‘O o o, die Dagobert,’ mompelde Cristiano Ronaldo

‘Het grote bezwaar van dertig worden,’ mompelde Cristiano Ronaldo en hij pauzeerde om van zijn gin tonic te nippen en zijn blik door het verlaten café te laten glijden, ‘het grote bezwaar van dertig worden isj dat een ongeluk sjelden alleen komt.’ Na deze woorden dronk hij zijn glas in een teug leeg en haalde zijn wijsvinger doelgericht door het emmertje huzarensalade waar hij drie dagen eerder nog mee voor de deur had gestaan alsof het een attachekoffertje betrof vol levensverzekeringen die erom smeekten te worden aangesmeerd, aan de voordeuren van oude dames.

Sowieso een vreemde dag, de 24e oktober van het jaar 2015. Een dag als een eindeloze duikplank, de uren porden me steeds pesterig in de rug, steeds schuifelde ik een stukje verder naar de rand, strak voor me uit kijkend. Meters onder me strekte de ouderdom zich voor me uit, ijskoud en chlorig. Met een beetje pech zou ik in een keer door vallen, naar de bodem, waar de dood me tussen de vergeten schoonzwemsterneusknijpertjes zou opwachten. Ik zou me vastklampen aan die plank, mijn handen aan de rand en mijn benen er zo goed en zo kwaad als het zou gaan omheen, en om twaalf uur precies zou een jongetje met klamme kinderpootjes op mijn vingers stampen.

Maar terug naar de middag, daar begon de ellende al – en ik was nog maar halverwege de plank.

Het eerste probleem was de Wereldvoetballer van het Jaar 2014, die bivakkeerde al sinds dinsdag in de woonkamer. Hij was voor de gelegenheid wat vroeg uit Madrid gekomen, een Sinterklaas met een sixpack. ‘Lekker bijtijdsj,’ zei hij, wat ‘dit fesjtijn’ wilde hij ‘voor geen gouden bal misjen’. Dus terwijl de vriendin en ik naar het werk gingen, lag Cristiano Ronaldo op zijn rug op een oud matras tussen poef en boekenkast – de gebeeldhouwde Portugese kop naast Knuvelders Handboek tot de geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde Deel 2 (1971) en de prijzige voetjes bij Oz en Pamuk, Amos & Orhan, de Ernst & Bobbie van de onderste planken buitenlandse literatuur.
Wanneer wij thuiskwamen lag hij daar nog steeds. Of hij zich in de tussentijd had verroerd, werd niet duidelijk.
‘Moest je niet voetballen?’ vroeg de vriendin, op de ochtend na Paris Saint Germain – Real Madrid, waarin hij zichtbaar had meegespeeld.
‘Sssjjjjt. Ik denk na over een cadeau,’ zei Cristiano Ronaldo en drukte een kusje op zijn biceps. ‘Een cadeau voor mijn op een na besjte vriend.’

Restjes kruidnagelcake
En zo ging dat maar door, dagen achtereen. Donderdag ging hij ’s middags even de straat op, voor een wafel met oude kersen, en op vrijdagochtend vroeg de werkster of ze hem opzij mocht schuiven. Die avond, twee dagen voor mijn dertigste verjaardag, keek Cristiano Ronaldo op uit een oude Donald Duck, mompelde ‘O o o, die Dagobert’ en viel in een diepe slaap. Toen wij zaterdagochtend opstonden, was hij verdwenen. Er lag een briefje op zijn kussen, met een telefoonnummer dat, na nader onderzoek, toebehoorde aan een man die op Marktplaats in handtekeningen van BN’ers handelde.
De zaterdagavond brak aan, en Cristiano Ronaldo keerde niet terug.
‘Moeten we de politie bellen?’ vroeg de vriendin. ‘Afdeling verloren personen?’
‘Het spreekt niet voor je als je de bekendste voetballer ter wereld kwijtraakt.’
‘Kwijt is kwijt, of het nu Cristiano Ronaldo is of Hummie van den Tonnekreek.’
‘Van deR Tonnekreek.’
‘Touché, pik.’
De vrienden arriveerden, cadeaus verschenen ter tafel.
Iemand zong een lied. Geen verjaardagslied, maar toch. De vriendin torste etagères met verantwoorde baksels door de ruimte en in de dertigste minuut van het feestje ging iedereen staan en werd er geklapt. Respect, mooi.
Steeds als er iemand het café binnenkwam, hoopte ik op het maagdelijk wit van Real Madrid, maar nee. Op zich niets tegen feestjes waar ik de grootste vrijetrappenspecialist ben, maar een zekere teleurstelling kon ik toch niet onderdrukken.
Om twaalf uur werd ik oud. Zoenen, gezang, het was allemaal nog even lief en ongemakkelijk als toen ik nog jong was. Een paar uur later, het café was verlaten, de barman sopte de restjes kruidnagelcake van de tafels. Iedereen was naar huis. Ik (30) was over en legde hutje bij mutje om de rekening te voldoen. Pas dan zou de barman de voordeur van het slot halen, had hij aangekondigd.

Eerlijk sjeggen
Godzijdank: net voor het eind van de column kwam Real Madrids clubtopscorer aller tijden door het raam geklommen. Daar was het emmertje huzarensalade weer.
‘Haihai!’
‘Tommy Wieringa!’ riep de barkeeper verrukt.
‘Bijna!’ zei Cristiano Ronaldo en legde een wedstrijdbal op de bar. ‘Hou de resjt maar.’ En tegen mij zei hij: ‘Gefelicitaart! Hoe voelt dat nou?!’ Hij klom op een barkruk, viste een pinda uit een vergeten bakje, glimlachte en legde uit dat alle leuke handtekeningen uitverkocht waren. Maar hij had wel iets anders.
Op de bar lag een vierkant doosje van de ANWB-winkel. Een zogenaamde Bikepointer, “ideaal voor knooppuntfietsers”.
‘Een fietsjkaarthouder. Leuk? Eerlijk sjeggen, hoor, het kan gerolen.’