De hoop in de eenmansscrimmage van Sven van Beek

Nou nou, wat een scrimmage, zaterdag bij De Graafschap – PSV.
‘Ouderwets hotseknotsebegoniavoetbal,’ schreef iemand. Neem nou van mij aan: viel best mee.

OK, het balletje wordt een paar keer naar de verkeerde kleur geschoten. OK, dat gebeurt allemaal in het doelgebied. Vooruit, zestien balcontacten, waarvan geen enkele met een duidelijke bedoeling. Tuurlijk, vier mistrappen. En ja, er gaat een speler knock-out na een schot van een medespeler. En, toegegeven, die speler blijft schitterend in de weg liggen, als een tegen een abri gevlogen duif.
En het vond allemaal plaats op de Vijverberg, waar iedere poging tot voetbal een vorm van scrimmage lijkt.

Maar een echte scrimmage? Mwoah. Neuh.
Vroeger, ja, vroeger…! Vroeger had je nog echte scrimmages. Trapten ze de bal net zo lang tegen elkaar aan tot een van beide teams van ellende de bal in eigen doel trapte. Barry Hulshoff van Ajax stond erom bekend dat hij zich altijd horizontaal in scrimmages stortte, de bebaarde kop vooruit, tussen de in het wilde weg uithalende voeten. Ergens midden in dat geweld haalde Barry dan, liggend op de grond en bloedend als een os in een abattoir, een stuk leer uit zijn kous, blies het in de gauwigheid op tot een competitievijfje en kopte die bal vervolgens, nog altijd op z’n buik liggend, met drie man op zijn rug en het gebit van Rinus Israel in zijn kuit, in het doel waarvan hij hoopte dat het van de tegenstander was.

Harrie ‘Hulk’ Glasblaffer
Onder scrimmagekenners doet ook het verhaal van de wedstrijd Donar – HVV, ergens in de diepe jaren vijftig, toen het leven nog een grote scrimmage in zwart-wit was, nog altijd de ronde. Er zijn helaas geen beelden van, maar uit verschillende getuigenverklaringen hebben scrimmagehistorici kunnen reconstrueren hoe Roel Wiersma, de rots in de Donar-branding, in anderhalve minuut maar liefst 127 schotpogingen van HVV-spits Harrie ‘Hulk’ Grasblaffer wist te keren door er 127 maal voor te blijven staan. Hoe Donar-back Gert ‘Li’ Keur het leer vervolgens onder zijn shirt stak en er mee vandoor ging, hoe hij op de rand van de zestien werd gestuit door Mickey ‘Cauliflower Mickey’ Stannard, die de bal met Keur en al in het doel ramde.

Voor de oorlog werden in scrimmages in de doelmond tijdens wedstrijden in de hoogste voetbaldivisie regelmatig paarden en kleine landbouwwerktuigen ingezet. Scrimmages duurden gemiddeld een uur, toeschouwers klommen over de omheining om de bal een lel te geven en scheidsrechters wachtten wanhopig op een moment om af te fluiten.

Echte scrimmageliefhebbers – zij hebben zich verenigd op obscure scrimmageweblogs en ontmoeten elkaar op jaarlijkse scrimmages op geheime, maar goed met het OV bereikbare plaatsen in den lande – noemen het zestien keer de bal heen en weer spelen in het strafschopgebied een ‘lousy excuse for a scrimmage’. Volgens hen is het niveau van de Eredivisie debet aan het gebrek aan goeie scrimmages. Te hoog, dat niveau dus. Nog een paar jaar eruit vliegen in de voorronde van de Champions League, de jeugdspelers nog wat jonger aan buitenlandse clubs verkopen en dan kunnen de tijden van Wiersma en Grasblaffer eindelijk herleven, zeggen zij die het kunnen weten.

Voor al die mensen was de bijdrage van Sven van Beek aan ADO – Feyenoord schitterend nieuws. Een eenmansscrimmage eigenlijk, dat eigen doelpunt. Het was Van Beeks vijfde in zo’n vijftig wedstrijden voor Feyenoord, maar dit was veruit de mooiste. Het was een soort achterwaartse trekbal met backspin, een stopvolley met de ogen dicht, een straatvoetbaltruc, Bergkamp tegen Newcastle (maar dan achterstevoren, dus twee keer zo moeilijk) of zo’n stoot waarbij de biljarter op het biljart kruipt en wit via zijn keu, drie banden, zijn oor, de lamp en de knie van een dame op de eerste rij heel zachtjes rood en geel beroert.

Na afloop verscheen Van Beek voor de NOS-camera’s.
Hij zag er niet uit als iemand die zojuist iets onmogelijks heeft gepresteerd.
De schouders hingen op half zeven, de scheiding in het haar leek net te doen alsof het hem allemaal niet aanging en in de ogen manifesteerde zich het schuldbewustzijn van een pup die ’s nachts de nieuwe bank heeft gesloopt.
‘Wat ging er fout?’
‘Dat zag je toch?’
De ramp had alle mediatrainingstips met de klap waardeloos gemaakt.
De reporter ging nog even door, hij eiste dat Sven zijn toverbal helemaal doorslikte.
‘Beschrijf eens…’
Radeloos hoofdschudden, naar de grond kijken. Bewegingen van een man die per ongeluk op de hamster van z’n dochter is gaan staan.
Verwilderde blik. ‘Mijn fout.’

Vroeger
De rest van het vraaggesprek volstond Sven van Beek met monosyllabische antwoorden vol spijt en zelfverwijt. En opeens wist ik het zeker: Sven van Beek gaat, na de mistrap, ook de scrimmage terugbrengen in het Nederlandse voetbal. Sven, de gezagvoerder van ’s werelds grootste flipperkast, kweker van de schitterendste hotseknotsebegonia’s die ooit in een doelmond hebben gebloeid.
Sven van Beek gaat het verleden nieuw leven in hannesen.
Was het maar vast vroeger.