Ruzie om export-stop op Marokkaanse uitkeringen

Marokko en Nederland hebben ruzie. De twee landen staan lijnrecht tegenover elkaar in een conflict over de uitkeringen die Nederland betaalt aan Marokkaanse burgers.

Het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en Marokko stamt uit 1972 en regelt de export van uitkeringen. In die tijd waren gastarbeiders uit Marokko zeer welkom, en maakte Nederland voor Marokko gunstige afspraken. Dankzij deze afspraken hebben Marokkaanse burgers die in Nederland hebben gewerkt recht op een volledige uitkering, ook als ze terug gaan naar Marokko. Het verdrag kan nooit worden gewijzigd zonder toestemming van Marokko.

Desalniettemin besloot Nederland in 2011 uitkeringen bij export aan te passen aan de koopkracht in het ontvangende land, het zogenoemde woonlandbeginsel. De wet werd op 1 juli 2012 van kracht, zou meteen gelden voor nieuwe uitkeringen en stapsgewijs gevolgen hebben voor lopende uitkeringen. Volgens Nederland moeten die uitkeringen met 40 procent omlaag en op die manier hoopt minister Asscher van Sociale Zaken zo’n honderd miljoen euro te besparen. In een reeks uitspraken hebben rechters echter een streep gezet door de korting op lopende uitkeringen aan weduwen en kinderen in Turkije en Marokko, want dat zou in strijd zijn met internationale verdragen. Voor Turkije staat het associatieverdrag met de Europese Unie verlaging in de weg, bij Marokko het verdrag uit 1972. En Marokko blijft vasthouden aan het verdrag, omdat het de mening is toegedaan dat mensen die hard gewerkt en premies betaald hebben, nu ook recht hebben op een volledige uitkering. Een verlaging van de uitkeringen is voor Rabat dan ook onbespreekbaar.

Doordat Marokko een aanpassing van het verdrag weigert – gesprekken hierover lopen al vier jaar op niks uit – wordt de politieke roep om opzeggen van het verdrag steeds luider. De vraag is wat daar de voordelen van zijn. Opzeggen heeft alleen gevolgen voor nieuwe uitkeringen, lopende uitkeringen moeten gewoon uitbetaald worden. De financiële opbrengst zal dan ook slechts beperkt zijn, ook omdat het associatiebesluit van Marokko met de Europese Unie – dat op 1 januari 2016 ingaat – de exportverplichting voor AOW, nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen regelt. Nederland kan dan wel het eigen verdrag opzeggen, maar Brussel bepaald de regels, waardoor er enkel een besparing van – op termijn – vier tot vijf miljoen euro per jaar op kinderbijslag en kindgebonden budget te behalen valt.

De besparingen vallen dus tegen. Aan de andere kant lopen de kosten met het opzeggen van het verdrag op. Als reactie op het voornemen heeft Marokko al een eerder toegezegde subsidie van een miljoen euro aan het Tropenmuseum in Amsterdam in de ijskast gezet. Maar het gaat verder dan dat. Zo werkt Marokko nu nog mee aan de controles voor de rechtmatigheid van uitkeringen. Als het dat niet meer doet zal de Nederlandse staat daar de extra kosten voor moeten dragen. Verder kan Marokko stoppen met het meewerken aan het uitzetten van illegale Marokkanen – zoals het eerder al eens heeft gedaan – en dreigt het land de justitiële samenwerking te stoppen, waardoor vervolgen van Nederlands-Marokkaanse criminelen in Marokko niet meer tot de mogelijkheden behoord. Bovendien kan Nederland in de strijd tegen terrorisme, jihadisme en radicalisering profiteren van de nauwe samenwerking met Marokkaanse autoriteiten. Bij een verslechtering van de verstandhouding zullen de mogelijkheden tot informatie-uitwisseling ook beperkter worden.

Met beperkte besparingen en oplopende kosten zijn er al met al weinig zinvolle redenen voor Nederland om de relatie met Marokko op het spel te zetten en het verdrag op te zeggen.