Hier had een sportjaaroverzicht 2015 moeten staan

De vriendin zat voor het raam en lepelde gedachteloos een kerstkliekje konijn met kersen naar binnen. Haar buik zat al vol – met het Sportjaar 2015 om precies te zijn – maar zeg maar eens nee als iemand wat opgewarmde brokjes knaagdier in bruine saus voor je neer zet. Dat doe je niet.

Buiten, aan de rand van het gazon, vergeleken de eerste krokussen hun vuurwerkvoorraden.
Het was een zwaar jaar geweest.
Ze had een onverwoestbare hekel aan competitie in het algemeen en competitie met lichaamsbeweging in het bijzonder, maar daar had de vriend, de sportcolumnist die nog voor een maandblad had geschreven in de tijd dat die nog eens per week verschenen, geen boodschap aan. Onder zijn weinig bezielende, maar immer voortzanikende leiding had zij zich in het jaar dat nu als een troebele binnenzee achter haar lag gegeven voor de sport, ter meerdere eer en glorie van het maandagse HP-stukje. Ze had door de modder gerold met Mathieu van der Poel, door de bochten gegleden met Sjinkie Knegt, lekker gek gedaan met Michiel Kramer, vijfde geworden met Greg van Avermaet, gepromoveerd met Roda JC en een dagje geen auto gereden met Bert van Marwijk in Saoedi-Arabië. Alles voor de goede zaak.
Met name Max Verstappen was op haar gesteld geraakt. Hij wilde haar mee op vakantie nemen, naar Qatar of naar de maan of zo. Maar de vriendin had al een vriend, eentje die zich geen verre vakanties kon veroorloven, maar wel voor de laatste CL-overwinning van Ajax geboren was en daarmee binnen de leeftijdsgrens bleef die de vriendin ook in dit uitzonderlijke geval weigerde te overschrijden.
‘Maar ik geef je alles wat je wil,’ had Max Verstappen gelispeld.
‘Haal jij eerst je rijbewijs maar eens,’ antwoordde de vriendin en wijzigde de naam van de Toro Rosso-tiener in haar telefoon in “Niet Opnemen”.
En tussendoor stond Cristiano Ronaldo ook nog regelmatig op de stoep. Het kwam nooit uit.

Rennen is rennen
Zo was ze het jaar doorgekomen: offers brengend voor de literatuur, voor de sport en voor de vriend de sportcolumnist. De dweil zelf.
En nu, op zo’n armetierige post-Kerstzondag met de macaronkruimels nog op tafel en de lege wijnflessen in het gelid als herders bij de kribbe, had de vriend zich opgesloten om een zoveelste vrije middag te wijden aan een van de weinige dingen in het leven die haar volstrekt koud lieten: sport.
‘Hoe lang duurt het?’ had ze gevraagd.
‘Tot het af is,’ had hij geantwoord.
‘Zal ik anders alvast de sjoelbak klaarzetten?’ vroeg ze.
‘Dat lijkt me een zeldzaam beroerd idee.’ En weg was hij.
En nu zat ze hier: een jaar in dienst van die kutsport had haar een eenzame laatste zondag opgeleverd. Nog even en dan zat het erop. Het jaar, dan. Maar daarna kwam er nog een jaar en dan vast nog een en dan vermoedelijk nog wel een. Er was altijd sport, en er waren altijd sportcolumns. Waarom, dat wist ze niet.
Sport, daar was de vriendin van de sportcolumnist van overtuigd, was een van de overbodigheden van de moderne tijd, samen met opiniestukken over generaties en meningen. Zonder die drie zaken zou het ook prima gaan, en er zou een hoop ergernis achterwege blijven. Waarom er nog altijd sport was, en waarom hij daar zich daar zo over opwond, wist ze niet. Waarom zij hem altijd maar terzijde moest staan, zich diende onder te dompelen in een wereld waarin ze niet het minste belang stelde, ook niet. Sport was voor haar een eeuwig dooremmerende Star Wars-film: drukte over iets wat, als je er nuchter naar keek, niets was. Je kon er van alles in leggen, van alles in zien, maar het enige wat je er uiteindelijk in terugzag, was dat wat je er zelf aan had toegevoegd. Van de furore die zo’n Dafne Schippers in een paar honderd meter bij elkaar had gehold, begreep de vriendin al helemaal niets. Rennen, stelde zij, is geen sport. Rennen is rennen, iedereen kan het. De vriendin was van mening dat het uitdelen van medailles voor iets wat iedereen kan nergens goed voor kon zijn. Je kon wel aan de gang blijven dan.
Zo bezag de vriendin nu eenmaal de wereld van de sport, en ze wist dat het gelijk aan haar kant stond zolang ze het maar niet bij anderen zou gaan zoeken.

Afschaffen, weg ermee
Het konijn was op.
Even rees in de vriendin het plan om de sport af te schaffen. Professionele sport, en sport op tv. Weg ermee, in de zak en aan de straat.
Kwestie van een referendum organiseren, meerderheid halen, orde op zaken. Wetten, verordeningen, de hele rataplan. Breedtesport, voor breedtemensen, mocht blijven. Er zouden her en der wat liefhebberijen sneuvelen, en een enkele baan kwam onvermijdelijk op de tocht. Waar gehakt wordt, dacht de vriendin en ze veegde de spaanders in gedachten jodelend terzijde.
Het was een korte gedachte, een opwindende fantasie. Praktisch onuitvoerbaar, zoals de meeste opwindende fantasieën. Gaf niet: ze had zich er even heerlijk aan kunnen warmen.
‘Zit je het geld uit het raam te kijken of wat?’ vroeg de sportcolumnist in het voorbijgaan.
Meteen daarna sloeg de wc-deur dicht.
‘Wat vind jij,’ riep hij gesmoord. ‘Danny Blind: Zeeuws ei of gewoon parvenu? Ik ben m’n column voor morgen aan het uploaden.’
De vriendin zweeg, haar blik op de geopende laptop op tafel. Die knipogende cursor…
Er was een manier, dacht ze, een manier om zichzelf eens te geven waar ze naar snakte. De sport af te schaffen, voor even. Het leven is als derde Kerstdag, dacht ze: het beste is vermoedelijk achter de rug, maar het is nooit te laat om een cadeautje voor jezelf onder de boom leggen.