Die verdomde vluchtelingen

Vanochtend vroeg moest ik mijn klamvochtige lichaam noodgedwongen afdrogen met wat bij ons thuis ‘het reepje’ wordt genoemd. Het reepje is een stukje textiel van zo’n 20 bij 90 centimeter, in een ver verleden moet het voor badstof door zijn gegaan, dat pas van stal wordt gehaald als alle andere handdoeken en handdoek-achtigen in de wasmand of op een hoopje in de gang liggen. “Die verdomde vluchtelingen ook,” mompelde ik, terwijl ik met het armzalige lapje mijn van zelfmedelijden doordrenkte vlees droogdepte. Dat ik al drie weken met een grote boog om de wasmachine heen liep, was hier slechts bijzaak.

In een stripje waar ik deze week op stuitte, steekt een fietsende man al glimlachend een stok tussen de spaken van zijn eigen voorwiel. Als hij naast zijn fiets in de berm terechtkomt en kermend van de pijn naar zijn knie grijpt, roept hij verontwaardigd: ‘fucking refugees’. En geef die arme vent eens ongelijk. Alles wat er misgaat in het leven van de goudeerlijke, hardwerkende, belastingbetalende Nederlanders is de schuld van de vluchtelingen.

Als ik zeg vluchtelingen, dan bedoel ik natuurlijk migranten, ontheemden, Marokkanen, iedereen die geen uiterlijke gelijkenissen vertoont met Vermeers Melkmeisje en de Monnickendamse visboer, allochtonen, terroristen, Yolanthe, Quinsy Gario, asielzoekers, Sylvana Simons, moslims, de Turkse herenkapper en iedereen die tegen Zwarte Piet is. En als ik zeg goudeerlijke, hardwerkende, belastingbetalende Nederlanders, dan bedoel ik natuurlijk de 176.332 leden van de Facebookpagina ‘Nederland mijn Vaderland’, waar plaatjes van molens en gephotoshopte zonsondergangen een dekmantel zijn voor anti-vluchtelingen- en pro-zwartepietpropaganda.

Noem het leedvermaak, noem het zelfkastijding, maar zo nu en dan kom ik er graag. Eens zien wat er nu weer allemaal niet mag van de vluchtelingen en de policor wegkijkende (s)linksmens. ‘Een halfje bruin’ roept Peter, ‘jodenkoeken’ gilt Jackie, ‘een zwart potlood’ aldus Monique, waarop Edwin, Johan, Roelof, Anneke en Leroy over elkaar heen buitelen om hun briljante vondsten kenbaar te maken. Blanke vla, de Kerstman, inkt, een peper-en-zoutstel, Nutella, chilisaus en alle andere woorden waar een kleur of land in voorkomt. ‘Dadelijk lezen we enkel nog de koran,’ doemdenkt Gon erop los. ‘En straks hebben we in Nederland meer moskeeën dan kerken,’ vult Gerard J. haar aan.

Ene Ruud uit Zaandam, die op zijn profielfoto met een vrouw in een tijgershirt voor een grote bamboestruik poseert, trekt zich van al die kleinzerigheid lekker helemaal niets aan. Nadat hij chinees heeft besteld gaat hij met een jodenkoek in zijn hand kinderliedjes zingen in de tuin, vertelt hij. Tussen de afrikaantjes. Zigeunermeisje, Moriaantje, Ik heb een tante in Marokko, zijn hele twijfelachtige repertoire zal voorbijkomen, met als extraatje een negerzoen.

Ik probeer me Ruud voor te stellen. Een volwassen man, grijs haar, trotse blik, uit volle borst zingend tussen de bloembakken. Aan de bakstenen gevel van zijn huis hangen drie felgekleurde decoratievlinders. Maar mijn grijns wordt veel te breed, ik voel mijn mondhoeken scheuren. Au! Die verdomde vluchtelingen ook altijd.