Tentenkampen en rendierijsjes

“Het is een Noorse traditie,” zei mijn toenmalige schoonmoeder op vrij dwingende toon toen ik niet direct stond te juichen om met haar man en zoon in een klein kringetje, hand in hand, zingend om een net iets te grote kerstboom te lopen. Maar ik was jong en beïnvloedbaar, en zo wilde het dat ik nog geen minuut later, gevoelloos vanbinnen maar met iets wat op een glimlach leek op mijn gezicht, om een antroposofisch verantwoorde boom heen danste.

Omdat mijn kennis van de Noorse taal zich beperkte tot een paar zinnetjes uit Tommy og Tigern (Calvin and Hobbes) en het woord ostepølse (kaasworst) kon ik het bijbehorende liedje niet meezingen. Dat gaf niet, want het was zo allemaal al erg genoeg. In de meeste delen van de wereld is mijn tragikomische kerstanekdote een vreselijk luxeprobleem, ik weet het. White whine. Om een boom gedanst, zeg je? Te weinig zout in de knolselderijpuree? En daarna ook nog drie potjes gerummicupt? Gaat het? Moet ik misschien iemand van Slachtofferhulp laten komen?

Bron: Albert Heijn ©
Bron: Albert Heijn ©

Doordat de minder bedeelde delen van de wereld het afgelopen jaar steeds dichterbij zijn gekomen, is het contrast wranger dan ooit. Menselijk leed kan niet langer weggezapt worden. Je kunt eventueel nog je rolluiken dichtdoen en hard schreeuwen met twee vingers in je oren, maar dat maakt je vooral een lul. Daarnaast zal de weeïge gourmetwalm tot ver in januari in je huiskamer blijven hangen.

Terwijl Nederland zich opmaakt voor een meerdaags salmonellafestijn, wonen in de bossen bij Nijmegen nog steeds een paar duizend vluchtelingen in tenten. Albert Verlinde klaagt ondertussen op televisie over die ene keer dat hij bij V&D zelf een pannenset moest dragen en vervolgens ‘met dat loodzware ding’ achterin de rij moest aansluiten. Op Twitter was op de dag voor kerst #rendierijsjes trending. Omdat het zulke heerlijke ijsjes waren dat men er niet over op kon houden? Nee, Albert Heijn had ze uit de schappen gehaald nadat er was geklaagd over de avantgardistische vorm die de rendieren na een proces van smelten en stollen hadden aangenomen.

Bij een bankje op een bekende hangplek in Delft werd deze week een boom door onbekenden opgetuigd met glimmende slingers en lege halveliterblikken Amstel en Bavaria aan touwtjes. Blauw, rood, goud, hier en daar een groen alcoholvrij Radlertje ertussen. Net echt. Daklozen? Lolbroeken? Barmhartigen? Het zag er in ieder best mooi uit. Mooier dan de vleesroze glimmende gonorroe-uitbraken die in de meeste tuincentra voor kerstversiering door moeten gaan.

De bierboom deed me denken aan mijn favoriete Sinterklaasverhaal van vroeger. Een broertje en een zusje krijgen allebei iets in hun schoen – het meisje zuurtjes en cadeaus en het jongetje een roe. Ze vindt het zielig en versiert het bosje takken ’s nachts met felgekleurd snoep, het cellofaan glinstert in het maanlicht. Haar broertje is blij als hij ’s ochtends wakker wordt en zelf heeft ze nog genoeg. Vreselijk zoetsappig, maar prima geregeld. Daar kunnen we nog een voorbeeld aan nemen.

Nee, ik zeg niet dat iedereen zijn misvormde rendierijsjes en minihamburgers nu in de Heumensoordse bomen moet gaan hangen. Dat zou raar zijn, en ook best vies. Maar haal op zijn minst even je vingers uit je oren voordat je je tanden in al dan niet diervormig ijs en cirkelvormig dier zet. Vrede op aarde.