Recensie: J. Kessels, éindelijk een film met lef die het NFF opent (***)

Aan publiciteit had het Nederlands Film Festival de afgelopen dagen geen gebrek. Een aantal producenten trok hun films terug (Michiel de Ruyter, De ontsnapping), er werd gerept over het vermeende elitaire gehalte van het festival en als klap op de vuurpijl werd het productiebedrijf van het slotgala aan de kant geschoven. Maar er is ook een lichtpuntje, dit roerige jaar: met J. Kessels heeft het festival voor het eerst in lange tijd een openingsfilm met lef en bravoure, inclusief negerlullen en kamikazewagens.

Wie een blik werpt op het filmaanbod van eigen bodem kan niet anders dan concluderen dat dit voor een groot deel bestaat uit boekverfilmingen en romantische komedies, met als gevolg een continue stroom aan middelmatige films, in de regel publiekstrekkers. Maar je kunt een boekverfilming ook anders aanpakken, bewijst regisseur Erik de Bruyn met de verfilming van het cultboek J. Kessels van schrijver P.F. Thomése.

Fedja van Huêt (links) en Frank Lammers in J. Kessels
Fedja van Huêt (links) en Frank Lammers in J. Kessels

De Bruyn opende het festival al eerder: vijftien jaar geleden met Wilde Mossels, een Zeeuws coming-of-agedrama. Na dit sterke debuut maakte hij een aantal weinig opzienbarende films waaronder in 2011 De President met Achmed Akkabi. Met J. Kessels zet De Bruyn zichzelf weer vol in de schijnwerpers.

Zijn nieuwste creatie is de verfilming van P.F. Thoméses verslag van een bizarre roadtrip van de schrijver (en personage) P.F. Thomése, die met een writersblock kampt, en zijn beste vriend (en personage) J. Kessels. Een roman die door nogal kleurrijk taalgebruik en absurde situaties als moeilijk te verfilmen werd beschouwd. Al met al heeft De Bruyn de bloemrijke taal van Thomése op een bijzondere manier naar het witte doek weten te vertalen, onder meer door dialogen uit het boek te laten vertellen door een voice-over. De art-direction, waardoor ranzige schrijvershutten en schrale bierlokalen met geuren en kleuren tot leven komen, kreeg terecht een nominatie voor een Gouden Kalf.

Het verhaal draait om een nogal ongelukkige herinnering van Frans Thomése. In een bonte scène, een flashback, waar megafrikadellen (bijgenaamd negerlullen) druipend van vet en saus naar binnen worden geschoven, raakt Frans helemaal ondersteboven van de jonge, uitdagende Brigitte. Maar Frans is een sukkeltje, en maakt geen kans. Jaren later kan hij eindelijk afrekenen met zijn verleden. Hij en J. Kessels krijgen een opdracht van de zoon van de snackbarhouder Bertje de Braaij. Ze moeten in een frikadellenkoning (Ruben van der Meer) opsporen, hij loopt ergens rond in Hamburg. Het trio stapt in een oude auto, bijgenaamd de Kamikaze, en rijden naar de Duitse havenstad. Bij wijze van lokaas wordt Frans een ontmoeting met zijn jeugdliefde Brigitte beloofd.

In het eerste uur van J. Kessels zit het tempo er lekker in. De Bruyn maakt er een visueel feestje van, en Van Huêt en Lammers hebben een bijzonder natuurlijke chemie. Maar na de eerste helft, eenmaal in Duitsland, lijkt het alsof het writersblock van Frans over is geslagen op regisseur en scenarioschrijver. Het verhaal raakt stuurloos, waarna de J. Kessels inboet aan energie, en de film uiteindelijk verzandt. Door de veelbelovende start wordt het contrast met de tweede deel pijnlijk zichtbaar. Daar kan het heerlijke komische acteren van de twee hoofdrolspelers maar weinig aan redden.

Desondanks staat J. Kessels gelukkig ver boven eerdere openingsfilms van het NFF, zoals Hoe duur was de suiker en Bloedlink. De film is prachtige publiciteit voor de discussie over het steunen van creatieve filmmakers, of eigenlijk: het brutale bewijs dat dit segment van de filmwereld aandacht verdient.

film3

‘J. Kessels’ is nog te zien tijdens het Nederlands Film Festival in Utrecht (24 september tot en met 3 oktober) en draait vanaf 1 oktober in de bioscoop.