Waarom slechte concerten soms goed zijn

In een kleine kroeg in een grote Europese stad werd een open podium gehouden. Twee muzikanten hadden hun naam met benzinestift op het daarvoor bestemde A4’tje geschreven. Een meisje van een jaar of twintig speelde drie covers. Haar muziekkeuze was de mijne niet maar ze had een erg mooie stem en hoewel ze op haar gitaar enkel eenvoudige akkoorden aansloeg deed ze dat met veel gevoel, dat vergoedde een hoop. Een paar keer vergat ze haar tekst. Dan lachte ze lief. Het maakte haar optreden niet slechter, misschien zelfs beter. Het publiek klapte hard, ook degenen die niet tot haar vriendenkring behoorden.

De ander was een jongen met een bril en een bescheiden paardenstaart. Hij was aan de dikke kant en flink zenuwachtig; ik denk dat hij nog niet vaak had opgetreden. Zijn liedjes gingen over wereldvrede en liefde, twee langgekoesterde wensen die maar niet in vervulling wilden gaan. Zijn teksten waren heel letterlijk. Het gebruik van details en metaforen was hem vreemd.

‘Ik ben verliefd op jou maar jij niet op mij / Je zegt dat je me ziet als je broer / Dat maakt me verdrietig en bang.’

Het is een ontzettend zwakke tekst. Iedereen kan dat verzinnen. De jongen kon niet goed zingen, zijn stem was ijl en niet bepaald toonvast. Gitaarspelen lukte ook al niet. De melodieën waren te moeilijk, hij kon het technisch niet aan en maakte veel fouten. Er was welbeschouwd geen enkele reden om te blijven kijken. Toch deed ik dat. Het optreden raakte me enorm. Niet op de manier waarop die jongen het bedoelde misschien. Ik had met hem te doen, zoals hij daar zijn ziel binnenstebuiten stond te keren voor een wildvreemd publiek. Ik snapte precies waarom dat meisje niets in hem zag. Hij maakte zich ontzettend klein, haast onzichtbaar werd hij. Hoe meer hij in zijn eigen schaduw verdween, hoe groter de hoop ellende die achterbleef. Het publiek dat zo trouw naar het meisje had geluisterd was allang afgehaakt. Iedereen praatte erdoorheen, steeds harder.

‘I don’t want to die alone,’ zong de jongen. Ik nam een slok bier en ik dacht, over tien jaar weet ik dit nog steeds.

Terug in Nederland, in de kleedkamer van de sportschool, draaien ze een liedje van Coldplay. Die heb ik ook ooit live zien spelen, op Pinkpop. Daarvan herinner ik me enkel dat het publiek alle liedjes woord voor woord meezong, ook de liedjes die ik zelf niet kende. Ik geloof dat er een confettikanon was.

‘I used to roll the dice,’ zingt Chris Martin. Een staande uitdrukking. Wat een armoede. De rest van het lied hoor ik niet meer, het glijdt van me af als het luie zweet dat het niet gekost heeft om het te schrijven.