Waar moet een piemel in?

‘Je mag natuurlijk ook je gleuf meenemen,’ las ik eens in een uitnodiging voor een mannenverjaardag waar het zwart zou zien van de testosteronbommen. Ik bevond me destijds in de twijfelachtige positie van zo’n potentiele meeneemgleuf, al hechtte ik zelf ook enige waarde aan de rest van mijn lichaam en geest. Maar soms moet je dingen nu eenmaal terugbrengen tot de essentie. Op het afgesproken tijdstip stond ik daarom met een speciaalbiertjesassorti, mijn gleuf voor de gelegenheid in haar beste goed gestoken, voor de betreffende feestdeur.

Een gleuf, voluit gleufdier, een bekende term uit het Corpsballiaans, reduceert alle facetten van de vrouw tot het wezenlijke: haar vagina. Waar baby’s uit en piemels in kunnen. Wat zeg ik? Móeten. Daar zit muziek in, dacht iemand op een dag. Maar om nu massaal “Daaaaar moeeeet eeeeeen baby uit! Daar moet een baby uit!” te scanderen is ook weer zoiets. Al vermoed ik dat dergelijke taferelen zich afspelen tijdens babyshowers, waar volwassen vrouwen zich verliezen in een spelletje ‘luier ruiken’. (Verschillende poepachtige substanties worden in luiers gedaan. De geblinddoekte die na een snuffelsessie de meeste geprakte ontbijtkoeken, hopjesvla, bruine bonen en gesmolten Marsen weet te benoemen – ik verzin dit niet – wint. Gefeliciteerd Tineke, je bent de grootste tuthola sinds mensenheugenis.)

Over de etymologie van de leus ‘Daaaaar moeeeet eeeeeen piemel in! Daar moet een piemel in!’ is weinig te vinden. Een stel bezorgde burgers in Steenbergen zette de melodieuze spreuk deze week weer op de kaart toen ze, ironisch genoeg, met gebalde vuisten hun angst voor verkrachtende vluchtelingen kenbaar maakten. In de lijst met Nederlandse spreekwoorden en gezegden zou hij bij de P van piemel terechtkomen, tussen ‘Denken moet je aan een paard overlaten’ en ‘De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’.

Maar iemand moet ooit ontdekt hebben hoe aanstekelijk die vijf woorden achter elkaar klonken, al begon het maar als een onschuldig antwoord op de vraag ‘Waar moet een piemel in?’ Het zou me overigens niets verbazen als de initiator naast een tribaltatoeage op zijn voorhoofd ook handgemaakte brogues droeg en zijn tijd verdeelde tussen Jongerencamping Appelhof, sociëteit ‘De Salonseksisten’ en het clubhonk van een willekeurig voetbalgezelschap.

De melodie is in ieder geval niet uit de lucht komen vallen. In ons collectieve geheugen zal ‘Hij is een hondelul!’ – vrij naar voormalig Feyenoord-speler Piet Romeijn – de prominentste plek innemen. Bij de wat oudere lezer is dat waarschijnlijk Tarara boemdié (1957) van De Feestneuzen. (‘Heren neem een goed besluit. Zoek een lieve dame uit. Wip dat schatje naar je zin, strakjes flink de hoogte in.’) Bij de nog oudere lezer zal misschien zelfs de Engelstalige voorloper Ta-ra-ra Boom-de-ay, een eind negentiende-eeuws vaudeville-liedje dat vooral bekend werd door de zingende danseres (of dansende zangeres) Lottie Collins, een belletje doen rinkelen.

De mannen in Steenbergen beriepen zich dus, zonder het te weten, behalve op hun vrijheid van overschreeuwing van meningsuiting en diepgeworteld seksisme, op een schitterende muzikale traditie. Wat zullen hun moeders trots zijn geweest.