Arturo Bokito en de snotapen van het mediacircus

Het enige circus dat ooit mijn bescheiden goedkeuring wegdroeg, was het geheel uit Afro-Afrikaanse artiesten bestaande UniverSoul. De zwaargetinte troupe had de tent opgeslagen in Harlem, New York. Een thuiswedstrijd zogezegd. Ik had net voor een maand een studio gehuurd aan de Malcolm X Avenue vanwege een aangrijpende reportage over de verwoestende crackepidemie en de daarmee gepaard gaande rassenonlusten, een en ander in opdracht van de glossy Spuit 11 van de Junkiebond te Amsterdam. U begrijpt dat mijn voorschot na een dag op was.

Enfin, met mijn zelfgeknutselde perskaart wist ik toch gratis te infiltreren bij het UniverSoul Circus. Ik was de enige wittieman. Wijselijk ging ik daarom niet keihard lachen, gieren en brullen om een zwarte dwerg die flauwe grapjes en grollen stond te bakken over ras, lengte en andere heikele kwesties. Ik vond dat toen al stigmatiserend en bovendien ben ik tegen lynchen (in de lijdende vorm althans). Toen de gnoom vervolgens een mijns inziens wel erg makkelijke tirade tegen de drugs begon en uit de luidsprekers I Believe I Can Fly van R. Kelly knalde, had ik er genoeg van. I just said no!

Mijn eerste vriendinnetje op de MAVO Beukenlaan te Ede (Gld.) maakte ooit een scriptie over circus Toni Boltini, dat was neergestreken aan de bosrand bij die Parel van de Veluwe. Gerdientje mocht langs komen in de pipowoonwagen van Ome Toni, voor een exclusieve q & a.

Dat ze vervolgens paardje moest rijden op diens knie, vond ze tot daar aan toe, indachtig haar ruimdenkende credo: ‘s kampers wijs, ‘s kampers eer. Maar dat Ome Toni piemelnaakt was, dat vond Gerdien verdacht. Het is nog een landelijke zaak geworden en voor mij hoefde het circus toen niet meer. Weg waren mijn zoete herinneringen aan de vrouw met de baard en acht lullen, de kabouter met de twaalf tieten, de levende kanonskogel en de Dikke Man en zijn Grote Verdwijntruc met de Veertig Dansende Buttplugs. Genoeg geraaskald! Laat ik over gaan tot de portee van mijn vertoog: het mediacircus.

Zoals u wellicht heeft vernomen, is de derde intifada uitgebroken. Althans, zo noemen de media het, zonder dat de opgeschoten Palestijnse jeugd daar weet van heeft. Toen Intifada 1 uitbrak, was ik een studerende bolleboos aan de Hebreeuwse universiteit op Mount Scopus en woonde ik in de Armeense wijk van de Oude Stad. Ik heb vaak gezien hoe bijvoorbeeld Nederlandse filmploegen van Twee Vandaag een zak snoep en een flinke steen gaven aan een Arabisch kindje. Dat moest die kei dan naar een zionistische soldaat gooien, die meteen met scherp schoot. Met zulke beelden was het fijn thuiskomen op het Mediapark.

Tijdens de tweede intifada was ik correspondent te Jeruzalem. Zelfs als ik toentertijd schreef dat er een joodse kip de weg was overgestoken, haalde ik de voorpagina. Jews are News, zo hoorde ik een juffrouw van CNN eens zeggen. Ik mag u hier in alle vertrouwen wel verklappen dat ik goed geboerd heb dankzij die Tweede Intifada, maar dit terzijde.

Het mediacircus te Jeruzalem was ziekelijk. Ik meen dat er dertig Nederlandse correspondenten de boel liepen uit te vreten in de Heilige Stad. Er zaten zelfs afgevaardigden van de Bobo, Paard & Pony en Arts & Auto tussen. Mijn goeiste vriend Conny Mus (de vrede zij met hem) was de baas van de Buitenlandse Persvereniging. Hij had zich onsterfelijk gemaakt bij het journaille door een geplande Israëlische wet – die bepaalde dat buitenlandse correspondenten belasting moesten gaan betalen – succesvol te torpederen. Conny en ik hebben toen nog furore gemaakt met een artikel voor de Groene Amsterdammer, waarin wij stelden dat het belachelijk was dat bijna alle Nederlandse correspondenten in Israël joods waren, zelfs die van de Bobo. Alsof de correspondent te Nuuk, de hoofdstad van Groenland, altijd een inuït-eskimo moet zijn en dientengevolge kritische verhalen zal schrijven over de jacht op zeehondenbabietjes!

Das war einmal. Het correspondentschap te Jeruzalem heeft geen enkele status meer, de lezer heeft al geruime tijd de neus vol van Het Conflict der Conflicten. Door al dat andere gedoe in het Midden-Oosten is Israël onbelangrijk en oninteressant geworden, mediawise. Op nadrukkelijk verzoek van mijn trouwe lezers zal ik echter nog een keer een oubollige anekdote uit de mottenballen trekken: de keer dat ik naast Bill & Hill Clinton en Arafat stond op vliegveld Gaza.

Operatie Lied Vijf (het bezoek van Clinton) was de grootste veiligheidsoperatie in de geschiedenis van Israël. Vijftienduizend agenten, soldaten, detectives en scherpschutters veranderden de stad in een vesting. Meer dan tweeduizend journalisten, fotografen en cameramannen wilden een glimp opvangen van de beroemdste man ter wereld. Het Witte Huis had eigen pools gemaakt en alleen de grote Amerikaanse netwerken en bladen als Time en Newsweek mochten de Clintonnetjes van dichtbij volgen. Mr. President ging ook nog eens het vliegveld van Gaza openen en daar wilde ik dan toch wel bij zijn. Ik meldde mij, slechts gewapend met een bloknootje, bij het perskantoortje van de Palestijnse Autoriteit op de grensovergang. Een slaperige klerk hing boven een smoezelige fax vol koffievlekken. Op het vodje waren de namen zichtbaar van CNN, Time, Newsweek, Reuters en Associated Press: de gevreesde pool-lijst van het Witte Huis. ‘In welke pool zit jij’, bromde de Palestijn. Boven aan de lijst stond ‘Airport‘ en ik riep: ‘Eddo Rosenthal. Airport.’ Die naam stond niet op de lijst en ik zei dat er wel vaker geknoeid werd met de spelling van Nederlandse namen. De klerk nam niet de moeite om de lijst te checken en pakte, zonder een woord te zeggen, twee badges uit een plastic zak. Op de pas geopende luchthaven ruzieden CIA-mannen met Palestijnse veiligheidsagenten. Het gevolg van de chaos was dat ik ongestoord kon gaan piesen en overgeven (ik had weer eens een helse kater) in de Clinton-plee van de viproom. Toen ik die weer verliet en over de rode loper naar het perspodium liep, schoten er twee enorme Amerikaanse bullebakken op me af. Wat heb je daar gedaan, schreeuwde een varkenskop, en ik wees naar mijn badge. De Palestijnse veiligheidsagent die mij voortijdig had moeten signaleren, kreeg vervolgens een enorme uitbrander en er ontstond een felle ruzie tussen de Amerikanen en de Palestijnen. Ik stond, met mijn bloknootje, naast de cameraman van CNN toen de presidentiële helikopter landde. Bill, Hillary en Yasser stonden een meter voor mij en ik had Hil zo in haar kippekontje kunnen knijpen (of Yasser want die lustte daar wel pap van).

Terwijl ik lekker aan het fantaseren was, werd ik aangevallen door een woordvoerster van het Witte Huis. ‘Wat doe jij hier, godverdomme, je hebt niet eens een camera. Wie ben jij?’ Vervolgens begonnen persattachés van het Witte Huis en Palestijnse beambten aan mijn goeie goed te trekken. Enfin, het bleef nog lang onrustig in anders zo saaie Gaza. Mijn wijze raad van vandaag, voor u in de bips gaat knijpen van juffrouw Ans van de telexafdeling: een brutaal mens heeft de halve wereld en om te overleven in het mediacircus der schrijvende apen, kunt u beter Bokito zijn dan zijn vrouwtje.

Ik wens u een gezegende Vrijmibo toe.