Jaarlijks 5.000 verdwijningen in Mexico, en de regering helpt mee

In Mexico verdwenen vorig jaar gemiddeld bijna 100 mensen per week. Steeds vaker behoren ook mensenrechtenactivisten tot de vermisten. Het is een trend die, sinds de voormalige president Felipe Calderón het leger inzette tegen misdaadbendes, alleen maar erger is geworden.

Uit gegevens van de Mexicaanse gerechtelijke diensten blijkt dat over het afgelopen jaar meer dan 5.000 verdwijningen zijn geregistreerd. Verscheidene mensenrechtenorganisaties stellen dat de teller van het aantal verdwenen mensen sinds het bewind van president Felipe Calderón daarmee op 30.000 komt. Calderón, die van 2006 tot 2012 aan de macht was, zette het leger in om de strijd tegen de georganiseerde drugsmisdaad naar zijn hand te zetten.

Meer dan 100.000 Mexicanen vonden de dood in de extreem gewelddadige strijd gedurende het bewind van de president. Sindsdien worden Mexicaanse veiligheidsdiensten ook massaal beschuldigd, betrokken te zijn bij het verdwijnen van mensen. Calderóns opvolger Enrique Peña Nieto continueerde de militaire strategie van zijn voorganger, maar weet beter hoe hij aan zijn imago moet werken: Peña Nieto investeert vele miljoenen in publiciteitscampagnes rondom zijn hervormingen, onder meer die in de energiesector.

Ondertussen blijven de verdwijningen gewoon doorgaan. Een recent rapport van het Comité Cerezo México en de Campaña Nacional Contra la Desaparición Forzada verzamelde gegevens over 860 mensenrechtenschendingen tegen activisten van juni 2014 tot mei 2015. Het gaat onder meer om willekeurige arrestaties. “De mensenrechtenschendingen zijn nu ook tegen mensenrechtenactivisten gericht en tegen de sociale bewegingen”, zegt activist Héctor Cerezo, die hierover gegevens heeft verzameld.

Volgens Cerezo is er sprake van 81 vermiste mensenrechtenactivisten sinds Peña Nieto drie jaar geleden president werd. In de zes jaar dat Calderón de scepter zwaaide waren dat er maar 55. Cerezo geeft toe dat dat weinig is in vergelijking met de duizenden vermisten, maar wijst er ook op dat dit duidt op de wens van de Mexicaanse overheid om haar greep op de samenleving te versterken.

Inmiddels is het al meer dan een jaar geleden dat in de stad Iguala 43 studenten verdwenen. De studenten zamelden geld in voor een reis naar Mexico-Stad. Ze wilden naar de hoofdstad om er deel te nemen aan de studentenmanifestatie die elk jaar plaatsvindt op 2 oktober, ter nagedachtenis aan de studentenmoord in Tlatelolco in 1968. Vlak nadat de studenten in de bussen zaten die hen weer naar school zouden brengen, werden ze tegengehouden door de lokale politie. Die begon vervolgens plots op hen te schieten.

De reden blijft onduidelijk. Wat wel bekend is, is dat één bus waarin tien tot vijftien studenten zaten, niet wordt vermeld in het onderzoeksrapport van de regering. Daardoor circuleert het gerucht dat die bus mogelijk werd gebruikt voor transport van heroïne door het plaatselijke drugskartel Guerreros Unidos. Het drugskartel zou hun handel veilig hebben willen stellen en opende daarom het vuur. Daarna verdwenen de bussen en de studenten.

Een Mexicaanse rechtbank stelde later dat de studenten vermoord en verbrand waren in een afvaloven. Een groep van onafhankelijke experts haalde die stelling echter onderuit en wees op het brutale optreden door leger en politie. Hoewel de onderste steen nog lang niet boven is, is de meest gangbare theorie dat de studenten slachtoffer zijn geworden van een ontvoering opgezet door de lokale politie, het drugskartel Guerreros Unidos en de burgemeester van het stadje Iguala, José Luis Abarca. Ook is bekend dat een groep van het Mexicaanse leger – het zevenentwintigste bataljon – wist van de aanval op de studenten en niet heeft ingegrepen om hen te verdedigen.

Volgens Cerezo past de verdwijning van de 43 studenten ook in de strategie van de overheid om meer controle te verwerven. De brutaliteit en de omvang van het optreden van leger en politie diende om een voorbeeld te stellen, zegt hij.