De Celtic-reserve die oorlogsheld werd

‘No braver deed was ever done in the history of the British army.’
Luitenant John Gemmill, juni 1915.

Het gedicht van de onbekende dichter Mark Thomas gaat zo:

Farewell to football, King and country awaits

To the green fields of France, a conscience dictates
Hell here on earth, sees young men fall and die
Close to enemy lines, a soldier looks to the sky

A hero steps forward, the wounded one to save
Links in a chain, two from Scotland the Brave
Rope around his waist, from trench to unknown
Conspicuous bravery, admired from the throne

Undetected by foe, he reaches out to his friend
Back into No Man’s Land, prepared for the end
Aware of them now, bullets rain from on high
Hit again and again, shattered foot, bloodied eye

No chance of escape but they reach a safe place
The noblest of deeds, to stare death in the face
The Great War’s great hero, football’s great loss
William Angus: For Valour, the Victoria Cross

De voetballer die soldaat wordt die held wordt
Eind negentiende eeuw wordt in Armadale, een mijnstadje tussen Edinburgh en Glasgow, in een omvangrijke mijnwerkersfamilie nog een kind geboren, een jongetje.
Zijn naam is William Angus.
De familie Angus is groot en arm, en jongens die er de leeftijd voor hebben, moeten de mijnen in. William ook, maar hij blijft er niet lang. In de weekenden voetbalt hij en hij valt op. Zozeer zelfs dat hij erin slaagt een contract af te dwingen bij Celtic, dan al een van de grootste voetbalclubs van het Britse eiland. Drie jaar lang leeft hij het leven van een profvoetballer, maar spelen doet hij slechts een enkele maal. Na die drie jaar gaat William voetballen voor Wishaw Thistle, waar hij al snel uitgroeit tot aanvoerder en ster van het elftal.
Zo liggen de kaarten als in augustus van dat jaar Groot-Brittannië wordt betrokken in de Eerste Wereldoorlog. Nauwelijks een paar weken later meldt William Angus zich als lid van het Territorial Battalion van de Highland Light Infantry. Hij wordt onmiddellijk gemobiliseerd en begint aan zijn militaire training. In de Highland Light Infantry is op dat moment echter een tekort aan plaatsen voor infanteristen; het enthousiasme onder Schotse jongens om ten oorlog te trekken overweldigt zelfs het eigen leger. Willie en zijn beste vriend James Martin melden zich dan maar aan bij de Royal Scots, daar in het achtste bataljon van het oudste regiment van het Britse leger, zijn al vele slachtoffers te betreuren en vers kanonnenvoer is dringend gewenst.
Dan wordt het 11 juni 1915.

De D-compagnie van de 8th Royal Scots bevindt zich in de voorste loopgraaf in de buurt van een spoorlijn net buiten Givenchy-les-la-Bassee.
Tegenover hen, 55 meter verderop, liggen de Duitsers in hun loopgraven.
Het is heet en vochtig.
Iemand laat een wind. Gegiechel.
De spoordijk is van groot strategisch belang; wie daar staat, heeft een perfect overzicht op de troepenbewegingen in de wijde omgeving.
’s Nachts wordt een Britse eenheid erop uitgestuurd om de Duitsers te verrassen. Dat mislukt: de Duitsers hebben de actie verwacht en wachten de eenheid op. Zodra de Britse soldaten het duister van het niemandsland insluipen, brengen de tegenstanders een enorme mijn tot ontploffing.
Dodelijk geschrokken duiken de Britten terug de loopgraaf in.
De opluchting dat iedereen het overleefd lijkt te hebben, overheerst de teleurstelling over de mislukte aanval.
Dan zegt iemand: ‘Waar is luitenant Martin?’
Luitenant James Martin, Willies onafscheidelijke maat, ontbreekt.

Wanneer op 12 juni 1915 de zon de schemering in Givenchy-les-la-Bassee verjaagt en de ochtenddamp van de 55 meter gras tussen de twee fronten optrekt, zien de Britten het lichaam van James Martin, boven op de spoordijk waar het allemaal om te doen is.
Hij ligt op enkele meters van de Duitse loopgraaf.
Iemand roept: ‘Hij beweegt!’
Luitenant Martin leeft nog. Sterker nog: hij schreeuwt om water.
Het Schotse accent raspt door de stilte van de ochtend.
Nu zijn ook de Duitsers gealarmeerd. Ze monsteren de situatie met hun periscoop en werpen een handgranaat naar de jongen die zich onmogelijk nog kan verdedigen. Mis.
Het nieuws over de onmenselijkheid van de Duitsers verspreidt zich door het Britse regiment als een luizenplaag door een kleuterklas. Tot het bericht ook bij William Angus belandt.
Willie meldt zich onmiddellijk bij brigadier-generaal Lawford. Hij wil erheen.
Lawford schudt zijn hoofd. Te gevaarlijk.
Willi houdt vol, zeurt, schreeuwt, smeekt.
Dan vraagt Lawford hem: ‘Weet je het zeker?’
‘Heel zeker.’
‘Ga dan maar.’
Er wordt een touw om Williams middel geboden, zodat hij, in geval van nood, naar de eigen linies kan worden teruggetrokken. Hij tijgert van krater naar obstakel naar struik en komt op die manier bij het lijf van James. Dan duwt hij een flesopening tussen de uitgedroogde lippen en giet een scheutje brandy in de mond van zijn vriend.
Vervolgens tilt hij het lijf van zijn vriend op en begint aan de terugtocht. Hand in hand, centimeter voor centimeter.
Dan regent het granaten. Eerst een, dan nog een, het wordt een hoosbui.
Ze strompelen de vijftig meter terug.
Vallen, staan op, vallen weer.
Door het stof dat de ontploffende granaten doen opstuiven, kunnen de scherpschutters hen niet de genadeslag geven, maar met het intensiveren van de kogelregen moet Angus iets verzinnen: hij geeft zijn collega’s het sein om Martins lichaam naar binnen te trekken. Zelf rent hij zo hard hij kan met omtrekkende bewegingen naar de geborgenheid van de Britse linie. Na weer een paar voltreffers stort hij zich uitgeput en hevig bloedend in een loopgraaf.
Wonderbaarlijk genoeg komt James Martin ongeschonden aan bij de trenches, maar het lichaam van zijn vriend is een gatenkaas: Willie Angus is bijna veertig keer geraakt, zijn rechtervoet is verbrijzeld en met zijn linkeroog ziet hij niks meer.
Willie wordt zo snel mogelijk naar het militaire hospitaal in Boulogne-sur-Mer gebracht.
Daar ligt hij nog te revalideren als een verpleegster hem een maand later heel goed nieuws komt melden.

Congratulations on the 12th
Op 30 augustus 1915 staan Willie en Willies vader in de grote ontvangsthal van Buckingham Palace. Voor de uitreiking van het Victoria’s Cross heet koning George V vader en zoon welkom. Wanneer de regent Angus senior de hand schudt, zegt hij hartelijk: ‘U moet wel enorm trots zijn op uw zoon.’
Eenmaal thuis krijgt hij de volgende dag een heldenwelkom. Eregast op het feest is, behalve Willie, James Martin, die later die avond het woord neemt: ‘Ik weet dat je het me niet kwalijk zal nemen als dit dankwoord niet al te lang zal worden. Toen ik op die junizaterdag gewond op het slagveld lag, leek mijn lot bezegeld. Maar William aarzelde geen moment en met gevaar voor zijn eigen leven wist hij dat van mij te redden. Carluke mag trots zijn op zo’n held, het was een actie die nergens in de annalen van de Britse krijgsgeschiedenis te vinden is. Korporaal Angus, ik dank je met heel mijn hart en ik wens je een heel lang, gelukkig en gezond leven toe. Ik hoop dat je dit horloge en bijbehorende ketting wil aanvaarden als dank voor het redden van mijn leven en als herinnering aan deze dag.’
Na die dag zal William Angus zelden nog het verhaal vertellen met een heldenrol voor zichzelf. Hij wordt voorzitter van de lokale voetbalclub Carluke Rovers, emigreert naar Australië, maar keert, gekweld door heimwee, terug naar zijn geboortegrond.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden twee van zijn zoons krijgsgevangen gemaakt, een derde sneuvelt aan het front.
Ieder jaar, op 12 juni, ontvangt Willie een telegram, ieder jaar met dezelfde tekst.
Congratulations on the 12th.
Afzender: James Martin.
Wanneer Martin in 1956 overlijdt, zet zijn broer de traditie voort. Het 43e en laatste telegram wordt verstuurd op 12 juni 1959 – twee dagen voor de dood van William Angus.
In het Schots Oorlogsmuseum in Edinburgh ligt het Victoria’s Cross van korporaal William Angus nog altijd tentoongesteld. In dezelfde vitrine liggen de medailles van luitenant James Martin.
Verenigd in herinnering.