Het festivalseizoen is voorbij. Een ode aan de club

Op een laatste zielige stuiptrekking na is de festivalzomer van 2015 ten einde. Dan is het gedaan met best kept dit, a camping fly to dat en welcome to the great wide bla bla. We mogen de clubs weer in.

De clubs! Die hebben pas namen. Zeg Vera, Ekko of Effenaar en mijn hart begint te bonken, alsof het eruit wil. Mijn borstkas uit, de wijde wereld uit, de club in. Die heerlijke vochtige stinkgrot, waar de portier die nooit iets zegt je toeknikt, een teken dat hij je niet zal slaan. Door de hal, langs de vrijwilliger die hier al kwam toen de club nog burgerweeshuis, azijnfabriek of patronaat was. Niemand weet precies wanneer hij aan is komen waaien, waarom hij het zo belangrijk lijkt te vinden dat er geen restjes plakband op de muren achterblijven, zelfs niet hoe hij heet – ze noemen hem Dinges of Die Ene of Henkie en het is goed zo.

Cobain, Winehouse, Brood
Je likt aan de muren als je denkt dat niemand kijkt en proeft het zweet van Cobain, Winehouse, Brood en duizenden andere vergeten en minder vergeten helden. Achter de bar hangt een vergeelde recensie uit de Gezinsbode van toen U2 hier speelde; daar zouden we nooit meer iets van horen. Ernaast een foto van de programmeur met een jonge Debbie Harry. Hij kijkt even verliefd als zij verveeld. In een hoekje te klein voor de zwabber ligt een peuk van voor het rookverbod.

Het meest antieke wat je op een festival vindt is een plastic bekertje van de eerste middag. In de winter drink je bier uit glas. In de winter hoef je niet te zappen tot je na uren en uren eindelijk iets gevonden hebt wat de moeite waard lijkt, waar je al niet meer van kunt genieten omdat je concentratievermogen het allang verloren heeft slaapgebrek en drank en wat dies meer zij. Tussen vier zwarte muren komt de muziek puur en onversneden. Kraakhelder maar grofkorrelig. Alle tijd om je te laten grijpen. Dat weten de artiesten ook. Er gaat een dikke rode streep door de met radiohits volgepropte setlist. Kom maar op met die obscure b-kantjes.

When I say pink
Je hoeft niet verplicht mee te klappen, laat staan spontaan, en het duurt zolang het duurt; er is geen eindtijd. Geen ‘when I say pink, you say pop’. Geen dronken malloten die halverwege de show naar voren beuken om vlak voor je neus met moeite proberen te reconstrueren wat er de vorige avond ook alweer allemaal gebeurd is. Geen keuzestress, geen onweersbui, geen handjes in de lucht, zeker geen hartjes en godzijdank geen sitdowns. Je slaapt in je eigen bed en je poept op je eigen schone toilet. Het clubseizoen. Misschien wel de mooiste tijd van het jaar.