De oude melancholische boer Rafael van der Vaart

Ter gelegenheid van de derby van Sevilla – een wedstrijd tussen de ene voetbalclub uit Sevilla en de andere – ging de NOS op bezoek bij Rafael van der Vaart.
Titel van de reportage: ‘Breekt de zon weer door in Sevilla voor Van der Vaart?’
Dan weet je het al wel.

Ik was Rafael van der Vaart bijna vergeten. Een man uit het verleden. Die jongen van dat hakje tegen Feyenoord. Een compilatie-dvd-speler. Maar Rafael van der Vaart voetbalt nog altijd: hij voetbalt voor Betis Sevilla en woont in het land van zijn grootouders. De zon schijnt, de verdiensten zijn behoorlijk en Betis speelt in de beste competitie ter wereld. Een mens kan het slechter treffen.

Tienermeisjeskamerdeurposterboy
Ooit was Rafael van der Vaart een wonderkind, gesneden uit hetzelfde hout waaruit ook achtjarige pianistjes die het Concertgebouw omver pingelen worden gekliefd. Rafael van der Vaart was een van de laatste Nederlandse voetballers die jongetjes op straat wilden zijn. Tot in Gulpen, Koudekerke, Rijswijk en Den Burg staken kinderen hun hoofd tussen hun schouders, sloften wat ongeïnspireerd over een veldje en mompelden met het accent van de man die de marktkraam met handgemaakte chorizo beheert: ‘Ik ben Van der Vaart.’
Ooit dachten mensen dat Van der Vaart de beste voetballer van Europa ging worden. Een grote speler. Een idool, met een prijzenkast ter grootte van een studentenkamer en een hoofd op koffiemokken en sleutelhangers. Een ster, met een lijf van brons en een door een leger specialisten in beton gegoten imago. Een onmenselijk type, een tienermeisjeskamerdeurposterboy. Hij had er het talent voor, en toch is het nooit echt gebeurd. Rafael van der Vaart is een mens gebleven, geen god geworden. Wat dikker, niet vet, de blik nog melancholischer dan hij was toen hij 17 was. Rafael kijkt de wereld in als een oude boer die toekijkt hoe zijn boerderij door een wals wordt weggevaagd. De boerderij is het voetbal dat niet meer bestaat, het spel in zwartwit en Rafael is de Ajacied die in Middelburg al heimwee kreeg, het soort voetballer met een sigarenwinkel om de hoek van het stadion. Als er een speler uit het huidige voetbal te laat geboren is, dan is het Rafael van der Vaart, het sjokkende anachronisme uit Heemskerk. Hij is altijd een Europacup-I-voetballer gebleven, werd nooit een Champions Leaguekanon. Een man uit de tijd dat er nog geen voetbalrechten waren, alleen de plicht van de televisie om eens per week een halfuurtje van het een of ander uit te zenden. Soms zag je weken niets van ‘m, omdat hij een ingegroeide teennagel had, of liefdesverdriet, en dan – als je ‘m bijna vergeten was – deed hij weer iets wat je nauwelijks kon geloven. Je wist ook niet zeker of het gebeurd was, want het camerawerk liet te wensen over, maar van mensen die mensen kenden die erbij waren geweest hoorde je dat het in het echt nog veel geweldiger was geweest.
Als Rafael toen gevoetbald had, was zijn relatiegeschiedenis niet van uur tot uur na te zoeken geweest op de Twittertimelines van onderzoeksjournalisten van Story en Party, maar was hij getrouwd met de kantinejuffrouw of het meisje van de administratie, of met allebei – de jaren zestig waren tenslotte nog maar net achter de rug.

Het was een wat droeve reportage, van de NOS vanuit Sevilla.
Rafael zat op een stoel, aan de rand van een hokkig zwembadje.
Hij zei dingen als ‘Als je deze wedstrijd wint, is het seizoen eigenlijk al goed’. Het waren de zinnen van de eerste Nederlandse voetballers in het buitenland, ontdekkingsreizigers wier handelsvlootjes in onontgonnen voetbalregio’s aanlegden, toendra’s vol onbeholpen liefde.
Hij zat erbij als een Hollandse toerist op de tweede dag van een all-inclusivevakantie. Het resort viel tegen, het regende, de vrouw hing de hele dag rond in de beautyfarm en alle lekkere dingen van het buffet werden weggegrist door hongerige Russen. Maar hij moest nou eenmaal nog tien dagen en hij had besloten er het beste van te maken.
‘De straat wordt goed bewaakt en grenst aan een golfterrein. De voetballer woont hier met zijn jongere broer, die een beetje voor hem zorgt en die hem gezelschap houdt.’

Jeu de boules
Hij was ‘een paar keer goed ingevallen,’ zei Van der Vaart, een van de fraaiste Nederlandse voetballers van de afgelopen vijftig jaar. Alsof André van Duin zegt dat hij durft te zweren dat hij iemand hoorde lachen.
De inhammen in het kapsel leken weer gegroeid.
‘Niet veel mensen weten dat darten een van z’n grootste hobby’s is.’
Rafael en z’n broertje speelden een potje. Rafael won.
Daarna werd er jeu de boules gespeeld. Het zag er allemaal erg scherp uit.
‘Je blijft die jonge jongen die van voetbal houdt,’ zei Van der Vaart, terwijl hij onzichtbare blaadjes uit z’n zwembad viste, om de cameraploeg een plezier te doen.
Betis – Sevilla eindigde in 0-0.
Rafael van der Vaart bleef de hele wedstrijd op de bank.