Waarom de lobbyist geen lobbyist heet, maar ‘een betrokken partij’

Aan lobbyisten kleeft een negatief imago. Ze proberen achter de schermen te manipuleren om de gewenste uitkomst te bereiken voor hun opdrachtgevers. Autoverkopers zijn het, die tabakslobbyisten bijvoorbeeld, mannen en vrouwen zonder moraal, gelijk Joris Luyendijk (bepaald soort) bankiers beschrijft.

Lobbyisten opereren doorgaans buiten de schijnwerpers, wat het geheel extra schimmig maakt. Gisteren kwamen ze toch even in de spotlights, toen NRC scoopte dat ING verregaande invloed had gehad op een wet van het ministerie van Financien die er (kort door de bocht) voor zorgt dat banken 350 miljoen euro minder belasting hoeven te betalen. Maar hoe het precies zat blijft vaag. In eerste instantie zou de bank hebben ‘meegeschreven’ aan de wet, later werd dit genuanceerd/gespind tot het ‘hooguit’ meeschrijven aan de ‘memorie van toelichting’ van de wet. ‘Bij een wetswijziging worden altijd de betrokken partijen geconsulteerd. Dat hoort zo, want anders volgt de beschuldiging dat we in het wilde weg besluiten nemen’, aldus een voorlichter van het MinFin.

Dergelijke formuleringen verzinnen is niet alleen een beroep, het is een van de belangrijkste kunstjes in de politiek. De voorlichter noemt het woord lobbyist bewust niet, maar spreekt over het raadplegen van ‘betrokken partijen’. Is dat een bankmedewerker, een CEO of een lobbyist? En wat houdt consulteren in de praktijk precies in? In welke fase van de wetgeving gebeurt dit? Bovendien wordt de suggestie gewekt dat het erg is dat een ministerie de beschuldiging op zich laadt ‘in het wilde weg besluiten te nemen’. Bestaat het ambtenarenapparaat uit een stelletje randdebielen dat continu met bizarre wetsvoorstellen komt die door intelligente medewerkers van multinationals al dan niet op vrijwillige basis worden gecorrigeerd?

Uit zeer recent onderzoek van de Universiteit Utrecht blijkt dat grote bedrijven een onevenredige invloed op het duurzaamheidsbeleid van de overheid hebben. Beleidsplannen worden gestuurd door belangen van de gevestigde orde en kleinere partijen worden nauwelijks gehoord.

Nederland schijnt ongeveer de minste regulering omtrent lobbyisten te hebben in de ontwikkelde wereld. Onder meer de PvdA pleit voor meer transparantie waar het gaat om de invloed die lobbyisten op wetten hebben. Een nobel streven, maar als lobbyisten (en politici) ergens goed in zijn is het juist het verdoezelen van die transparantie. Bovendien vindt een belangrijk deel van het spel juist plaats vóór het wetsproces, in het (de-)agenderen van onderwerpen. Vooralsnog blijft het dus vechten tegen de bierkaai.