Hoe aids de Amsterdamse matras omtoverde tot kerkhof

Amsterdam was in de jaren tachtig één groot zuipend en drugsgebruikend matras. Alles mocht en alles kon. En toen sloeg een geheimzinnige epidemie toe, die al snel talloze slachtoffers maakte onder homoseksuelen, junks en prostituees. Aids, zo bleek al snel. Hoe de dood een alledaagse verschijning werd.

Club Baths, San Francisco, November 1982… When the moaning stopped, the young man rolled over on his back for a cigarette. Gaetan Dugas reached up for the lights, turning up the rheostat slowly so his partner’s eyes would have time to adjust. He then made a point of eyeing the purple lesions on his chest. ‘Gay cancer,’ he said, almost as if he were talking to himself. ‘Maybe you’ll get it, too.’”
– Randy Shilts, And the Band Played On

Een van de eerste aidspatiënten van Nederland was Freddie, de broer van mijn beste vriend destijds. Freddie woonde begin jaren tachtig in San Francisco, alwaar hij koortsachtig het immense leercircuit verkende. Zijn promiscue activiteiten stonden geheel in het teken van BDSM en werden opgevrolijkt met fistfucking, gloryholes, darkrooms, slings, poppers en golden showers. Ik maakte altijd grapjes met en over Freddie als hij weer eens een vermomming droeg waarin hij zo kon optreden met de Village People. De ene keer speelde hij de leatherman, de andere keer de militair. De indiaan vond hij maar een trut.

Zijn beeldige huisje aan de gracht in de Jordaan hing vol met tekeningen van kunstenaar Tom of Finland: stoute tafereeltjes met agenten, matrozen, cipiers en motorrijders, allemaal voorzien van tampeloerissen als kinderarmen.

Verder stond het bij Freddie vol met duur antiek, dat hij enthousiast afstofte met een plumeau. Eens had hij een andere leernicht op visite die, terwijl Freddie aan het gewichtheffen was, vals sliste: “Popje, doe nou niet zo mannelijk, want daar word je zo moe van.”

Freddie kocht zijn lederspulletjes bij de legendarische galerie Rob aan de Weteringschans. Ik zag de eigenaar er eens tijdens een vernissage paraderen met een naakte slaaf aan een ketting, alsof het een hond betrof. Je moest dan net doen alsof je het normaal vond, en als het even kon negeren. Reageren was truttig. Negeren, dat deden de Amsterdamse nichten ook met de notoire rolschaatser die de godganse dag door de stad zoefde, slechts gekleed in een bilveter en zijn lichaam helemaal oranje van de zonnebank en de Bergasol.

Freddie, die de homoseksualiteit uitvond en verbeterde, had altijd leuke weetjes. Zo wist hij mij te vertellen dat de erotische bioscoop Diana, tegenover mijn huis aan de Nieuwezijds Voorburgwal, een heerlijke poel van verderf was. Er werd enkel snoeiharde Duitse heteroporno gedraaid – het was nog voor het internettijdperk, welig tierend schaamhaar was net zo vertrouwd als steenpuisten op witte flubberbillen – en in de lunchpauze kwamen oudere kantoormensen uit de buurt er aan hun gerief. In de regel waren het knijpende heteromijnheren die geen cent overhadden voor de sekswerksters in de aanpalende Korsjespoortsteeg. Het andere gedeelte van het publiek in de Diana bestond uit homoseksuelen die de opgewonden heteroseksuelen in het donker gratis en voor niets aftrokken dan wel afzogen.

Ik dook – homovriendelijk als ik ben – regelmatig met Freddie de Amsterdamse gayscene in.

Het hele verhaal van Arthur van Amerongen leest u hier op Blendle. U kunt hier het hele tijdschrift inzien, of hier een voordelig (proef)abonnement afsluiten.