9/11: hoeren, heroïne, koude kalkoen en neo-vulturisme in Afghanistan

Waar was ik op die bewuste 11 september? Nou, ik zat heroïne te roken in Maastricht en volgde een en ander live op de treurbuis. Een paar weken later bevond ik mij aan het front in Afghanistan, met een flinke cold turkey omdat ik in de haast de methadon was vergeten. En passant werd ik ook nog beroofd door een hoer in hotel Tadzjikistan in Dusjanbe en moest ik heel wat telexen met mijn diverse opdrachtgevers in de Lage Landen om de peperdure reis te kunnen voortzetten. Had ik de sticker in de hotelbar maar beter moeten lezen: This is one of the world most dangerous places.

Mijn officiële versie van de laaghartige beroving is dat de beeldschone kommersjele sekswerkster met behulp van haar even louche pooier scopolamine (ook wel de adem van de duivel genoemd) in mijn wodka had geflikkerd. Dat zou dan wel een hele jerrycan vol moeten zijn geweest want ik heb de drugresistentie van een olifant.

Maar laat ik u verder niet lastigvallen met deze schaamteloze trivia want we gedenken vandaag immers voor de zoveelste keer 9/11. Voor mij is die gebeurtenis een breukpunt in de geschiedenis der mensheid en in mijn eigen geschiedenis. Voor die tijd schreef ik nog welwillend over het mohammedaanse geloof – de Gutmensch die ik was en de pleaser van mijn toenmalige opdrachtgevers – maar sindsdien behoor ik tot de vrolijke Gideonsbende der zogeheten islamcriticasters. De islam werd de splijtzwam van het Vrije Westen en ik zie dan ook duidelijk verband tussen 9/11 en de huidige vluchtelingenproblematiek.

Overigens werd Afghanistan het Waterloo van mijn journalistieke loopbaan want ik hing mijn lier in de wilgen (psalm 137, zonder Boney M.). Vooruit, ik heb een paar jaar later nog Brussel: Eurabia geschreven maar eigenlijk produceer ik sinds 9/11 alleen nog maar heerlijke onzin waar Gods zegen op rust. Ik kwam als een wrak terug uit Afghanistan, waar een leven niets waard was en is. Onze groep van vijftien buitenlandse journalisten besloot massaal en uit ultieme wraak dat immense roversnest te verlaten op de ochtend na de laffe roofmoord op de Zweedse cameraman Ulf Stromberg. Midden in de nacht waren Afghanen, huurlingen van de Noordelijke Alliantie, zijn barak in een Zweeds revalidatiecentrum binnengedrongen. Ik sliep met mijn fotograaf in het hok ernaast. De overvallers hadden Ulfs camera opgeëist en slaapdronken had hij dat geweigerd. Een kogel werd hem noodlottig, hij stierf twintig minuten later in de armen van fotograaf Martin Adler. Het wrange gevoel dat me na ons abrupte vertrek uit Afghanistan bekroop, bleef nog lang hangen. Het knaagde aan me dat ik een volslagen zinloze expeditie achter de rug had. Niets had ik met mijn verslaggeving bereikt. Ik had in wezen nooit de illusie gehad dat ik ook maar iets kon veranderen met mijn verslagen.

Ik was een opportunist. Omdat ik nu eenmaal het Midden-Oosten als specialisatie had en er woonde, kwam ik in oorlogen terecht. Ik viel van de ene in de andere verbazing, en meestal onvoorbereid met mijn neus in levensgevaarlijke situaties. Ik werd op de been gehouden door drank en eerzucht, maar te vaak twijfelde ik aan de edelheid van mijn motieven. Dichter Serge van Duijnhoven schreef in het essay Neo-vulturisme of de esthetiek van de horror: “Je als een gier op de slachtoffers in conflictgebieden storten, is een beroepsomschrijving waar de meeste reporters met een beetje relativeringsvermogen zich wel in zouden kunnen vinden. Een zekere dosis ‘neo-vulturisme’ – of: onbeschaamdheid – is misschien wel even noodzakelijk voor een conflictreporter met ambities, als een natuurlijk, instinctmatig talent voor timing, drama en geluk.”

Ik was echter geen trotse roofvogel maar een laffe angsthaas, die niets te zoeken had in oorlogsgebieden. Niet eens een held op sokken, hooguit een dronken Kuifje met ADHD.

Maar laat ik niet sentimenteel worden, bovendien denkt u toch dat ik dat allemaal veins. Het grote verschil tussen 11 september 2001 en 11 september 2015 is dat de sociale media destijds nog niet zo bepalend waren als nu. Ik bedoel: toen renden mensen nog naar de kiosk om de courant en de Vrij Nederland te kopen voor hun portie opinie. De meningenindustrie was toen nog overzichtelijk. Nu kakelt tante Bep uit Lelystad-Noord mee over de mohammedaanse gasten in Apeldoorn en heeft Gerrit-Jan K. in de TBS-kliniek ook een mening over het verdronken jongetje Aylan. Voor 11 september 2001 was mijn wereld nog redelijk overzichtelijk, nu is het een grote gierende kermis en waan ik mij in een achtbaan, met een cocktail van scopolamine, xtc en lsd in de mik. Maar dat houdt op zodra ik mijn Google Chromebook dichtklap en met de honden over het strand ga wandelen. Ik wens u een prettige 11 september.