De mislukte staat Egypte en de Suez-poepsloot

De legendarische domheid van de Egyptenaar werd deze week bevestigd door het feestje rond het opgepimpte Suez-kanaal. In Cairo danste het lompenproletariaat in de vunzige straten, uitzinnig zwaaiend met Egyptische vlaggetjes. Uiteraard werd de Heer Allah bejubeld want die had zijn uitverkoren volk toch maar weer dit prachtige cadeautje geschonken.

De fuif van juntaleider Sisi – bijna net zo barmhartig en goedertieren jegens zijn ondankbare dienaren als de Grote Generaal die in de hemelen is – kostte dertig miljoen dollar. Voor die centjes kan je heel wat bruine bonen uitdelen aan het hongerende volk dat verder uiteraard niets maar dan ook niets zal merken van de revenuen van de Suez-poepsloot.

De euforie van de horigen deed me denken aan de mongool die voor de etalage van een speelgoedzaak staat te kwijlen (of aan Sharon Dijksma voor een oliebollenkraam) maar die blikken trommel uiteindelijk toch niet krijgt van zijn moedertje. Blij met niks dus, al zal ons Sharonneke uiteindelijk het dozijn Berlinerbollen wel verorberen – met doos en al.

Ik kwam ergens in de jaren tachtig voor het eerst in Egypteland. Mijn roomblanke medestudenten Arabisch hadden posters van Gamal Abdel Nasser in hun muffe studentenkotten hangen, naast kiekjes van Ernesto Guevara en Karl Marx. Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook enige tijd gegrepen was door de revolutionaire panarabische koorts, maar dat kwam vooral door de medestudentes met wie ik neukte, al dan niet bedwelmd door de Mateus-rosé. Overigens dronk Jimi Hendrix die ook, emmers vol, maar dit is niet de aangewezen plek om u lastig te vallen met volstrekt infantiele trivia.

Goed, ik dus een hele zomer naar Egypte om het plaatselijke dialect te bestuderen. Daar viel het mij onmiddellijk op dat mijn roomblanke medestudentes allemaal een Egyptenaar aan de haak hadden geslagen. Die Arabische toyboys zagen er altijd uit alsof ze de moonwalk gingen doen: plastic puntschoenen, strakke zwarte nepzijden broekjes, keigekke synthetische overhemden en een klodder kamelenvet in het haar. Ikzelve zag daarentegen geen enkele mogelijkheid om etnisch te gaan, want de Egyptische vrouw is zo mogelijk nog afstotelijker dan haar lotgenotes in de Algarve. Je moest ze sowieso eerst een uur in een chloorbad laten weken, zo veel make-up droegen ze (denk aan een soort Gay Pride, maar dan geëxalteerd). Een goede vriend van mij pikte wel eens Soedanese hoeren op in het Nijl-Hilton maar die liep dermate curieuze soa’s op dat er nog een hele medische conferentie rond zijn geslachtsdeel is georganiseerd in het AMC, in nauwe samenwerking met de GGD en het Tropenmuseum.

Op de Universiteit van Amsterdam gold Egypte destijds als de Moeder van de Arabische Wereld. Dat was Beiroet lange tijd maar door de Libanese Burgeroorlog had Cairo het fakkeltje overgenomen. Nu was het wel zo dat de hele stad vol stond met boekenkraampjes maar dat betrof vooral muzelmannenwijsheid, de onvermijdelijke Protocollen van Zion en heel veel interessante boekjes over Adolf Hitler en de nazi’s.

De Egyptische kranten staan tot op de dag van vandaag dagelijks vol met weerzinwekkende leugens over jodenmensen in het algemeen en de Israëlieten in het bijzonder. Zo zou de Mossad gratis viagrakauwgom hebben uitgedeeld zodat de Egyptenaar zich helemaal suf gaat neuken (met wat, denk ik dan) en dusdanig verslappen dat hij niet meer aan werken noch aan de strijd tegen de zionistische vijand toekomt. U kent natuurlijk allemaal het verhaal van de seropositieve hoeren die in opdracht van de internationale jodenheid heel Egypte gingen besmetten. En op gezette tijden zijn er de verhalen van voor de Mossad spionerende dolfijnen, ezels en zeemeeuwen. U lacht daarom, maar de Egyptenaar gelooft deze verhalen.

Niet voor niets maken ze van Soedan tot Irak en Marokko grappen over de Egyptenaar, wiens vermeende domheid nog eens benadrukt wordt door de honderden komedies (vaak met de overigens heel grappige Adel Imam) die het land exporteert.

Over domheid gesproken: in de buurt van Sharm al Sheikh in de Sinaï-woestijn heeft de overheid of wat daar voor doorgaat ooit een schitterend rif van een kilometer lengte met dynamiet opgeblazen omdat de Egyptische notabelen het niet fijn vonden om hun tenen te stoten tegen koraal. Ik was daar eens snorkelen met een roomblanke vriendin en werd benaderd door een duikinstructeur (de ontbrekende schakel tussen het Afrikaanse continent en Pakistan) die vroeg of hij mijn vriendin voor een half uur mocht lenen want dat waren wij, blanke kafirs uit het hoogontwikkelende heidense noorden, gewoon. Ik zei tegen Abdellatief dat enkel de zon voor niets opgaat en vroeg de knakker een bod te doen op mijn verloofde. Dat bod was zo schamel, dat wil u niet weten. Die verloofde heeft het toen stante pede uitgemaakt.

Overigens heeft Egypte natuurlijk ook best wel goede tijden meegemaakt. Onder de farao’s was er een kleine opleving tot Mozes en zijn volk Egypteland ontvluchtte en onder de knettergekke koning Faroek was het er ook goed toeven. Na de revolutie van eerder genoemde Nasser ging het bergafwaarts, niet in het minst omdat die klungel de joden en de Grieken er uit had gepleurd en laten dat nou nou net de enigen zijn die de economie draaiende hielden.

Het leven tijdens het bewind van Nasser is overigens prachtig omschreven in de enige Egyptische cultroman die ik ken: Beer in the Snooker Club van Waguih Ghali. Ik moet zo naar het strand, dus pluk ik maar even een samenvatting van bol.com:

‘Roman over het leven in Egypte in de tijd van Nasser, als Egyptenaren in conflict raken met Engelse troepen. De hoofdpersoon Ram, telg uit een rijke Koptische familie, vurig nationalist en tevens anglofiel, houdt zich onledig met drank, gokken en vrouwen. Met een vriend trekt hij een tijdje naar Engeland, hun ‘beloofde land’, maar hij komt terug, overgeleverd aan twijfel. Uiteindelijk vraagt hij een schatrijk meisje ten huwelijk. Dit is de enige roman van Waguih Ghali, in 1964 in Engeland uitgegeven, het land waar Ghali zich het meest thuisvoelde. In 1968 pleegde hij zelfmoord. Het is een cynisch, maar zeer geestig geschreven boek, dat een onthullend beeld geeft van de rijke kringen en maatschappelijke veranderingen in het Egypte van de jaren vijftig. De gespletenheid van Ram, de tragische held, loopt als een rode draad door het verhaal.

Ik ben zoals u weet niet van de straat en kan u daarom het volledige oeuvre van Nobelprijswinnaar Nagieb Mahfoez aanraden. Die zag ik destijds overal zitten in Cairo, tot de stokoude man door een horde salafisten werd gelyncht en nooit meer de oude werd.

Goed, de moraal van mijn verhaal (tromgeroffel): de zogenaamde Arabische Lente is vooral voor Egypte rampzalig gebleken. De salafistische geest kwam uit de fles en als juntaleider Sisi niet keihard had opgetreden, was er nu een soort mohammedaanse versie van The Planet of the Apes ontstaan, eventjes bezuiden de Europese Unie. De voortekenen waren al daar tijdens de talloze demonstraties waarbij vrouwen publiekelijk werden aangerand en verkracht. Ik ben het in zoverre eens met Sisi dat je de moslimbroeders in het cachot moet stoppen en de sleutel moet weggooien. Dat had Nasser ook goed begrepen. Sisi is natuurlijk geen haar beter. Het is een typisch Arabische fascist die leeft bij gratie van de Grote Satan.

Om een lang en oeverloos verhaal kort te houden: Egypte is een mislukte staat. Dat bleek echter niet uit de kiekjes die er zijn gemaakt tijdens het Suez-kanaalfeestje. Zelden zag ik zulke stuitende beelden van een glimmende dictator die trots als een aap de grote der aarden ontvangt. Het wachten is op aanslagen op het Suez-kanaal, en die zullen spoedig komen. Daar kunt u de klok op zetten.