Een jaar niet op Lowlands

Vrijdagochtend werd ik wakker met een stinkende pijn in mijn hoofd, een pijn die sterker werd naarmate de dag vorderde en nog altijd niet verdwenen was toen ik de volgende ochtend volledig gedrogeerd onder de dekens kroop die vermoedelijk de mijne waren. Ik bleef mezelf vertellen dat het toeval was, die koppijn. Dat het er allemaal niets mee te maken had. Heus niet.

De beslissing om niet te gaan had ik precies een jaar geleden genomen. Het was zondagavond, het regende, mijn T-shirt, broek en schoenen waren doorweekt en ik had het ijskoud. In Noorwegen leggen ze de fout op zo’n moment bij zichzelf, zeggen ze: ik had andere kleren aan moeten trekken. Ik vond dat het haar schuld was. Dat alles haar schuld was. Ook dat de bus maar niet wilde vertrekken en dat de laatste trein gemist werd en dat ze me al die jaren veel meer gekost had dan ze me had opgeleverd. Financieel dan. Ik geloof helemaal niet in economie maar ik geloofde op dat moment nog veel minder in de liefde.

Te laf
Ik was te laf om het haar te vertellen. Alsof er niets aan de hand was ging ik door met mijn stukjes en mijn tweets. Lof afgewisseld met opbouwende kritiek, zoals ze dat van mij gewoon was. Een enkele keer voegde ik een hypocriet ‘zinin’ toe, met een hashtag erbij, en ik haatte mezelf erom maar het was mijn goed recht, want ik haatte haar toch ook?

Op zaterdagochtend, het was al een poosje middag, kwam de wroeging. Natuurlijk was ik een klootzak geweest. Juist nu ze me zo hard nodig had, liet ik het afweten.

Er waren livebeelden. Ik bereidde me op het ergste voor. Lege tenten. Bosjes tumbleweed in een kale woestijn. Een verdwaalde Drent die niet had meegekregen dat het er niet meer toe deed.

Opgezwolle trad op. Eerst zag je alleen de rappers. Dat ze lol leken te hebben zei natuurlijk niks. Ze zijn professioneel genoeg om te doen alsof. Toen kwam het publiek in beeld. Het waren er nogal veel. Ik zag een bekende. Hij lachte. De andere bezoekers lachten ook. Alsof ze me zagen zitten.
‘Thuis kun je het veel beter zien,’ riep ik naar het beeldscherm.
Ze begonnen te juichen.

Doodvallen
Ik verstopte me onder mijn dekens en kwam pas op zondagavond tevoorschijn om naar Theater Bellevue te gaan, waar een toneelstuk van Wim T. Schippers werd opgevoerd. Een verwarde man kwam door de deur of de deuropening de zaal binnen en meende dat we allemaal dood konden vallen. Hij bedoelde het letterlijk. De kans bestond dat we inderdaad dood zouden vallen, maar de kans dat we liggend in bed zouden sterven was vele malen groter. De zaal vond het reuzegrappig. In mijn hoofd bleven zijn woorden malen.

Doodvallen. Ik kon doodvallen.

Het regende de regen van een jaar geleden. Mijn T-shirt, broek en sokken waren doorweekt. Had ik maar iets anders aan moeten trekken. Thuis las ik alles wat er geschreven was, wie de beste was en wie niet en wie het daarmee oneens was en waarom. De gifbeker moest leeg en toen het zover was, was ikzelf nog leger.

Als ze me kan vergeven, dan ga ik volgend jaar weer gewoon naar Lowlands.