Alleen Sarah Lund kan Oranje nog redden

De vriendin wilde liever The Killing kijken. Ze had het allemaal niet zo gevolgd. Zij wist niet beter of we gingen komende zomer weer gekleed in oranje naar de kroeg. Zij wist niet dat Pieter van den Hoogenband die ochtend nog had getwitterd: “It’s a good day to have a good day #kazned” – je zou er toch Kazach van worden, of Kazak. Of Rus.

Ik had haar wel op de hoogte gehouden van de gruwelijke stand van de kwalificatiezaken, heus, maar de vriendin staat tegenover sport zoals ik tussen mijn veertiende en mijn achttiende tegenover wiskundige vergelijkingen met meer dan een onbekende: als iemand (i.c. IK) haar er iets over probeert uit te leggen, lijkt ze beleefd te luisteren, ze knikt zelfs een paar keer, maar de uitleg laat in haar hersenen geen zichtbare sporen achter. De ontwikkeling van Tom Dumoulin laat haar, om die kronkelige overtreffende trap maar eens te beklimmen, Siberisch. Een overwinning van PSV op Manchester United kan haar avond maken noch breken en ze zou Dafne Schippers nog niet herkennen als ze tegen haar aan sprintte.
Eens in de twee jaar houdt de vriendin wel van sport.
(Dat is tijdens het EK Volleybal.
Nee hoor.)
De vriendin – smaakvol, intelligent, belezen – verandert gedurende de weken waarin het Nederlands elftal kans lijkt te maken op de een of andere eindzege in een pils klokkende, “WIE? WIE? WIJNALDUM! WIJNALDUM!” scanderende, zich voor het Wilhelmus oprichtende persoon. Zo’n toernooi kan mij kortom niet lang genoeg duren. De dagen dat je Voetbal Internationals in huis ziet zwerven die je niet zelf hebt aangeschaft, zijn de dagen waarop je weet dat je leeft.

Te te is nooit goed
Omdat zij de rest van die biënnale wel wat anders aan haar hoofd heeft, moet ik de kwalificatiereeks van Oranje volgen voor twee. Mijn aanleg voor ergernis komt daar uitstekend bij van pas.
Zaterdag, tijdens Kazachstan – Nederland, aten de vriendin en ik groentecurry in een Drents chalet, want de boog kan het best maar altijd een beetje gespannen zijn.
Ze wees met haar vork naar het scherm en vroeg: ‘Waar kijken we naar?’
Ik, het hart vol van Virgil van Dijks lange passes en de mond van paprika: ‘Kbbwwwaasssaa Ndddda.’
Enkele minuten verstreken.
‘Moet dit op?’ vroeg de vriendin. ‘Op de andere zender begint Nederland zingt.’
Uitleggen hoe het er precies voor stond, hoe het Nederlands elftal – en daarmee haar geliefkoosde oranjezomers – hing aan een jonge, Oost-Europese heester die uit een ravijnwand groeide, hoe er aan de horizon een Turkse meesterhovenier met een pracht van een snoeischaar opdoemde, hoeveel landen er wel niet naar het EK zouden mogen, hoe het toernooi vermoedelijk vier maanden in beslag zou nemen en hoe Sneijder en Robben en Riedewald en al die andere toppers al die tijd in een klein zwembroekje op een niet door het massatoerisme aangetast strandje op Ibiza zich door De Toverberg zouden heen worstelen – dat zou allemaal te ver voeren.
‘Dit is belangrijk,’ zei ik, terwijl Tete man en bal naar een medespeler trapte.
‘Tete?’ zei ze. ‘Ken ik niet. Waar is Greg? Pi! Pa! Paul Verhaegh!’
‘Tete is goed,’ zei ik.
‘Te is nooit goed,’ giechelde de vriendin en ze keek naar buiten. Daar waaide net een blaadje van een boom.
De sfeer in het chalet herinnerde me aan die in het stadion tijdens Jong Oranje – Jong Slowakije, waarin het elftal van Fred Grim zo ongenadig met de vlassnorretjes op de feiten was gedrukt (1-3), terwijl een dweilorkest langs het veld een beetje lusteloos (dweilorkesten klinken altijd lusteloos, het woord ‘dweilorkest’ klinkt al lusteloos) “Kedengedengkedengedengkedengedengkedengedengkedengkedengedengkedengendeng” (tekst en compositie G. Meeuwis) stond te hengsten. Gek dat ik zaterdagavond juist daaraan dacht, want Jong Oranje – Jong Slowakije werd pas op zondagmiddag gespeeld.
Nou ja, zo gaan die dingen.

De Danny Blind van dienst
Nederland won van Kazachstan. Danny Blind zag er met de klap jaren jonger – nee, toch niet.
‘Wanneer is dat EK eigenlijk?’ vroeg de vriendin en ze trok haar agenda op schoot. ‘Wanneer gaan we weer lekker knallen met die ballen?’
‘Met Sint-Juttemis,’ antwoordde ik. Daarna keken we naar The Killing, waar Sarah Lund, de Danny Blind van dienst, alles op het allerlaatste moment toch nog tot een goed einde bracht.