Dit zijn de beste boeken van 2015 (en meest veelbelovende van 2016)

Wie waren de beeldbepalende auteurs van het afgelopen jaar? Welke debuten blonken uit, welke hypes waren terecht, en welke langverwachte romans stelden juist teleur? De oogst viel niet tegen. Plus drie veelbelovende titels die in 2016 zullen verschijnen.

Het zijn doorgaans niet de interessantste schrijvers die zich gretig bij een generatie of een stroming aansluiten. De beste schrijvers zijn juist zo bijzonder omdat ze zich van al hun collega’s onderscheiden, omdat er iets in hun werk zit wat je nooit had kunnen voorspellen, nergens anders bent tegengekomen – hoogstens diep binnenin jezelf, zonder dat je het ooit zo op papier had kunnen zetten. Dit jaaroverzicht is geen poging om de literaire trends, stromingen, of generaties van 2015 te signaleren. De meest opvallende titels van het afgelopen jaar zijn ook niet geordend aan de hand van vage inhoudelijke overeenkomsten, of gedeelde uitgangspunten. De schrijvers hebben vooral gemeen dat ze zich onderscheidden dankzij de kwaliteit van hun werk – en soms dankzij het duidelijke verschil in kwaliteit met hun eerdere werk.

Hoe dan ook: dit zijn vijftien van de titels die het literaire jaar meer dan de moeite waard maakten, verdeeld over vijf categorieën. Plus drie veelbelovende titels voor het nieuwe jaar, boeken waarover nog niet al te veel te zeggen valt, behalve dat we het er in 2016 ongetwijfeld weer hartstochtelijk eens of oneens over gaan zijn. Fijne feestdagen.

1. De grote namen

Arnon Grunberg – Het bestand
Geen enkel jaar is Grunbergloos. Geen enkele dág is Grunbergloos, zou je haast zeggen: van de Voetnoten in de Volkskrant tot aan de wekelijkse column in de VPRO Gids, en zijn vragenrubriek in Vrij Nederland – elke dag van de week is er wel een nieuw stuk van Arnon Grunberg te vinden, en met een beetje geluk meerdere. En dan hebben we het nog niet eens over zijn romans. 2014 was een van de zeldzame jaren zonder roman. In 2015 was er wel een roman aangekondigd, over een moeder en haar zoon. Die roman is er niet van gekomen – Grunbergs eigen moeder overleed in februari, waarna de romanplannen even opzij werden geschoven. In maart verscheen er wel een novelle: Het bestand. De novelle ging vergezeld van een grootschalig onderzoek naar hersenactiviteit bij de schrijver en de lezer. Origineel? Zeker. Interessant: ook. En de novelle zelf? Die begon ijzersterk en eindigde wat minder overtuigend – een wrange absurditeit die iets te gezocht aandeed.

Joost Zwagerman – De stilte van het licht
De schokkendste gebeurtenis in de Nederlandse literatuur had op zichzelf weinig met literatuur te maken: de zelfmoord van Joost Zwagerman. Wat je van de persoon en de auteur vond, maakte niks meer uit. Zijn zelfverkozen dood was een schok voor liefhebbers en tegenstanders. Van beide had Zwagerman er genoeg, zoals dat hoort bij een fatsoenlijke Grote Naam. Zwagermans dood viel min of meer samen met het verschijnen van zijn laatste boek, De stilte van het licht, een bundel essays over kunst. Dit was het genre waarin hij misschien wel het best tot zijn recht kwam: als hij zijn kennis van en zijn geestdrift over andermans werk kon delen, als hij naar hartelust, maar zorgvuldig beredeneerd, kon bewonderen.

Jan Siebelink – Margje
Het schijnt dat het al weleens eerder is gedaan, schrijven over moeder-zoonrelaties. Wat wél opmerkelijk is: de afgelopen pakweg anderhalf jaar lijken er meer moederzoonromans te verschijnen dan anders. Vrij kort na elkaar schreven Adriaan van Dis, Maarten ’t Hart, en, dit najaar, Jan Siebelink, alle drie een boek over hun moeder. Opvallend is verder dat de schrijvers min of meer tot dezelfde generatie behoren, overwegend liefdevolle portretten schreven, projecten waar ze zich pas aan waagden na het overlijden van hun moeder. En verreweg de belangrijkste overeenkomst: alle moederboeken waren goed. Na de moederzoonboeken zou het extra mooi zijn als 2016 ook een paar, of zelfs maar één, indrukwekkend moeder-dochterboek zou voortbrengen.

 

2. De hypes

Frans Kellendonk – De brieven
Het werd al vrij snel uitgeroepen tot de literaire gebeurtenis van het jaar, toen in mei de gebundelde brieven van Frans Kellendonk verschenen. Geen wonder: de schrijver zelf mag dan al vijfentwintig jaar dood zijn, zijn proza is nog springlevend, zagen we in ongeveer elke zin van zijn brieven. De uitgave was het startschot voor wat je met een beetje goede wil het Kellendonkjaar kunt noemen. Half literair Nederland, gevestigde namen en jonge auteurs, spraken hun bewondering en hun schatplichtigheid uit, en een handvol jonge auteurs schreven hun literaire voorbeeld brieven. In oktober verscheen het Verzameld werk, dat naast Kellendonks romans, verhalen en essays, ook niet eerder gebundelde artikelen en interviews bevatte. Eind november verscheen een min of meer biografische roman van Arie Storm: Het laatste testament van Frans Kellendonk. Jaap Goedegebuure werkt ondertussen aan een biografie, die we hopelijk over een paar jaar kunnen lezen.

Elena Ferrante – De nieuwe achternaam
Dit jaar woedde er in Nederland, en in een handvol andere landen, een bijzondere ziekte, met merkwaardige symptomen, zoals het veel te laat gaan slapen, en het chronisch afzeggen van afspraken, om maar verder te kunnen lezen in een roman cyclus over twee Napolitaanse vriendinnen. In sommige landen, de VS bijvoorbeeld, is de koorts nog heftiger, en is er ook meteen maar een naam voor bedacht: Ferrante fever. Lezers en critici waren massaal in de greep van de mysterieuze Italiaanse schrijfster Elena Ferrante, en in het bijzonder van haar vier Napolitaanse romans. In Nederland verscheen dit jaar de vertaling van het tweede deel, De nieuwe achternaam. We lopen dus nog twee romans achter op de Engelstalige patiënten, die alle vier de romans inmiddels kunnen verslinden in de eigen taal.

Tofik Dibi – Djinn
De hype is nog tamelijk vers: eind oktober kwam ex-Tweede Kamerlid Tofik Dibi uit de kast. Het is treurig dat zoiets nog steeds beladen is, dat zo’n stap überhaupt moet worden aangekondigd en breed wordt uitgemeten, maar dat maakt het niet minder dapper. De onthulling zelf verbaasde niemand. Wat verrassender was: Dibi kan erg goed schrijven. Djinn, het boek waarin hij verslag doet van onder meer de worstelingen met zijn seksualiteit, zijn carrière en zijn afkomst, is meer dan een egodocument van een ex-politicus die ernstig met zichzelf in de knoop zat. Dat wil zeggen: het is een goedgeschréven, aangríjpend egodocument van een ex-politicus die ernstig met zichzelf in de knoop zat.

 

3. De verassingen

Ronald Giphart – Harem
In een interview met criticus Theo Hakkert zei Ronald Giphart dat Harem voelde als een tweede debuutroman, en dat het schrijven voor het eerst een worsteling was. Daar kun je je iets bij voorstellen. Niet omdat Harem zo’n moeizame roman is – integendeel. Het verrassende was juist dat het zo’n bijna vlekkeloos, perfect uitgedacht boek is, haast zonder uitglijders of zwakke plekken. Giphart had hiervoor al zo’n twintig titels op zijn naam staan, en op haast elk van die boeken was wel wat essentieels aan te merken. Een overdosis meligheid, mooischrijverij, of al te vage beschrijvingen. Maar Harem is met afstand Gipharts beste boek – als het zulke romans oplevert, kun je alleen maar hopen dat hem nog veel meer schrijfworstelingen te wachten staan.

Jamal Ouariachi – Een honger
Jamal Ouariachi debuteerde vijf jaar terug met De vernietiging van Prosper Morèl. Een geslaagd, origineel debuut. Zijn tweede roman, Vertedering, was nog sterker, en werd weer iets beter ontvangen. Dat ook Een honger een goed boek was, verraste dus niet. Maar dat het zó’n goed, zó’n ambitieus boek zou zijn, nee, dat had niemand kunnen voorspellen. Een honger is eigenlijk drie of vier romans ineen. Of beter gezegd, Ouariachi doet in deze ene roman waar andere schrijvers gerust een half oeuvre voor uittrekken: hij schrijft tegelijk ironisch en bloedserieus over een schrijnend maatschappelijk probleem, hij doorbreekt taboes, beschrijft een onvergetelijke, grote liefde, en eert een stuk of dertig andere schrijvers door ze goedmoedig te persifleren.

Connie Palmen – Jij zegt het
Het thema is typisch Connie Palmen: een huwelijk, definitief ontbonden door de dood, de grootse liefde beschreven door de achterblijver. Het is een thema dat, pijnlijk genoeg, nauw aansluit op Palmens eigen leven, en dat ze in eerder werk ook al uitgebreid verkende. En toch heeft ze het nooit zo krachtig beschreven als in Jij zegt het, waarin ze in de huid kruipt van dichter Ted Hughes. Ze laat Hughes vanuit de eerste persoon vertellen over zijn grote liefde Sylvia Plath, die zelfmoord pleegde. Het is tegelijk een aanklacht en een verdediging, een hooglied en een requiem, en – daar waren de critici vrijwel unaniem over – het beste boek dat Connie Palmen ooit schreef. Dat zagen we niet aankomen.

 

4. De tegenvallers

Michel Houellebecq – Onderworpen
Alsof het onderwerp en de invalshoek al niet controversieel genoeg waren, verscheen Houellebecqs zesde roman in de week van de aanslag op Charlie Hebdo. Of Houellebecq nou wil of niet, alles wat hij doet, zorgt voor opschudding. Dat zou je een talent kunnen noemen – in dit geval een tamelijk ongelukkig talent. Onderworpen speelt zich af in de nabije toekomst. Frankrijk is in crisis, de traditionele politieke partijen hebben het zo ernstig laten afweten dat het volk zich schaart achter een islamitische partij. Islamitisch Frankrijk, inclusief een werkverbod voor de vrouw, en grootschalig islamitisch onderwijs, is een aardig gedachte-experiment, dat nooit helemaal uit de verf komt, omdat Houellebecq alles wat het gedachte-experiment onderuit zou kunnen halen, simpelweg negeert – bijvoorbeeld het verzet tegen de onderdrukking van de vrouw.

Jonathan Franzen – Zuiverheid
Ook goede, of niet-slechte boeken kunnen tegenvallen. De verwachtingen voor Zuiverheid waren enorm, en terecht: Vrijheid en De correcties behoorden tot de beste boeken van de afgelopen twintig jaar. Het fragment uit Zuiverheid dat een paar maanden voor de romanpublicatie in The New Yorker verscheen, was veelbelovend. Dit móest wel een nieuw meesterwerk worden, het kon niet anders. En toen was daar de roman. Slecht? Nou nee. Indrukwekkend? Vaak wel. Het probleem, dat uiteindelijk de hele roman verzwakte, zat ’m vooral in een relatie die wel erg sterk leunde op een karikaturaal hysterische vrouw. Feministen beschuldigden Franzen van vrouwenhaat, maar de schrijver beging in Zuiverheid vooral een literaire zonde: een saai, ongeloofwaardig en onuitstaanbaar personage scheppen, wier frêle schouders te zwak waren om het gigantische verhaal te dragen.

Jan Brokken – De Kozakkentuin
J.M. Coetzee deed het eerder in De meester van Petersburg: een romanpersonage maken van Dostojevski. Een idee dat navolging verdient, vooral omdat Dostojevski een bijzonder geschikt personage is: onstuimig, getroebleerd, goedhartig. Dat Jan Brokken zijn roman De Kozakkentuin baseerde op de vriendschap tussen Dostojevski en de elf jaar jongere Alexander von Wrangel, was dus een prima plan. Helaas was de uitvoering minder sterk: de vriendschap, en daarmee de kern van de roman, wilde maar niet aangrijpend worden. Je kreeg het idee dat het tragische, echt interessante deel van de vriendschap haastig werd afgeraffeld, terwijl er alle tijd werd uitgetrokken voor het stukken minder boeiende, idyllische deel.

 

5. De nieuwkomers

Inge Schilperoord – Muidhond
Veel debutanten houden het dicht bij huis. Ze schrijven over personages die worstelen met eerste liefdes, met rumoerige levens in de grote stad, vol drank, drugs, en dipjes die tot depressies worden gepromoveerd. Inge Schilperoord pakte het in haar eerste roman anders aan. Ze verplaatste zich in een veroordeelde pedofiel. Dat deed ze vol respect, begrip en medelijden voor haar hoofdpersoon. Een goede, zachtmoedige man met een afschuwelijke ziekte, waar hij dag en nacht tegen vecht. Een zwaarder gevecht is nauwelijks denkbaar. Muidhond is een indrukwekkend, aangrijpend bewijs van een groot inlevingsvermogen.

Jori Stam – Een volstrekt nutteloos mens
Het vereist lef om te debuteren met een verhalenbundel, en zowel de debutant als de uitgever moet dat lef kunnen opbrengen. Verhalenbundels verkopen namelijk niet, hoor je weleens – alsof uitgevers wel rijk worden van romandebuten (alsof uitgevers überhaupt rijk worden). Verhalenbundels worden in Nederland ook nog eens te vaak als een reeks vingeroefeningen gezien, een nauwelijks volwaardig medium, een opstapje naar de roman. Een volstrekt nutteloos mens verscheen in juni, en al vanaf de eerste pagina’s was duidelijk: dit is een meer dan volwaardig debuut. Naargeestig en grappig, donker, maar net niet té donker, met twee à drie onvergetelijke verhalen.

Kamel Daoud – Moussa of de dood van een Arabier
In Frankrijk kreeg hij een prijs voor de beste debuutroman; in Algerije werd er een fatwa over hem uitgesproken. De Algerijnse schrijver en journalist Kamel Daoud liet inderdaad weinig heel van de islam. Zijn hoofdpersoon Haroen kankert een eind weg, zonder ooit te vervallen in ordinair gescheld. Maar Moussa is zeker geen anti-islamitische roman; religie speelt hoogstens een bijrol. Waar het dan wel om gaat? Haroen vertelt zijn versie van Camus’ roman De vreemdeling, of eigenlijk: de versie van zijn familie. De door Meursault vermoorde Arabier krijgt bij Daoud een naam, een geschiedenis en een rouwende, voor eeuwig getekende familie. Een aardig idee, maar wat Daouds debuut zo krachtig maakt, is toch in de eerste plaats zijn stijl: rake zin na rake zin, nu eens lyrisch, dan weer cynisch, vrijwel aan één stuk door verbluffend.

 

6. De nieuwe titels, in 2016

Hanna Bervoets – Ivanov
Ivanov was het eerste serieuze toneelstuk van Anton Tsjechov, een tragedie over een depressieve landheer. Hanna Bervoets’ vijfde roman gaat over een net iets andere Ivanov: een Russische wetenschapper die in 1924 menselijk genetisch materiaal wil combineren met dat van een aap, om zo een heel nieuw, hybride wezen te kweken. Zeventig jaar later raakt een jonge student betrokken bij een onderzoek naar de oorsprong van het aids-virus – Ivanov zou daar weleens een rol in kunnen hebben gespeeld. Net als haar vorige roman Efter, heeft Ivanov een gedurfde, bijna krankzinnige plot. Die originaliteit, in combinatie met haar trefzekere stijl, maakt Bervoets tot een van de spannendste jonge schrijvers die we hebben – of moeten we na vijf romans maar gewoon ophouden met die term ‘jonge schrijver’?

A.F.Th. van der Heijden – Kwaadschiks
Misschien wel dé Nederlandse titel van het aankomend voorjaar, of gewoon van het jaar. Elke nieuwe roman van Van der Heijden is op zichzelf al een gebeurtenis, en dit keer nog iets meer: Kwaadschiks is het zesde deel van de romancyclus De tandeloze tijd. Het is een bescheiden boekje geworden. Achthonderd pagina’s maar. Advocaat Ernst Quispel, die we nog kennen uit het vierde deel, Advocaat van de hanen, keert terug – ‘twintig jaar grijzer en twintig jaar cynischer’, zo vermeldt de aanbiedingsfolder. Quispel staat reclameman Nico Dorlas bij in een duister, romantisch plan. Kwaadschiks is een literair moordmysterie, gebaseerd op de Amstelveense agentenmoord. Liefde, paranoia, drank en drugs – natuurlijk kun je met sensationele ingrediënten heel goed een saaie roman schrijven, maar dat lijkt in dit geval niet erg waarschijnlijk.

Hanya Yanagihara – Klein leven
De Amerikaanse was misschien wel de grote favoriet voor de Booker Prize van dit jaar – en zoals vaak met grote favorieten, weet je dan vrij zeker dat ze níet gaan winnen. En inderdaad. De prijs ging naar Marlon James’ Een beknopte geschiedenis van zeven moorden. Geen grof schandaal, maar wel een beetje teleurstellend: Hanya Yanagihara’s A Little Life is een prachtige, unieke roman, waarin het allerbeste en het allerslechtste van de mens vol overtuiging wordt beschreven, zonder angst voor sentiment of gruwel. Zulke diepe dalen en zulke hoge pieken kom je zelden tegen. De Nederlandse vertaling staat gepland voor dit voorjaar./

Foto: Flickr | Kamil Porembiński