Rum, hoeren en de verkrachting der mensenrechten door Havanna & Mekka

Eigenlijk wilde ik deze filippica (hevige strafrede of brandrede tegen iemand of iets) richten aan de islamofascistische Saoedische zwijnenrotte die deze week de toko Mensenrechten kocht van de Verenigde Naties. Een kontenkruiper van Barack Hussein Obama II liet vanuit het Witte Huis te Washington weten dat zijn baasje bijzonder gelukkig was met de terechte toekenning en dat de president zich nu hard ging maken voor de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan het Huis van Saoed, bij die seniele Altzheimertroep te Stockholm.

Ter viering van dit heuglijke feit – de verkwanseling van de mensenrechten voor een paar stinkende olievaatjes – werden er die dag veertig homofielen van het kantoor van het hoofdkwartier van McDonald’s te Mekka gesmeten. Een kleine domper op de feestvreugde waren de bijna duizend martelaren die ongeveer gelijktijdig verpletterd werden tijdens het steentjes gooien naar Shaytan in Mina. Een verstandig mens denkt dan: die ouwe duivel had er schoon genoeg van, om veertien eeuwen lang als een mottige aap in een zielige dierentuin gepest te worden en nam drastisch wraak.

De minister van Pelgrimage en andere kommersjele geldophoestende mohammedaanse feestelijkheden stelde de umma met van 1.6 miljard abonnees vanochtend gerust met een kalifatische bul: het was de schuld van de negermuzelmannen uit zwart Afrika want die waren ineens heel hard gaan rennen omdat ze bang waren voor de duivel.

Als u mij niet gelooft, moet u zelf maar even checken op Al Jazeera, dat vooral betrouwbaar is zolang het niet gaat over de sponsoring van IS door Qatar, het opkopen van het WK-voetbal door Qatar en zolang het maar niet gaat over de gruwelijke vernedering van Aziatische slaven in Qatar en mensenrechten in het algemeen: The head of the Central Hajj Committee, Prince Khaled al-Faisal, blamed the stampede on ‘negro pilgrims from African nationalities, most likely instigated by zionist conspirators.’

Pero bueno. Omdat ik jelui – naar de vrijmibo snakkende loonslaven – niet wil opzadelen met deze ellende, heb ik daarom besloten iets vrolijks over Cuba te schrijven. De paus werd daar namelijk onthaald als ware hij Harry Mulisch, Bono, Antonio Montana en de Heere Jezus Christus samen. De euforie was enorm, wereldwijd. Ik bekeek het nieuws in het Cubaanse barretje van Mario, die u vast wel kent van mijn omstreden maandagse column in de Volkskrant, met fijne illustraties van de heer Gabriel Kousbroek.

Ik zat met zijn moeder en vader te kijken naar de zegetocht van Papa Fransje. De vader van Mario was piloot in de Cubaanse luchtmacht en zeer intiem met de Castro’s. Hij viel echter in ongenade en ontvluchtte het eiland. Mario, die de homoseksualiteit heeft uitgevonden en verbeterd, zat vanwege subersieve activiteiten (enemigo del estado) in de bajes maar wist te ontsnappen. Al hun bezittingen zijn geconfisceerd. Mario kan enorm foeteren op de Castro-dynastie (door Forbes geschatte waarde: 1 miljard dollar). Wat Mario echter het meest irriteert, is de systematische schending der mensenrechten op Cuba. Zijn wandje op Facebook staat er bol van en is een verademing na het kortzichtige gejubel over de hipsterpaus op Cuba in de Mainstream Media (MSM). De mediale euforie doet mij bijna denken aan het het hysterisch hosannagebrul tijdens de zogenaamde Arabische Lente. Enfin, u moet u zelve maar even verdiepen in de tropische operettedictatuur op deze website.

Omdat ik niet wil dat u met het zuur vanwege mijn onheilstijdingen, het goedkope bier en de bittergarnituur in uw maag uw insipide kantoor des doods verlaat, op de valreep een anekdote over mijn eenmalige bezoek aan Cuba. U kent mij!

In mijn oneindige wijsheid besloot ik er midden in de orkaantijd heen te gaan. De eigenaar van het vervallen pand waar ik sliep, was druk bezig planken voor alle ramen te timmeren. Die nacht stormde het als een gek maar besloot ik, stanakel van de rum, toch nog even het centrum van Havanna te checken. Er was geen reet te beleven en uiteindelijk waggelde ik de enige bar binnen die nog open was op dat onzalige tijdstip. Wie schetst mijn verbazing dat daar de volledige Buena Vista Social Club zat te tokkelen, voor vier verbrande Moffen, type kinderschenders. Ik kon die muziek niet meer horen! Ik meen dat ik ontplofte toen ik op mijn zoveelste jaardag het honderste exemplaar van die ene kut-cd kreeg!

Neuriet u even mee?
‘De Alto Cedro voy para Marcane
Llego aa Cueto voy para Mayari.
(x3)
Pam pam pam, pam pam pam. Nog bedankt, Ry Cooder!’

Goed, ik werd helemaal droef, naargeestig en suicidaal in dat deprimerende Havanna dat ook nog eens geteisterd werd door orkanen en dure hoeren. Ik dus naar Varadero, het Torremolinos van Cuba. Ik kreeg daar kennis aan twee Haagse truckers die ik omdoopte tot Snuf en Snuitje. We droegen zo’n armetierig polsbandje en zaten bij het ontbijt al aan de rum, u kent dat wel. Al met al worden het dan lange, slopende tropendagen, zeker als je niet mee doet aan de gymnastiek in het zwembad. Ik en Snuf besloten van pure verveling naar de hoeren te gaan. In een of andere ballentent ontmoeten we twee pikzwarte dames in avondkledij die stellig ontkenden kommersjele sekswerksters te zijn maar daar geloofden wij natuurlijk geen biet van, om vijf uur ‘s nachts in die ballentent. Uiteindelijk mochten we dan mee naar een of ander huis in de negorij, temidden van cactussen en huilende valse honden. De dames stommelden het bouwval binnen en een kwartier later ontstond er een komplete uittocht van familieleden, ik meen een stuk of tien. Die gingen blijmoedig tegen een klapperboom zitten, reeds verheugd op onze dollars.

Ik vond het schandalig, dit tafereel. Was dit nou die heilstaat waar Harry Mulisch zo over blaatte? Voor mij hoefde het niet meer, deze imperialistische uitbuiting. Bah! Snuf was ondanks het mensonterende tafereel toch nog geil en pakte de twee zwarte zusters lieflijk doch dwingend bij de handjes. De polvo (het pompertje) duurde wat langer dan het afgesproken kwartiertje en ik besloot te gaan checken. Misschien had hij wel een hartaanval gekregen! Ik kom binnen in die schamele hut en kijk in de witte puddingreet van Snuf. Op datzelfde moment knalt er een donderslag van een scheet door de hut. ‘Gadverdamme Snuf, roep ik, schaam je je nou nergens voor?’ Bleek het een van die zwarte gezelschapsdames te zijn, die voor de afwisseling die avond vermoedelijk een bonenstoofschoteltje had verorberd. Ik was er helemaal klaar mee, met Cuba. Als dat nou het ware communisme moet voorstellen.

Hasta La Victoria Siempre? Lame mi cule, Comandante Che Guevara. Buen fin de semana, compañeros!