Kamperen zonder Fransen is als dadels zonder roquefort

Er bestaat een oud mopje over een man die consequent te kleine schoenen koopt. Maar waarom toch, vraagt de verwonderde verkoper hem na de zoveelste keer. De man antwoordt dat hij zich iedere avond zo vreselijk gelukkig voelt als hij ze weer uittrekt. Van alle dingen die volgens hetzelfde principe verlopen, is kamperen bij Nederlanders het meest geliefd. Wat een genot, zo’n zacht bed en die warme douche bij thuiskomst.

Met twee musici als scheppers moest iedere vorm van relatieve kampeerluxe vroeger wijken voor anderhalve gitaar. Luchtbedden bleven thuis, een opgevouwen trui diende als hoofdkussen, douchemuntjes werden uitgespaard door flessen water in de zon te leggen en we aten gierst, velouté de légumes en poederpuree terwijl we in kleermakerszit op rieten matjes zaten. Hoera! Campings met een slagboom, Orangina-parasols, geasfalteerde paadjes en enige vorm van entertainment – voor schommels werd een gedoogbeleid gehanteerd – reden we met een rotgang voorbij. Als het regende zongen we door mijn vader verzonnen canons, languit liggend in een te krappe, klamvochtige binnentent. Dat ging ik later natuurlijk helemaal anders doen.

Plastic bloemstukken
Op campings in Frankrijk zie je soms Belgen, Duitsers en hier en daar een verdwaalde Italiaan of Engelsman, maar Fransen en Nederlanders zijn ruim in de meerderheid. Het verschil is veel groter dan alleen de taal. Om te beginnen hebben de Franse kampeerders, ondanks wat boeken als French Women Don’t Get Fat je willen doen geloven, bijna allemaal overgewicht. Parijs, stad van de mode, lijkt achter een grote berg rijstebrij te liggen. Het aanhoudende geluid van de televisie en een sissende barbecue wordt soms overstemd door een keffende Yorkshire terriër of Maltezer genaamd Carla, Babou, Hector of Mignon. En zei ik kamperen? Fransen slapen in houten ledikanten in bungalowtenten van bescheiden feestzaalgrootte, voorzien van plastic bloemstukken en een schotelantenne. Als kamperen een te kleine schoen is, dan toch minimaal een donzige Ugg.

Albatros of bungalow
Afgelopen maand reed ik zuidwaarts met in de kofferbak twee comfortabele stoelen, donzen kussens en een hybride van een piepklein tafeltje en een krukje om tijdens het lezen mijn voeten op te leggen. Naast een gasje ging er ook een kleine barbecue mee, en we hadden zelfs een eenvoudige tarp. Is dit nu wat men onder glamping verstaat, dacht ik toen we ons tweedehands tentje op een vrijwel leeg grasveld neerzetten. Maar toen kwamen er buren.

Albatrossen, Zilvermeeuwen, Papegaaiduikers en Steenuilen streken naast ons neer. Niet de gevederde varianten, maar de onder Nederlanders van gegoede komaf zo geliefde stormvaste De Waard-tenten, ruim genoeg om twee kibbelende ouders en drie blonde kinderen in te herbergen en zonder uitzondering versierd met katoenen vlaggetjes en gekleurde lampionnen. Op navelhoge kooktoestellen werd gewokt en gebraden.

Tijmen!

Benthe!

Sophie-hie!

Eeeten!

Ik had de kapitale inschattingsfout gemaakt om een camping van Nederlandse eigenaren uit te kiezen, met uitsluitend Nederlandse kampeerders als gevolg. Na een korte bedenktijd, toen de eenheidsworst onverteerbaar was geworden, besloten we onze biezen te pakken, op naar zo’n Spartaans oord uit mijn jeugd. Want je hebt niet veel nodig, maar kamperen zonder Fransen is als dadels zonder roquefort: mierzoet, klef en weeïg. Knellende schoenen zijn er niets bij.