Hink-stap-springen

Opeens besloot de vriendin zich te gaan kwalificeren voor het WK Atletiek. Ze concentreerde zich op het hink-stap-springen. Volgens haar was dat pas echte sport, hink-stap-springen. Zo rond de Tourstart in Utrecht ontdekte ik een eerste hinkje in haar pas – niets om je zorgen om te maken, verzekerde ze me. Toen ze in half juli plots met reuzestappen door het huis begon te banjeren, als mr. Frank Visser die de vierkante kadastermeters real life nameet, liet ik dat ook zonder commentaar passeren: in een relatie moet je elkaar vrij laten en als zij zich voor het oog van de overburen en de hele wereldliteratuur in de boekenkast wil voortbewegen als Kees de Jongen op Nikes met extra vering, dan is dat haar zaak.

Toen ik op een dag, twee dagen na twee dagen ervoor, nietsvermoedend en minding my own business thuiskwam van weer een vruchtbare dag woordpulken en zinspeuteren, lag er dwars door onze huiskamer, van de schemerlamp tot voor de deur naar de slaapkamer, een smalle zandbak.
Plotseling zweefde de vriendin mijn gezichtsveld binnen.
Ze landde ter hoogte van de keukentafel in het zand, bestudeerde de afdruk, mompelde wat en veegde daarna alle ongerechtigheden uit het zand, met een klein, engig bezempje.
‘Goed dat je er bent,’ zei ze. ‘Ik heb je nodig.’
Haar bovenlichaam verdween in een reusachtige plastic zak, waaruit ze na wat gerinkel en gekraak bovenkwam, met twee vlaggetjes boven. Een rode en een witte. Die drukte ze me in mijn hand, alsof het twee lekkende Twister-ijsjes waren. Daarna ging ze weer die zak in. Het volgende moment drukte ze een pistool in de lege holster aan mijn riem – die daar altijd hangt voor je-weet-maar-nooit.
‘Hier. Luister. Zo meteen loop ik daar heen’ – ze wees naar het balkon achter onze slaapkamer, ‘dan ga ik klaarstaan. Jij schiet ik ren, ik hink, stap en spring hier in deze bak. Wat jij moet doen, is controleren of ik niet over deze’ – ze knielde bij een bibberige lijn die ze in ons dure parket had gespuitverfd – ‘lijn ga staan. Doe ik dat wel, dan steek jij de rooie vlag in de lucht. Is de sprong correct, dan doe je wit.’ Ze hupste een paar keer uitdagend voor me op en neer.
‘Is dit een bevlieging?’ vroeg ik.
‘Nee, een Olympische sport.’
‘Je hoeft mij niks te bewijzen,’ zei ik, terwijl ik met het rode vlaggetje een jeukend bultje tussen mijn schouderbladen onschadelijk maakte.
‘Jou niet, maar het NOC*NSF wel.’

De rest van de dag oefenden we: zij op haar hink (zaten kunststukjes tussen) haar stap (steady) en haar sprong (wisselend, als je die keer dat ze het zand niet haalde en op de drempel tussen slaap- en woonkamer landde meetelt tenminste) en ik op schieten en vlaggen. En terwijl ik het beu raakte, ging zij door. En door. En door.
De hink-stap-sprong werd een deel van ons dagelijks leven, nee, hij werd ons dagelijks leven. Zij stond ermee op en ik ging ermee naar bed. Wat onze zomeravondwandelingen richting de ijssalon aan romantiek verloren, wonnen ze aan hink-stap-sprongen. Op een gegeven moment sprak ze zelfs alleen nog in hink-stap-sprongen: in een sportief geprijsd restaurant antwoordde ze op de vraag van de ober wat ze wilde eten: ‘Ik-wil-viiiiiiiiis.’
Zo verstreken de weken, de hare in focus, de mijne in schaamte.

6,5 meter
Vandaag vindt in Peking de finale van haar onderdeel plaats. Topsport van de bovenste plank: de beste hink-stap-springsters van all over the world nemen het tegen elkaar op in een zinderende, enkels verzwikkende veldslag. Miljoenen mensen hink-stap-springen bijtijds van hun werk om nog een sprongetje mee te pikken. Zij wel. De vriendin wil het niet zien, de teleurstelling is te groot. 6,5 meter scheidde haar beste poging van de WK-limiet. 6,5 meter, met het blote oog nauwelijks waarneembaar, maakte voor haar het verschil tussen de wereldtop en, nou ja, niet de wereldtop.
We gaan straks fijn naar het bos. Gewoon, wandelen. Ene voet voor de andere. Ontspannen. De boel de boel. We nemen wel een discus mee, voor je weet maar nooit.