Hitler, Boomsma of Molenbeek? Bel Arthur!

Sinds de aanslagen in Parijs had ik minimaal vijftien keer op de vaderlandse treurbuis kunnen optreden, gelijk de spreekwoordelijke dansende en al dan niet gedrogeerde beer van een zigeunerstam uit Albanië.

Nu ben ik van nature een zeer verlegen en bescheiden mens en bovendien wil ik dat enkel de linkerkant van mijn gezichtje wordt gefilmd – om mijn moverende esthetische beweegredenen waarvan jelui geen biet snappen – en eis ik een helikoptervlucht van mijn datsja in de Algarve naar het mediapark in Hilversum, dat voorportaal van de hel. Bovendien eis ik contant geld in een jutezakje, en minimaal het gangbare honorarium van professor Peter de Vries wiens kinderen Royce en Mercedes heten. Dan weet je het wel qua proletengehalte en zijn materiële wensdromen in het ondermaanse.

Uiteindelijk wilde enkel Omroep Max ingaan op mijn alleszins redelijke eisenpakket, tot bleek dat ik met mijn 56 jaartjes veel te jong was om als trekpleister in hun Tena-talkshow te fungeren. De redactrice vroeg nog of ik echt niet incontinent was of dat ik wellicht uitgedaagd was door een lichte versie van Alzheimer, ‘want dat vond het klapvee altijd wel gezellig, een lotgenoot’.

Ik zei dat ik van te voren wel drie porties hachee of boerenkool wilde gaan nuttigen bij restaurant Haesje Claes in Amsterdam, waar de ooit zo trotse Neerlandse Dis nog niet verdreven is door gefrituurde Somalische sprinkhanen of gestoofd Pakistaans rundervagijn.

Ik zou dan midden in het interview flink gaan ruften, als een petomaan op crystal meth, en dan kon presentator Marco Bakker snel met de incontinentieslip wapperen en samen met het publiek een fijn Tena-lied aanheffen.

Enfin.

Gisteren nog werd ik gevraagd voor een middagshow van RTL Unilever, of ik mijn licht wilde laten schijnen op die nieuwe Duitse komedie over Hitler.

Oh, vroeg ik aan de pisnicht van dienst, niks over exploderende mohammedanen? Heb je met je lange nagels verkeerd zitten fröbelen in je kaartenbakje van Rolodex, ouwe zeepverkoper van me?’

Het kreng begon te slissen en zei: “We wilden eigenlijk Beatrice de Graaf hebben maar die is te duur, Martin. Bovendien had Beatrice last van haar schildklier en dan gaat ze altijd zo raar met haar ogen rollen en dat is geen gezicht op de televisie, darling.”

Ik kreeg een aanval van hyperventilatie, blies wat in de bruine zak waarin normaliter mijn kruik medronho verborgen zit als ik langs ‘s heren wegen in Portugal dwaal en kwam toen gevat terug. “Martin is al dertien jaar dood, vriend, maar daar hebben we het niet meer over. Hoe kom je er bij dat ik Hitler-deskundige ben? Ik ben samen met Rob Muntz enige tijd nazi-jager geweest in Paraguay en Argentinië geweest, enkel voor het geld hoor. Ik weet veel over Martin Bormann en Josef Mengele maar die namen zeggen je toch niks. Bel me maar terug als ze met een komedie over Mengele komen, of met Holocaust on Ice met Hans Klok als de Witte Engel des Doods.”

Ik hing op en ging heel hard huilen. Ik heb eigenlijk helemaal nergens een mening over en ik weet niks van niks. Ik ben de Arie Boomsma van de Algarve. Laatst zag ik die vrolijke kastnicht bij Buitenhof zitten kakelen over de Islamitische Staat, dat we met die knullen in gesprek moeten gaan. Toen dacht ik: ga jij eens gauw naar Rectumraqqa, de hoofdstad van IS. In je bilveter.

Er is geen ontsnappen aan Arie, onze hedendaagse Erasmus. Laatst was ik voor een spirituele retraite in het Komrijk, aan de voet van het woeste Estrela-gebergte in Portugal. Zelfs daar trof ik een boekje aan van Arie Boomsma, een bundel met door hem verzamelde gedichten, zeg maar in de geest wat Gerrit Komrij altijd deed. Ik moest opnieuw huilen, net als nu, nu ik dit opschrijf. Ik ben toen maar een beetje gaan grasduinen door het werk van Gerrit, en vond dit essay uit de jaren tachtig (!): Rare jaren, deze jaren – of de zigzaggende tijdgeest

Als ik zie wat de politici de laatste jaren hebben uitgespookt met het onderwijs, de openbare voorzieningen, de zorg voor de bejaarden, landschap, kunst en binnensteden en ik hoor ze nu oreren over de kwaliteit van de samenleving en de aantasting van de rechtsorde, dan krijg ik bij hun vrome praatjes het gevoel alsof er een moordenaar hardop staat te bidden bij het graf van zijn slachtoffer. Ze hebben berouw, maar het mes steekt nog in hun achterzak. Na de uitvaartdienst gaan ze haastig weer op slagerspad. Ze kunnen het nu eenmaal niet laten.

Dit schreef hij midden jaren tachtig! Er is niets veranderd! Dat is eigenlijk wel de troostvolle boodschap waarmee ik kan afsluiten (nog even los van mijn hartewens aan de geallieerden om het Mediaperk te vaporiseren): Omnia mutantur, nihil interit, lieve vrienden: alles verandert, niets gaat ten gronde. Ik sluit mij aan bij de oude Ovidius. Fijn weekeinde!