Een gênante geschiedenis: ver voor Zwarte Piet was er al Blackface

De discussie over het al dan niet racistische karakter van Zwarte Piet is inmiddels overgeslagen naar België. Voor commissarissen van de VN bestaat er weinig twijfel: Piet doet denken aan de racistische traditie van ‘blackface’, een decenniaoude praktijk waarbij een blanke zijn gezicht zwart verft om een zwart personage te imiteren.

Blackface deed z’n intrede in de minstrelshow, een genre in het Amerikaans theater dat ontstond aan het begin van de negentiende eeuw. In de minstrel show dreven blanke acteurs de spot met Afro-Amerikanen die toen nog slaven waren. Ze schminkten hun gezicht zwart door middel van gebrande kurk of schmink, maakten hun lippen groot en rood, en vertolkten een lui, simpel, karikaturaal typetje. In aanloop naar de burgeroorlog in de zestiger jaren van de negentiende eeuw werden deze spottende, stereotiepe eigenschappen nog verder uitvergroot door voorstanders van de slavernij. De Amerikaanse burgeroorlog draaide namelijk grotendeels om slavernij: de zuidelijke staten wilden de lucratieve slavenhandel behouden terwijl de republikeinen in het noorden, met president Abraham Lincoln aan het hoofd, de slavernij wensten af te schaffen.

Eind negentiende eeuw, na de afschaffing van de slavernij, verschenen er ook donkere acteurs in de theaterstukken. Ironisch genoeg werden ook zij verplicht om zwarte schmink en rode lipstick te dragen. Na de Eerste Wereldoorlog was het voor de minstrelshows, althans de Amerikaanse massaproducties, zo goed als einde verhaal. Het was wel nog veelvoorkomend dat blanken zich zwart verfden in films om donkere rollen te vertolken, zoals in de kaskraker Birth of Nation. Maar ook aan dit gebruik kwam definitief een einde in de jaren 1960, wanneer de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging dergelijke praktijken aan de kaak stelden.

De minstrelshow kende ook succes in Europa. Niet alleen toerden de Amerikaanse theatergezelschappen doorheen Europa, er ontstonden ook Europese versies. In Engeland kwam de BBC zelfs met een televisieversie op de proppen, de Black and White Minstrel Show. Ondanks een succesvolle petitie van de Campaign against Racial Discrimination, een antiracismeorganisatie die steun kreeg van Martin Luther King, bleef de serie bestaan tot 1978. Ze was immers immens populair.

Een blanke Obama
Echte minstrelshows kent Europa nu niet meer. In Portugal kruipen komieken, acteurs of presentatoren echter nog geregeld in de zwarte verf. Dit wordt voornamelijk gedaan om een komisch effect te bekomen. Zo imiteerde de stand-upcomedian Ricardo Araújo Pereira de Amerikaanse president Barack Obama door zich met zwarte schmink uit te dossen. Een Duitse komiek, Martin Sonneborn, deed het hem na in 2011. Kort voor de verkiezingen richtte hij een satirische politieke partij op. Op diens campagneposter prijkte een breed glimlachende, zwartgeverfde Sonneborn met als onderschrift ‘Ick bin ein Obama’.

De gelijkenis tussen de zwarte slaven met Moorse pakjes uit Ivanhoe en Zwarte Piet is treffend. Duitsers dossen zich ook bij andere gelegenheden uit in blackface, bijvoorbeeld bij carnaval of Driekoningen. Ook in het Duits theater komt het soms voor dat blanke acteurs donkere personages vertolken, hoewel hierop steeds meer kritiek komt. Zo in een recente uitvoering van Dea Lohers Unschuld in het Schlosspark Theater in Berlijn. Na protest tegen de castingkeuze in het stuk stelde de woordvoerder van het theater dat ze simpelweg geen gepaste gekleurde acteur konden vinden, een verklaring die op nog meer verontwaardiging kon rekenen.

Het is echter slechts sinds kort dat het gebruik van blackface in het Duits theater in opspraak komt. Anders had het waarschijnlijk niet gekund dat er slechts twee keer – van de veertig uitvoeringen sinds 1987 – een gekleurde acteur de hoofdrol vertolkte in het populaire I’m Rappaport, een stuk over een vriendschap tussen een Joodse en een donkere Amerikaan. Ook in de VS wordt het gebruik van blackface steeds meer in vraag gesteld.

Gone where the good niggers go
Blackface is niet alleen te vinden in de entertainmentsector. Zo verschenen er al snel na het ontstaan van de minstrel shows Amerikaanse blackface-kinderpoppen. De Engels-Amerikaanse cartoonist Florence Kate Upton baseerde zich op deze poppen in haar populaire Golliwogg-boekenreeks. Vervolgens werd haar Golliwogg-personage zo’n hype dat de Britse jamfabrikant Robertson’s zich geroepen voelde het als zijn mascotte te gebruiken. Zo ontstonden er naast Golly-poppen Golly-badges, Golly-parfums, Golly-juwelen en dergelijke meer. Het figuurtje werd al snel aangezien als een nationaal symbool. In de jaren 1960 kwam er echter steeds meer kritiek tegen om redenen van racisme. Vanaf de jaren 1980 namen Britse overheidsinstellingen maatregelen tegen Golly. Toch duurde het nog tot 2001 voor Robertson’s Golliwogg uit zijn marketingplan schrapte.

Mummer’s Day vindt jaarlijks op 1 januari en 26 december plaats in Padstow, Cornwall. De origine van Mummer’s Day is onduidelijk, maar de feestelijkheden zijn onderdeel van een midwinterfestival waarbij de inwoners van Padstow samenkomen om te dansen, zingen en een traditioneel toneelstuk op te voeren. Ook is er onduidelijkheid over de oorsprong van het zwartverven van de gezichten. Sommigen menen dat het Britse gebruik voorafging aan de Amerikaanse minstrel-traditie. De Britse blackface zou niets te maken hebben met het bespotten van de donkere medemens, maar wel met de Angelsaksische ‘mummering’-folklore, een vorm van theater waarbij de participanten zichzelf op een of andere manier onherkenbaar maken, meestal door het opzetten van maskers.

Mummer’s Day is in ieder geval wel beïnvloed door de minstreltraditie. Dit merk je aan de klederdracht, maar vooral aan de liedjes die de feestvierders kopieerden van het minstrelentheater, zoals het populaire ‘Gone where the good niggers go’. Sinds enkele jaren komt de feestdag in opspraak, met een naamsverandering als gevolg. Vóór 2006 heette hij nog ‘Darkie Day’. Ook werd het woord ‘nigger’ in de liedjes vervangen door ‘mummer’.

Een tweede omstreden Britse traditie die de ‘blackface’ hanteert, betreft de Britannia Coconut Dancers. De coconut dancers, ook wel nutters genoemd, uitgedost met kokosnoten aan hun knieën, middel en polsen, treden op tijdens Pasen in Bacup, Lancashire. Dat ze hun gezicht zwartverven zou, althans volgens de ‘nutters’, niets te maken hebben met de minstrelshows. Het gebruik zou teruggaan naar de vroegere mijnwerkers in Bacup. Volgens anderen zou de blackface dan weer refereren aan de Noord-Afrikaanse piraten die zich in Engeland vestigden tijdens de vijftiende eeuw.

België in het vizier
En wat met de geschiedenis van de Belgisch-Nederlandse Zwarte Piet? Bambi Ceuppens, cultureel antropologe bij het Afrika Museum in Tervuren, meent dat de negentiende-eeuwse Nederlandse schrijver Jan Schenkman, die met Zwarte Piet op de proppen kwam, beïnvloed was door een kunsttraditie uit de zestiende eeuw waarbij donkeren werden afgebeeld als dienende figuren. Die voorstellingen vloeiden dan weer voort uit de kennismaking met Portugese kolonisatoren, die vergezeld van hun Afrikaanse slaven inkopen kwamen doen in de toenmalige wereldstad Antwerpen.

Mogelijk kende Schenkman ook de slaven in Walter Scotts bekende roman Ivanhoe. De gelijkenis met Scotts slaven is immers treffend. Ook zij gaan gekleed in een Moorse outfit, een element dat terugkomt bij late versies van Schenkmans Piet en onze huidige Zwarte Piet.

Het is ook mogelijk dat Zwarte Piet beïnvloed was door minstrel-shows. Die kenden namelijk zo’n groot succes ten tijde van Schenkman dat het bijna ondenkbaar is dat ze niet op een of andere manier invloed hadden op de schrijver. De klederdracht van vroege versies van Schenkmans Piet doet inderdaad denken aan de minstreloutfits, maar het initiële karakter van Zwarte Piet – sluw en boosaardig – staat dan weer mijlenver van dat van de Amerikaanse blackface. Het karakter van Piet evolueerde echter naar goedlachs en speels, mogelijk onder de invloed van het populaire theater.

De recente Pietengeschiedenis is gekend. In de jaren 1990 begon men in te zien dat het Zwarte Pietenconcept – een zwarte knecht voor een blanke man – problematisch was. Een nieuw verhaaltje – Zwarte Piet ziet zwart door de roet van de schoorsteen – moest tegemoetkomen aan deze problematiek.

Onlangs zorgde een tweede Belgische blackface-traditie voor ophef, voornamelijk omdat Didier Reynders, minister van Buitenlandse Zaken, eraan deelnam. Reynders liep mee met de optocht van ‘Les Noirauds’ in Brussel. De optocht betrof een geldinzameling voor arme kinderen en vond plaats omstreeks carnaval. De Franse media en Human Rights Watch leverden zware kritiek op Reynders omwille van zijn deelname, maar hijzelf zag er geen graten in. De traditie van ‘Les Noirauds’ ontstond in 1876, toen de Europese kolonisatie van Afrika volop bezig was. De klederdracht zou geïnspireerd zijn op de toenmalige Afrikaanse adel. De zwartgeverfde gezichten waren dan weer bedoeld om de anonimiteit van de vrijwilligers te vrijwaren, aldus Reynders.

Slavenpakje
De discussies rond bovenstaande tradities volgen steeds eenzelfde patroon. Diegenen die deel uitmaken van de controversiële traditie reageren defensief. Ze ervaren de kritiek als een ongehoorde intrusie. Ter verdediging van de traditie duiken er verschillende theorieën op die het gebruik proberen vrij te spreken van racistische connotaties. Ten gevolge daarvan wordt de geschiedenis achter de folklore – sowieso al een verwaarloosde zone binnen het geschiedkundige vak – steeds obscuurder. Misschien ook daarom dat de tegenstanders van de omstreden tradities de neiging hebben de geschiedenis te minimaliseren. Ze beargumenteren dat het zwartverven van een blank gezicht an sich problematisch is, en dat de blackface-connotatie voldoende is om een bevolkingsgroep uit te sluiten, ongeacht de werkelijke origine.

Zo ook antropologe Bambi Ceuppens. Zwarte Piet heeft een grote invloed op hoe we naar elkaar kijken, meent zij. Volgens haar hoef je de naam niet te veranderen, maar wel het slavenpakje weg te doen. In plaats van een volledig zwart gezicht vindt ze dat Zwarte Piet slechts enkele roetvegen op zijn gezicht moet hebben. Volgens haar reageren mensen zo emotioneel omdat ze nostalgisch zijn als het op het Sinterklaasfeest aankomt. “Ze realiseren zich echter niet dat heel wat zwarte volwassenen die hier zijn opgegroeid, die gevoelens niet delen, en Zwarte Piet zelfs helemaal niet fijn vinden. Nochtans is Sinterklaas de grote kindervriend. Waarom moet men dan zwarte kinderen opofferen ter wille van de meerderheid?”

Ook de VN-commissarissen delen die mening. Nadat Nederland hen van antwoord had gediend, opperden ze om de traditie aan te passen opdat de gehele bevolking ervan kan genieten. “Tradities zijn niet statisch, en horen te evolueren met een veranderende context”, schreven ze. Langzaam maar zeker wordt hier zowel in Nederland als in België gehoor aan gegeven. Die ‘kaaspiet’ uit Nederland en de niet-zo-zwarte Piet van de VRT zijn toch maar rare kwibussen, zegt u? Over een paar jaar spreken we nog eens.

Dit artikel verscheen in het Vlaamse wetenschapstijdschrift EOS.