Hoe Doe Maar, Klein Orkest en Het Goede Doel een muziekrevolutie startten

Zo’n 35 jaar geleden was er een ware explosie van nederpoptalent. Met geëngageerde Nederlandstalige teksten namen bands als Doe Maar, Klein Orkest en Het Goede Doel afstand van het nihilisme van de punkrevolutie. HP/De Tijd sprak met Harrie Jekkers (1951), Ernst Jansz (1948) en Henk Westbroek (1952), de tekstdichters die de jaren tachtig het helderst in het vizier hadden. ‘Je moest wel tegen alles zijn waar iedereen tegen was.’

Bij wijze van proloog herinnert Harrie Jekkers van Klein Orkest hoe het allemaal begon. “In 1981, voordat die nederpophausse pas goed begon, hebben we met een aantal bands in de aula van de Technische Hogeschool Delft gestaan. Flaterpop heette dat, een festival dat meen ik door de VARA werd georganiseerd om de Nederlandstalige muziek – die toen totaal niks voorstelde, afgezien van Doe Maar dat al twee hits had – een handje te helpen. Een jaar later kwamen wij elkaar op hetzelfde festival in de Vliegermolen in Voorburg weer tegen: Het Goede Doel, Toontje Lager, Klein Orkest, Doe Maar en Bram Vermeulen en de Toekomst. Veel van die bands hadden dat jaar ook een hit gescoord. Wat opviel was dat al die muzikan- ten dertigers waren, die hun idealen uit de jaren zestig en zeventig alsnog even wilden vormgeven. Het is wel grappig om je te realiseren dat het adagium in de jaren zes- tig luidde dat iedereen van boven de dertig als verdacht moest worden beschouwd. De ironie daarvan is mij altijd bij gebleven.”

Harrie Jekkers – Over de Muur, Klein Orkest (1984)
En alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn.
Worden niet teruggefloten, ook niet neergeschoten.
Over de muur, over het IJzeren Gordijn,
Omdat ze soms in het westen,
Soms ook in het oosten willen zijn.

Jekkers: “Eind jaren zeventig gingen wij vaak naar Berlijn, omdat die stad ons intrigeerde. Met wij bedoel ik dan de jongens met wie ik in de kroeg zat en die, net als ik, niet zoveel geld hadden. In Kreuzberg zaten heel veel krakers, dus daar konden we, zoals de Duitsers zeggen, voor niks pennen. En natuurlijk gingen we dan ook een dagje ‘over’, naar de andere kant – dat moest toen nog via Checkpoint Charlie. Dan liep je ineens in een totaal andere wereld. Dat was zó bizar! Dat maakte een enorme indruk, zeker als je, zoals ik, vrij radicaal links was. Dat viel toch goed tegen. Geen reclames, alleen maar rare vlaggen en beelden en dan kwam je weer terug aan de andere kant in de porno en de neon van de commercie.”

“Ik heb in die tijd nooit kunnen vermoeden dat ik daar later nog eens een lied over zou schrijven, daar was ik toen nog niet mee bezig. Maar toen wij – Klein Orkest – werden gevraagd om een lied te schrijven voor de Vredesdemonstratie tegen de kruisraketten die plaatsvond op het Malieveld in 1983, lukte mij dat in drie uur. Een tekst als ‘weg met die raketten’ leek mij wel erg obligaat. Bovendien wilde ik niet al te links of al te rechts overkomen. Ik was eerder iemand van ‘het is altijd wat en nooit je dat’: alles heeft een keerzijde. In Berlijn kon je dat letterlijk zien. Dus ik wilde geen drammerig links lied tegen het kapitalisme en voor de linkse idealen. Niet twee politieke visies tegenover elkaar plaatsen. Zo kwam ik op het idee voor Over de Muur, over de twee kanten van een probleem.

“Nu leven we weer in een spannende tijd. Maar of ik daar weer een lied over zou kunnen schrijven? De situatie is nu veel gecompliceerder dan toen. Toen had je links en rechts. Nu is het linkse denken zo goed als helemaal verdwenen. Je kunt nu voor of tegen de vluchtelingen zijn. Maar ook daar zitten meer kantjes aan. Ik had en heb het helemaal niet op geloof. En wat moslims geloven in extreme mate en zelfs in wat minder extreme mate, daar heb ik het ook niet zo op. Hebben we hier potverdorie na eeuwen eindelijk een democratie waar iedereen mag geloven wat hij wil – zolang dat geloof maar niks te maken heeft met de politiek – nou ja, dat de staat in ieder geval niet op een geloof is gebaseerd… Ik vind het heel vervelend dat dat weer terugkomt. Dus wat dat betreft zit ik een beetje aan de ene kant, maar wat betreft vluchtelingen en humanitaire hulp zit ik natuurlijk aan de andere kant.

“Ik zou het lastig vinden om daar een evenwichtig liedje over te maken. In Als we zo vrij mogen zijn, de voorstelling die ik nu speel met Jeroen van Merwijk, hebben we het er wel over. Dat er zich bizarre taferelen afspelen aan de mediterrane stranden of op de Griekse eilanden. Wij met een bootje ernaartoe om vakantie te vieren, zij met een bootje er vandaan om te vluchten. Ik ben zoals je weet Spanjofiel, heb daar lang gewoond en woon er nog steeds een deel van het jaar. Ik heb ook een tijdje bij de Straat van Gibraltar gezeten. Dan kun je Afrika zien liggen, zo dichtbij ligt het. Hier zitten we gebakken en daar… Dat besef had ik al heel lang geleden, hoor. Die straat van Gibraltar is eigenlijk net zoiets als die muur: je hoeft maar even een pont te nemen en je zit in een moslimwereld en de rest van het continent zit vol armoede en ellende. En hup, je bent nog niet terug of je zit weer tussen bofferds met tweede huizen. Ja, dat is ook een lied. Ik heb het geprobeerd, maar het is me nog niet gelukt.”

Ernst Jansz – De bom, Doe Maar (1982)
Carrière maken
Voordat de bom valt Werken aan mijn toekomst Voordat de bom valt
Ik ren door mijn agenda Voordat de bom valt
Veilig in het ziekenfonds Voordat de bom valt

Jansz: “Ik heb het nummer gemaakt voor het No Nukes Festival. Want wij waren, op een paar mensen na, allemaal tegen de plaatsing van kruisraketten in Nederland, omdat wij dachten dat wij daardoor nog meer deel zouden gaan uitmaken van de Koude Oorlog. Eigenlijk hadden wij geen idee van wat er in Rusland speelde dus de demonstratie was eerder tegen Amerika dan tegen Rusland, denk ik. Dat was wel de sfeer die er heerste. Zo van: niet nog weer een oorlog in Vietnam, niet weer die Amerikanen met dat gedoe rond Cuba – dat was allemaal niet zo goed gevallen bij de linkse mensen die wij waren. Kortom: wij waren tegen die kruisraketten, terwijl die er natuurlijk allang waren, maar dat weten we nu pas. Omdat ik in die tijd behoorlijk links was, regelmatig had meegedemonstreerd en bijvoorbeeld ‘Johnson molenaar!’ (moordenaar mocht niet: belediging van een bevriend staatshoofd – red.) had geroepen, had ik wel affiniteit met demonstraties tegen de oorlog.

“Afgezien daarvan had ik al vanuit mijn hippietijd een afkeur van de tijd overge- houden. Ooit is iemand op het lumineuze idee gekomen om klokken in de torens van katholieke en protestantse kerken te hangen, zodat voor iedereen ineens de tijd zichtbaar werd, hoe de tijd verstreek. Dat was nog van voor de horloges, zal ik maar zeggen. De tirannie van de tijd heeft mij altijd tegengestaan: de haast die wij hebben in het leven – dat dacht ik allemaal in één lied te kunnen vangen. Dat wij ook geen tijd meer hadden om elkaar te leren kennen. Dat iemand – misschien wel degene die de klokken had opgehangen – alles sneller had afgesteld in de tachtiger jaren. In de jaren zeventig had ik nog tijd om alles te doen. Ik zat in CCC Inc., speelde drie keer in de week, ik bouwde, ging elke dag wandelen – het leek wel of de tijd veel minder een rol speelde. Ik had die indruk toen en die heb ik nog steeds. Nou, die aspecten wilde ik in dat lied stoppen. Ik schreef het niet omdat het hip was om politiek geëngageerde songs te schrijven. Ik ben in die traditie opgegroeid. Ik was erbij toen de Provobeweging opkwam, ik was bij de tentoonstelling Omdat mijn fiets daar stond, waar de politie een inval deed en de mensen weg knuppelde, ik was bij de barricades tegen De Telegraaf – ik zat bij een linkse studentenvereniging en men zei dat daar in de kelder de molotovcocktails werden gemaakt die naar de politie werden gegooid. Ik heb ze nooit gezien, maar dat gerucht ging. Die ideeën en ook het thema ‘tijd’ zaten allemaal in dat liedje De bom en ook in een liedje als Tijd genoeg. Dat vond ik toch wel belangrijk. Ook omdat ik het gevoel had dat er werd geluisterd naar Doe Maar, naar onze teksten, naar wat wij te zeggen hadden.

“In de eerste plaats maak je natuurlijk muziek voor jezelf en voor je vrienden, kennissen – kortom: je leeftijdsgenoten. In ’79 en ’80 was dat ook nog het geval. Maar toen we eenmaal zo populair waren, werd ons publiek steeds jonger. En inderdaad, toen De bom uitkwam, hoorden we stem- men van kinderen van negen, tien, elf jaar die zeiden: wat eng! En: waarom zingen jullie daarover? Er kwam zelf een liedje van Kinderen voor Kinderen, Brief aan Ernst, waarin een meisje zong dat ze het liedje stom vond en dat ik niet zo somber moest zijn. Wij hadden daar geen benul van gehad en hielden er zeker geen rekening mee. Je schrijft niet voor kinderen van tien als je dertig bent. Dan speel je inderdaad over de hoofden van je publiek heen. Of dat de reden was dat we er toen mee zijn gestopt? Volgens mijn collega Henny (Vrienten – red.) wel. Maar ik zag dat niet zo. Je schrijft gewoon liedjes. Je vindt het fijn om muziek te maken. Ik dacht: dat draait wel weer bij als de hausse voorbij is. Ik weet nog wel dat de elpee die we aan het opnemen waren erg somber was: door al die populariteit konden we geen kant meer op. Als die plaat uitgekomen was, was die jeugd vanzelf wel afgehaakt, denk ik. Maar goed: zover is het niet gekomen.

“Het was in de jaren zestig en zeventig heel erg them versus us, een politiek denken dat in de loop van de jaren tachtig verwaterde tot een kleurloos geheel. Ik heb nu trouwens wel weer een aardige them gevonden: de banken. In De bom zong ik: ‘Laat maar vallen, want het komt er toch wel van.’ Als ik nu een nummer zou schrijven dat De bank heet, zou ik die regel niet eens hoeven veranderen…”

Henk Westbroek – Brood en spelen, Het Goede Doel (1983)
Geef ze brood en laat ze spelen
Geef ze een kerk bij gebrek aan werk Alle regen komt van boven
Een paus, prins Claus of Mickey Mouse Om in te geloven

Westbroek: “Wij waren allemaal links, en heel erg links ook. Wij brachten liedjes die heel duidelijk ergens over gingen en deden dat met een bepaalde luchtigheid. Brood en spelen van de tweede cd is daar een mooi voorbeeld van. Geef de mensen maar wat ze willen. Het aardige was: wij gingen met vakantie en die single was al geperst, dat wil zeggen: de eerste honderd voor de diskjockeys. Toen we terugkwamen, had de platenmaatschappij besloten om toch maar een ander nummer uit te brengen omdat Brood en spelen lichtelijk controversieel was met die frontale aanval op prins Claus, wiens naam wonderwel op Mickey Mouse bleek te rijmen. Nee, wij zijn altijd een links bandje geweest en dat zijn we nog steeds. In de jaren tachtig was er natuurlijk ook veel om je over op te winden: de economische crisis, de kruisraketten en, hoe heet dat vreselijke mens in Engeland ook alweer… Margaret Thatcher. Er gebeurde in de jaren tachtig véél meer dan in de jaren zeventig. Oké, er werd toen veel geneukt en dat had je in de jaren tachtig niet meer omdat de aids was uitgevonden. De onschuld van dat Summer of Love-gevoel uit de jaren zestig was in één keer helemaal weg. Neuken, daar kreeg je straf voor, de doodstraf.

“Er was een sterke linkse beweging, die onderling verdeeld was. Dan was er weer zo’n manifestatie tegen kernenergie, maar daar wilde ik dan net weer niet gratis komen spelen, want ik was juist vóór kernenergie, omdat ik het niet zo had op de CO2-uitstoot. Kernenergie bracht ook problemen mee, maar, in mijn ogen, weer niet zoveel als de CO2. Dat is tot op de dag van vandaag een controversieel standpunt, waardoor ik in de ogen van veel mensen niet deugde, want je moest wel tegen alles zijn waar iedereen tegen was. Maar verder deden we overal aan mee. En dat deden al die bandjes. Nou ja, behalve Toontje Lager dan, want die heb ik nog nooit op een standpunt kunnen betrappen.

“Ik geloof niet dat het zingen in het Nederlands toen een modegril was. Nu is het modieus, nu mag alles. Vergeet niet dat iemand als Jan Rot – die nu overigens een goede vriend van mij is – Nederlandstalige muziek bestempelde als secundair. De wijsneuzen van de Volkskrant of de NRC waren het daarmee eens. Engels was het Esperanto van de popmuziek en de mensen die in het Hollands zongen, konden op een zekere vorm van vijandigheid rekenen. Iedereen mag natuurlijk vinden wat hij wil, maar er is wel een verschil tussen een kriti- sche analyse en regelrechte kwaadwillendheid. Doe Maar werd in die tijd door de pers veracht. En nu worden ze opgehemeld alsof ze de muziek vernieuwd zouden hebben. Nou, dat is allebei onzin. Het was een leuk bandje met leuke liedjes. Maar niet grensverleggend.

“Wij waren veel grensverleggender dan Doe Maar. Brood en spelen lijkt erg denigrerend over de mensen. Maar dat is juist de kunst. Working Class Hero van John Lennon, een van de grootste liedjes ooit geschreven, is gelijktijdig erg liefdevol én kritisch. Je moet wel proberen om de dingen met een flinke dosis humor te blijven zien. Er is niets zo erg als een bloedserieuze protestsong. Wij werden een keer gevraagd om een liedje te schrijven tegen aids. De videoclip zou dan betaald worden door een stichting die het gebruik van condooms propageerde. Die wilden natuurlijk een liedje in de trant van: ‘Met een condoom om je lul kun je je een slag in de rondte neuken.’ Maar dat is niet leuk. De mensen moeten ook een beetje kunnen nadenken. Wij maakten iets – Uit vrije wil – dat stelde dat we overal bang van zijn, supervoorzichtig zijn, ons overal tegen verzekeren, maar zodra het over de seksuele liefde gaat een soort waas voor de ogen krijgen. Als je eindelijk iemand hebt kunnen versieren, ga je niet zeggen: ‘Ik hou van jou/ maar ik jou niet vertrouw’. Je moet wel een beetje afstand nemen om de dingen met wat humor te zien.

“Er waren in de jaren tachtig heel veel bandjes, Roodvonk bijvoorbeeld, die de arbeidersklasse hoog in het vaandel schreven – en die wáren me een partij vervelend! Wij traden ook weleens voor niks op voor het zoveeljarig bestaan van de Communistische Partij Nederland. Maar dan deden wij daar wél onze bewerking van De Internationale. ‘Ontwaakt verworpenen der aarde/ De baas slaapt nog wel effe door/ arbeid heeft voor ons geen waarde/ Neem daar maar een ander voor’. Waarop Marcus Bakker (partijleider van de CPN – red.) het podium op rende en de stekker eruit trok. Echt gebeurd hè! Dat zijn van die mensen die overal een mening over hebben, maar je mag nooit speels omgaan met het gedachtengoed dat ze zelf propageren. Ik ben altijd kritischer geweest op de VARA dan op de AVRO. En ook op de VPRO, want daar kunnen ze helemáál niet tegen kritiek. Waarschijnlijk omdat ze denken dat ze gelijk hebben. Het gelijk, daar spot je immers niet mee…”/

Ruud Meijer