te toetsen aan het bestemmingsplan, wat eenvoudiger klinkt dan het is, al moeten we de complexiteit ervan ook weer niet overdrijven.

Zijn baan was hem aanvankelijk vooral bevallen omdat er op de werkvloer geen muziek klonk. Er werd veel getelefoneerd met externe partijen en muziek op de achtergrond zou het gebrek aan professionaliteit mogelijk verraden. De tijden waren veranderd. Het meeste contact verliep via de mail en de algemene sfeer in het land was aanzienlijk informeler geworden. Toen de radio zijn intrede deed had de man met OCM overwogen ontslag te nemen, maar hij besefte dat het weinig uit zou halen. De liedjes klonken toch wel in zijn hoofd, of hij ze nu hoorde of niet.

Collega’s
Sommige collega’s dachten dat de man met OCM alles wat op de radio gedraaid werd niet goed zei te vinden omdat iedereen het kende. Dat hij zijn magere identiteit een boost dacht te kunnen geven door zich fan te verklaren van zo obscuur mogelijke bands.

Zij die hem wel geloofden, waren mogelijk nog erger. In een poging tot toenadering draaiden ze het volume van de radio omhoog op het moment dat ze een lied hoorden waar ze zelf geen grip op konden krijgen. Meestal betrof het rockbands uit vervlogen tijden of singer-songwriters die op dat moment populair waren. De man met OCM loog dan een bedankje, zei dat hij het inderdaad best aardig vond, terwijl zijn slapen bonkten en zijn rug in brand stond.

Het meeste moeite had hij met de collega die meende zelf ook aan OCM te lijden. Die kwam in de lunchpauze vertellen over de nieuwste muzikale ontdekking waarmee hij via specialistische blogs in aanraking was gekomen en over de festivals die hij de komende zomer zou bezoeken.

Meer en meer
De smaak van de man met OCM verfijnde zich meer en meer. Soms hoopte hij dat uiteindelijk geen enkele artiest nog aan zijn eisen kon voldoen. Dan zou hij desgevraagd antwoorden dat hij eigenlijk alle muziek wel leuk vond.

Op die momenten was het heel even stil in zijn hoofd.