Mijn vrolijkste Oud & Nieuw op de detox van hotel Jellinek

Eigenlijk moest hier mijn jaaroverzicht staan maar omdat ik in 2015 toch niks heb meegemaakt in die stomme Algarve staat hieronder mijn hilarische relaas van het hoogtepunt van mijn leven: 12 dagen op de detox van de Jellinek te Amsterdam. Destijds haalde ik met dit dagboek de cover van de Nieuwe Revu, dat toen nog 150.000 abonnees had. Ik stond op die coverfoto voor een glasbak met twee tassen vol lege flessen, in de Beethovenstraat waar ik toen nog woonde. In diverse romans heb ik mijn detoxdrama gesitueerd in de Betty Ford-kliniek in Californië omdat ik dat minder armetierig vond klinken dan dat lullige & sjofele Amsterdam-Zuid.

Ik maak mij niet populair met deze smartlap, die vermoedelijk enkel gelezen zal worden door de enige geheelonthoudende abonnees van HP/De Tijd: Ahmed Marcouch en Ahmed Aboutaleb (Tofik Dibi leest dit ook maar die is verslaafd aan de Baileys en de bessenjenever van Coebergh).

Omdat ik 2016 niet wil beginnen in een crackhuis vol transseksuele Afro-Portugese kommersjele sekwerkers, ben ik vandaag al gestopt met drank & drugs, voor de driemiljoenste keer in mijn leven. Ik ken de valkuilen als geen ander en bovendien was ik gisteren nog in dat crackhuis en is mijn kerstbonus van HP/De Tijd er doorheen gejast.

Enfin, stelletje zuipschuiten: leest en huivert.

Ik was ooit de grootste hoernalistieke belofte van Nederland maar tijdens mijn correspondentschap in Libanon, begin jaren negentig, was ik door het gemis van mijn moedertje flink verloederd en ontbijtte ik met whisky. Toen ik met hangende pootjes terug was gekeerd naar Amsterdam, zette mijn toenmalige verloofde mij voor het blok: als ik mij niet zou laten opnemen voor een twaalfdaagse ontgiftingskuur, zou ze de relatie verbreken. Ik accepteerde haar oekaze en besloot me tijdens de kerstdagen en de jaarwisseling te laten opnemen. Met lood in de benen en wappie van de heroïne, de crack en de drank kroop ik eind december 1993 naar de Jellinekkliniek in Amsterdam (ik woonde er om de hoek). De Jellinek was voor vunzige viespeuken die met een fles bessenwijn in het park lagen te lallen, had ik altijd gedacht, ik zou daar nooit van mijn leven terechtkomen omdat ik mijzelf hoogstens als een gezellige drinker zag.

Tijdens het intakegesprek somde ik de hoeveelheden alcohol op die ik in Libanon tot mij had genomen. De vier glazen whisky (kost trouwens geen drol in Libanon omdat daar geen accijns is) als ontbijt en om het trillen van mijn handen te verminderen, sloeg ik gemakshalve over. Tegen het middaguur trok ik een fles wijn open. Bij de lunch dronk ik vijf glazen arak (dat lijkt op een sperma in een glas water), en als digestief vier glazen cognac. In de loop van de middag nuttigde ik een krat bier en bij het avondeten minstens nog een drupje wijn. Ik eindigde de dag steevast met whisky om de vieze smaak weg te gorgelen.

De Jellinek-psychologe had met stijgende verbazing geluisterd en riep vervolgens vinnig uit: ‘En u noemt dat sociaal drinken?’ Ik sputterde tegen dat ik wat drank betreft echt niet onderdeed voor de gemiddelde journalist. ‘Hoe lang drinkt u al?’ vroeg ze. ‘Vanaf mijn zeventiende, vieze vuile pot’ mompelde ik. ‘Dus u bent al de helft van uw leven alcoholist,’ stelde ze bits vast. ‘Ik ben geen alcoholist,’ bracht ik daartegen in, ‘soms drink ik vier of vijf dagen helemaal niets.’ Terwijl ik dat zei, probeerde ik te bedenken wanneer dat voor het laatst was geweest. Ik vertelde het spook dat ik altijd gezond at: veel rauwkost, verse groenten en peulvruchten. ‘Ja,’ antwoordde de psychologe smalend, ‘daarom functioneert u waarschijnlijk nog zo goed. Volgens het medisch onderzoek bent u kerngezond. Maar het verval kan snel optreden, zeker als u boven de veertig komt. U wordt niet oud als u zo doorgaat, u houdt uzelf voor de gek.’ Ik wilde haar bij de keel grijpen en brullen dat ik sowieso Herman Brood ging overleven maar toen rende er een groepswerker binnen die mij in de de lift naar de tweede verdieping duwde.

Ik had gedacht dat ik iedere dag even naar buiten kon om een krant of sigaretten te kopen, maar dat bleek een misverstand. ‘De detox is een semigesloten afdeling, doctorandus Van Amerongen,’ zei de groepswerker op respectloze toon. Ik kon de kliniek op elk moment van de dag verlaten maar dat betekende dan wel het eind van mijn vrijwillige opname. Boven aangekomen moest ik een formulier met de huisregels van de Jellinek ondertekenen. In houterig Nederlands werd gewaarschuwd dat er onmiddellijk ontslag volgde bij bezit en het binnenbrengen van alcohol, drugs en medicijnen, bij agressie, zowel verbaal als non-verbaal, of het dreigen daarmee, bij seksuele contacten en bij spelletjes om geld. Mijn bloeddruk werd gemeten. Ik piste in een beker en deed een blaastest.

Voor de sleutel van mijn kast moest ik tien gulden borg betalen. Naast mijn bed bevond zich een alarmknop. Het matras was bedekt met een laag plastic tegen het bedpissen. Ik was een patiënt geworden. De Jellinek noemde mij echter ‘cliënt’, niet zo verwonderlijk gezien het bedrag dat in rekening werd gebracht. Een dagje detox kostte net zo veel als een overnachting in een Amsterdams vijfsterrenhotel. Alleen had ik hier corvee, moest ik om halftwaalf naar bed en deelde ik de slaapkamer met volslagen vreemden. Ik plofte neer op het keiharde bed en voelde mij doodongelukkig maar ook opgelucht omdat ik nu niet naar mijn schoonmoeder hoefde.

De huiskamer – zoals de naargeestige, donkere ruimte op de eerste verdieping familiaal werd genoemd – stond blauw van de rook. Op de radio klonk Nederlandstalige muziek van het genre dat geliefd is bij masturberende vrachtwagenchauffeurs. Drie ‘cliënten’ zaten op een bank apathisch voor zich uit te staren. Uit de leesmand viste ik een verfrommeld weekblad en ik probeerde te lezen. In de Jellinekkliniek rook het naar pis en stront, precies als in het bejaardenhuis waar mijn grootvader Aart (naar wie ik ben vernoemd) zijn laatste dagen had gesleten. Opa Aart was zijn hele leven bewust geheelonthouder geweest. Voor mijn vader lag het gecompliceerder. Zijn afkeer van drank was ontstaan bij een dispuut in Wageningen, waar hij aan de Landbouwhogeschool had gestudeerd. Tijdens de ontgroening had enorme hij hoeveelheden jenever moeten drinken. Onder de kots en meer dood dan levend was hij in een taxi naar het ouderlijk huis in Ede gereden. Zijn vader had hem met zijn broekriem net zolang afgeranseld tot hij weer nuchter was. Nooit had mijn vader over dat voorval gesproken, ik had het uiteindelijk van mijn moeder moeten vernemen. Het enige wat hij over zijn ontgroening kwijt wilde was dat hij een tot de rand ondergepoept toilet met een tandenborstel had moeten schoonmaken. Hij deed dat af als een anekdote, maar tussen de grappen en grollen door klonk de intense schaamte.

De nieuwe cliënten van de detox druppelden de huiskamer binnen. Een verwarde vrouw van middelbare leeftijd in een goedkoop joggingpak, haar onverzorgde haar vol klitten en met een vuurrood gezicht, hield twee pakjes sigaretten en een aansteker in haar rechterhand geklemd. Een verlegen, naar de grond starende creoolse jongen op slippers nam plaats in het uiterste hoekje van de kamer en begon zenuwachtig op de vensterbank te trommelen. Een grijsaard met een Indiaas uiterlijk steunde op een stok, een vreemd wollen mutsje op zijn hoofd. Een personeelslid reed een man in een rolstoel binnen. Zijn handen trilden, hij had een vriendelijk, kwetsbaar gezicht. Zijn leesbril hing aan een leren koord op zijn buik, waardoor hij een licht intellectuele indruk maakte. Niemand had er behoefte aan te praten. De televisie stond aan zonder geluid, buiten begon het te sneeuwen. Ik doodde de tijd met een kruiswoordpuzzel in de Libelle die al voor de helft was ingevuld. Om halfeen stipt werden twee karren met de lunch uit de lift gereden. Voor de maaltijd vroeg een pinnig personeelslid om een moment stilte, maar niemand maakte aanstalten om te bidden. Zwijgend lepelde ik de hutspot met hachee naar binnen. Ik staarde naar de bolle koppen en opgezwollen handen om mij heen, naar de trillende lepels, messen en vorken: precies het halfvergane apenorkest in de automaat die ooit bij het restaurant in het Vondelpark had gestaan. Het pinnige meisje probeerde een discussie op gang te brengen maar oogstte enkel argwanende blikken.

De misselijkmakende geur van het eten in de Jellinek voerde mij terug naar de gezondheidskolonie in Egmond aan Zee, waar ik als achtjarige een hele zomer had doorgebracht, ziek van heimwee. Iedere nacht bad ik op de gigantische slaapzaal vol gefluister en vreemde geluiden dat ik de volgende dag thuis in mijn eigen bed wakker mocht worden. Voor de asociale kinderen uit de achterbuurten van de grote steden was de kolonie een waar paradijs; ze renden de hele dag door de duinen, konden naar hartenlust sporten en kregen drie keer per dag een maaltijd. Voor mij was het de hel. Ik was niet opgewassen tegen de straatschoffies die iedereen terroriseerden; met mijn rode haar, sproeten en broodmagere kleine lichaam was ik het mikpunt van hun pesterijen. Een hele middag lang had ik gehuild toen ze mijn kastje, waarin het snoepgoed van mijn ouders zorgvuldig lag opgeborgen, hadden opengebroken. Zelfs verpleegster Annie, die een zwak voor mij had en mij vaak in bescherming nam, schold me uit voor huilebalk.

Ik was een doodsbang kind: bang voor beesten onder het bed, bang voor boeman ome Kees, bang voor onweer, bang voor de dood. Eens was ik krijsend thuisgekomen van de gymnastiekles. In de doucheruimtes had een kraan opengestaan, het water spoot eruit. Ik was als laatste weggegaan nadat ik tevergeefs had geprobeerd de kraan te sluiten. Tegen mijn moeder zei ik, tranen met tuiten huilend, dat ik bang was dat al het water van de wereld op zou raken. In de Jellinek brak het angstzweet mij opnieuw uit.

Op de eerste dag van mijn opname wilde ik mijn vriendin bellen. Van een personeelslid kreeg ik echter te horen dat bellen gedurende de eerste twee dagen verboden was. Bezoek mocht pas op de derde dag komen. In een helverlichte therapiekamer keek ik ’s avonds moederziel alleen naar een documentaire over een hardnekkige junk die al twintig jaar probeerde af te kicken. Voor we naar bed gingen, werd opnieuw mijn bloeddruk gemeten. Door het raam van de slaapzaal zag ik de verlichte klokkentoren die pal naast mijn woning stond. Mijn slapies, de creoolse jongen en de oude man uit Pakistan, lagen te snurken. Om zeven uur ’s ochtends ging het licht op de slaapzaal aan. Iedereen werkte zwijgend het ontbijt naar binnen. Na het ontbijt corvee: afruimen, afwassen, douches en wc’s schoonmaken, stofzuigen. Dan pas koffie, tijdens het ontbijt werd alleen thee gedronken. De volgende koffieronde was pas om halfacht ’s avonds. De volgende dag las ik op het mededelingenbord dat er groepstherapie op het programma stond; niets bleef mij bespaard. In wat voor gesticht had ik me laten opnemen? Iets in mij weigerde deze situatie te accepteren. Het was alsof ik in een verkeerd toneelstuk terecht was gekomen, in een heel slechte klucht. Een paar maanden eerder zat ik nog als correspondent in Beirut, nu was ik plotsklaps een naamloze debiel te midden van halvezolen en ontredderde zielen zoals ik ze zelfs beroepsmatig nooit eerder was tegengekomen.

Ik bevond me in een schemerwereld waarvan de poorten voor mij tot nu gesloten waren geweest. Ik kwam uit een wereld waarin continu gefeest werd, waar problemen werden weggewuifd, weggelachen en vooral weggezopen. Overal in Nederland stonden echter naargeestige betonklompen als de Jellinek, met duistere gangen en door neonbuizen verlichte slaapzalen, volgestouwd met menselijk leed. Maar misschien was dit wel de werkelijkheid en had ik al die tijd in een schijnwereld geleefd. Het werd mij als snel duidelijk waarom de mensen uit mijn groep aan de drank waren geraakt. Carlo, de bedeesde jonge Surinamer, was in de problemen geraakt na het overlijden van zijn moeder. Zijn vader had hij nooit gekend en hij was bij zijn oma ingetrokken.De schoenenzaak waar hij werkte, had hem ontslagen. Toen vervolgens zijn vriendin het uitmaakte, was hij in elkaar gestort. Nu blowde hij zich suf en dronk dagelijks een liter rum, en combineerde dat met prozac. Tijdens de therapiesessie barstte hij regelmatig in snikken uit. Els, de oudere vrouw in joggingpak, had een florerend garagebedrijf gerund en tot haar veertigste geen druppel gedronken. Op een avond was ze in haar eigen zaak door drie mannen verkracht. Kort daarna verloor ze haar beide ouders. Robert, een veertiger, ooit eigenaar van een succesvol taxibedrijf, was aan de drank geraakt na een faillissement. De komende dertig jaar was hij persoonlijk aansprakelijk voor zijn schulden en hij kon nooit meer op een normale manier een zaak beginnen. Opa, de Pakistaanse man, was door zijn kinderen naar de Jellinek gebracht omdat hij na zijn pensionering aan de jenever was geraakt. Al deze mensen waren op een wrede manier door het noodlot getroffen; mijn problemen verbleekten naast hun ellende. De meesten hadden al de nodige ervaring met de psychiatrie, getuige het hemeltergende hulpverlenerjargon waarin ze zich uitdrukten, zoals ‘iets een plekje geven’ en ‘iets in de groep gooien’.

Op grote vellen papier moesten we de voor- en de nadelen van het stoppen met drinken opschrijven. Onder de voordelen van stoppen schreef ik: geld overhouden, meer regelmaat, minder ruzie, je voelt je beter. Onder het nadeel van stoppen schreef ik: saai leven. Toen ik uitleg moest geven aan de groep, stamelde ik dat ik een stevige maar vrolijke drinker was met minder problemen dan de rest van de groep. De groepswerkster keek of ze water zag branden en verweet me dat ik niets over mijzelf durfde te vertellen, dat ik een masker op had. ‘Je hebt toch wel ellende meegemaakt, je zit toch niet voor niets in de detox,’ blafte ze.

Opa, zoals de oude Pakistaan door iedereen werd genoemd, verstond Nederlands maar hield zich van den domme. ‘Kinderen boos,’ bromde hij, ‘kinderen goed moslims. In Pakistan ik geen problemen, Pakistan dictatuur, islamitisch. Ik drinken in Pakistan, politie mij slaan met stokken. Nederland democratie, overal alcohol, niet goed. Rondjes in café probleem, toe opa, neem nog eentje, neem nog tweetje.’

Na de sessie werd het middagmaal geserveerd: een karbonade, verse kapucijners en piccalilly. Opa zei met een vies gezicht dat hij als goede moslim geen varkensvlees at, ook al had hij met het nuttigen van alcohol beduidend minder moeite gehad. De man in de rolstoel trilde als een rietje, de kapucijners donderden van zijn lepel. ‘Gaat wel over,’ bromde hij. Hij bekende al voor de derde keer in de Jellinek te zijn.

Langzaam maar zeker begon ik aan het ritme van de detox te wennen. Alles draaide er om structuur en discipline en om het vernietigen van de oude, destructieve levenswijze. Ik stortte me vol overgave op de corvee opdat de tijd sneller zou gaan.

Tijdens de maaltijden kwamen steeds meer verhalen los. Een gedistingeerde man at zich tijdens het nieuwjaarsdiner ongans aan de kalkoenrollade. ‘Je moet blijven eten,’ bromde hij tussen twee happen door, ‘anders ga je eraan onderdoor.’ Even daarvoor had hij gezegd, hij uit principe nooit soep at. Ik had naar zijn trillende handen gekeken en was in de lach geschoten. Net als iedereen donderde ik sambal, mosterd en maggi door het eten. De smaakpapillen van alcoholisten werken niet meer zo goed, leerde ik tijdens de medische voorlichting, daarom kruidden wij ons eten zo scherp mogelijk. Normaal gesproken negeerde ik alle berichten over de lichamelijke gevolgen van drank, maar dit keer was er geen ontkomen aan. Op het schoolbord hing een kaart met de ingewanden van de mens. De hulpverleenster wees ernaar en dreunde de gevaren van alcohol op: ‘Als je drinkt is er een vergrote kans op bronchitis, longontsteking en tuberculose. Een maagslijmvliesontsteking kan een maagbloeding veroorzaken, te herkennen aan pikzwarte ontlasting en bloedbraken. Er is verband tussen alcoholgebruik en kanker van de mond, keel, het strottenhoofd en de slokdarm. Beschadigd leverweefsel kan leiden tot levercirrose, waardoor de lever kleiner wordt. Levercirrose geeft een grotere kans op leverkanker.’ Via de Jellinek kon je Antabus en andere medicijnen krijgen, die de zucht naar alcohol tegengingen. De nette man tijdens het eten: ‘Ach, ik heb een poosje Antabus geslikt maar op een gegeven moment dronk ik er gewoon doorheen. Je krijgt in het begin een kop als een boei en je wordt strontmisselijk, maar daarna valt het wel mee.’

Tijdens een evaluatie zei ik voortaan gecontroleerd te gaan drinken. ‘Gecontroleerd drinken bestaat niet,’ zei de hulpverlener. Sociaal drinken was volgens de Jellinek nog wel mogelijk: twee keer per week vijf glazen pils of wijn. Ik dacht aan vrienden, kennissen en collega’s en vroeg me af waarom het bij dit afkickcentrum niet storm liep. Mijn buurman wilde alleen nog op verjaardagen en tijdens de feestdagen drinken. De groep grinnikte.

We mochten een kunstwerk vervaardigen. Op een tafel in de therapieruimte lagen scharen, waterverf, waskrijt en lijm. ‘Geef iets van jezelf weer in het werk,’ zei een blonde vrouw met een zwaar Duits accent. Ze liep tegen de vijftig, was mollig en droeg een geruite rok en rode laklaarsjes. Uit een stapel tijdschriften knipte ik zo veel mogelijk advertenties voor sterke drank en plakte die op een groot wit stuk papier. De vrouw keek langdurig naar mijn kunstwerk en concludeerde bloedserieus dat ik door drank geobsedeerd was. Alcoholist, alcoholist, dreunde het die nacht door mijn hoofd. Ik reageerde mijn woede af door de volgende morgen de stukken stront in de plee woest weg te borstelen. Jezus, wat konden die alcoholisten schijten, alsof hun ingewanden mee naar buiten kwamen.

We kregen voorlichting over vluchtgedrag en leerden dat mensen drinken omdat ze de roes zoeken, uit zelfmedelijden, eenzaamheid en faalangst. Drankmisbruik kon ook een manipulatiemiddel zijn om de aandacht van je omgeving te trekken. Je kon ook drinken om het drinken zelf, het gevolg van lichamelijke verslaving. Ik wond mij op en vroeg aan de hulpverlener waarom iemand niet het recht had om in de drank te vluchten. ‘Waarom is het zoeken naar kicks of een roes zo negatief, het leven is al saai genoeg.’ Ik kende bijna geen leuke geheelonthouders. De hulpverlener trok een zuur gezicht.

Twee vrienden kwamen tijdens het bezoekuur. Ik was de enige die die avond bezoek kreeg. Ze maakten grappen over de detox en vertelden lachend dat ze na het bezoekuur op mij zouden proosten in café Welling, een notoire alcoholistenkroeg om de hoek. Ik lachte als een boer met kiespijn en wilde weg. Het leek wel of ik na een week Jellinek mijn gevoel voor humor geheel was kwijtgeraakt. Stoppen, stoppen, stoppen, dreunde het almaar door mijn hoofd. Opa kreeg bezoek van zijn kinderen. Ze brachten schone kleren voor hem mee. Een hulpverlener stopte opa onder de douche en even later liep hij in een brandschoon Pakistaans gewaad over de afdeling. Hij leek zijn waardigheid te hebben hervonden en keek ondeugend uit zijn ogen.

Ik had al acht dagen geen ochtenderectie meer gehad en dacht dat dat kwam door de pilletjes die ik na het eten moest slikken. Volgens het personeel van de Jellinek waren het vitaminepillen, maar ik wist zeker dat het libidoremmers waren. In de huisregels werd nadrukkelijk gewaarschuwd tegen seksuele contacten, maar niets en niemand op de detox prikkelde mij. Mooie verpleegsters bestonden alleen in driestuiverromannetjes.

Er kwam een nieuwe groep binnen. Volgens de hulpverleners was de komst van de nieuwe groep een belangrijk moment. ‘Zo zagen jullie er een week geleden ook uit,’ vertelde een hulpverlener opgewekt. Ik voelde mij na acht dagen een veteraan. Een man met een pimpelpaars gezicht en een woeste baard werd door drie groepswerksters uit de lift gesjouwd en in een rolstoel getild. Voor menig dakloze alcoholist was de Jellinek een drooggelegd paradijs: drie maaltijden per dag, een warme douche en een warm bed. Veel cliënten hadden een puinhoop van hun leven gemaakt en waren baan en huis kwijtgeraakt. Alcohol leek de katalysator van alle problemen. Ik prees mij gelukkig dat ik relatief weinig problemen had. ‘Wat niet is kan nog komen,’ zei een hulpverlener bemoedigend.

Een oude Surinamer met een Ajaxpetje keek aandachtig toe hoe ik de afwas deed en vroeg of ik personeel was. ‘Nee,’ lachte ik, ‘dit noemen wij corvee en morgen doe jij dit ook.’ Hij keek alsof hij het in Keulen hoorde donderen, en kreeg bijna een insult toen hij hoorde dat hij iedere ochtend om zeven uur moest opstaan in hotel Jellinek. ‘Dat is toch geen tijd, man,’ riep hij verontwaardigd. We kregen voorlichting van twee ex-alcoholisten. Een sigaren rokende vrouw van vijftig vertelde haar levensverhaal. Ze had bijna al haar vitale ingewanden weggezopen en was een medisch wonder. Ooit negen maanden gestopt en daarna weer begonnen; uiteindelijk helemaal gestopt. ‘Drank is een harddrug, een sluipmoordenaar,’ jubelde ze. ‘Gecontroleerd drinken bestaat niet, radicaal stoppen is de enige oplossing.’ Halleluja zuster, dacht ik. Ze waarschuwde dat het minstens een jaar duurde voor je helemaal van je alcoholverslaving af was. Eigenlijk had ik helemaal geen zin meer om te stoppen.

Tijdens het dagelijks luchten wandelden we langs het huis van Herman Brood. Herman was thuis en vierde feest. Getverdemme, dacht ik toen ik even later in de Jellinek aan een kopje slappe thee zat te nippen. Ik was baldadig, kreeg zin om op de alarmknoppen naast de bedden en op de toiletten te drukken. Een ruige man op leeftijd: ‘Na de dood van mijn vrouw moest ik ineens zelf gaan koken. Dat viel godverdomme niet mee. Bij de Albert Heijn kocht ik een stapel diepvriesmaaltijden die je in de magnetron mot rotte. Ik snapte alleen niet hoe het werkte, ze liggen nog steeds in de keuken.’ Er volgden sterke verhalen over drank en ik leerde hoe je stiekem moest drinken. Zo lepelde een vertegenwoordiger tijdens het eten in hotels whisky uit een bord en zei dan dat het soep was. Een paar mensen uit de nieuwe groep hadden vaker in de detox gezeten, met de huisregels namen ze het niet zo nauw. Ze drukten koffie achterover zodat ze die ’s avonds laat konden drinken. Er hing een opstandig sfeertje op de afdeling, iedereen praatte over drank. Er werd geklonken met glazen karnemelk en koffiekoppen. ‘Verslavingsgedrag’ heette dat in hulpverlenersjargon.

Op een dag werd ik tot corveechef benoemd, een hele verantwoordelijkheid. Met een groepswerkster maakte ik een ronde over de afdeling. Ze streek met een vinger over de rand van een kast en vond drie stofmoleculen. Mijn schoenen stonden onder het bed en mijn trui hing over de stoel. ‘Die horen in de kast, dat weet je toch,’ zei ze bits. Ik kreeg een berisping. Tot overmaat van ramp vond ze ook nog een bosje schaamhaar in de afvoerput van de douche. Ik vroeg me af hoe schoon het bij die mierenneuker thuis zou zijn. ‘Hoe vond je het om corveeleider te zijn?’ vroeg ze tijdens de evaluatie. Ik trilde van woede en zei dat dat mij geen ene reet deed en dat het opvoedkundige aspect ervan mij volledig was ontgaan.

We kregen psychomotorische training. De trainer vertelde dat hij president-directeur van een biochemische firma was. Niemand begreep waarover hij het had tot duidelijk werd dat de man over zijn lichaam praatte. Op kousenvoeten deden we concentratieoefeningen met stokken. ‘Luister naar de signalen van je lichaam,’ zei hij, ‘laat de stokken maar lekker vallen.’ We lieten de stokken lekker vallen. Tijdens een meditatieoefening vielen twee cliënten onmiddellijk in slaap en begonnen luid te snurken. Tegen het eind van mijn verblijf voelde ik mij een seniele bejaarde en ik hoopte dat dit mijn eerste en laatste kennismaking met de hulpverlening was. Een psychiater die ik nooit eerder had gezien, vertelde mij in het evaluatiegesprek dat de leiding met de handen in het haar zat. Ze hadden geen moment de indruk gekregen dat ik wilde stoppen met alcoholgebruik. Mijn verslaving zat diep geworteld. Dat had ik zelf ook wel kunnen verzinnen, dacht ik grimmig terwijl ik de prijs van de fluwelen bordeelsluipers van het Limburgs lispelende heerschap tegenover mij schatte.

Twaalf dagen lang had ik op de pijnbank gelegen om uiteindelijk van een geparfumeerde drol met een pagekapsel bevestigd te krijgen dat ik een hopeloos geval was. Stilletjes had ik gehoopt iets meer te weten te komen over het verslavingsmechanisme in de krochten van mijn ziel. ‘Voor dat soort zaken,’ zo hield de Limburger mij voor, ‘moet je bij het RIAGG zijn en niet bij de Jellinek.’ Volgens de Jellinek lagen zelfmedelijden, eenzaamheid en faalangst ten grondslag aan mijn verslaving.Ik zei tegen tegen de wufte shrink dat hij het rapport op kon rollen en in zijn reet kon schuiven. Eenmaal buiten, koerst ik op de automatische piloot naar de beruchte alcoholistenkroeg Welling, achter het Concertgebouw.

De lezers weten inmiddels dat ik geen moralist ben, verre van dat zelfs. Daarom eindig ik met de tekst van het vrolijke drinkerslied Moeder Alcohol, dat Frans Halsema ooit voor mij schreef.

Weet je ’t al van Tuur van Amerongen
die drinkt helemaal niet meer
wat verstandig van die jongen
want mijn god hij ging tekeer
nou ik vind het wel wat drastisch
en de vraag is houdt ie het vol?

Het leven is niet zo fantastisch
zonder moeder, zonder moeder
Het leven is niet zo fantastisch
zonder moeder Alcohol

En hoe zit het dan met Gerrie
want die stond toch ook vrij zwak
Gerrie is gestopt met sherry
ze is nou aan de cognac
en ze voelt zich pas behaaglijk
als ze slingert als een tol

Het leven is ook haast niet draaglijk
zonder moeder, zonder moeder
Het leven is ook haast niet draaglijk
zonder moeder Alcohol

als ik nou eens kijk naar mezelf (zou ik niet doen)
ik ben echt niet jarig vandaag (wat jammer)
maar zo rond een uurtje of elf (wel vroeg hoor)
had ik al een stuk in mijn kraag (goedemorgen)
ik drink nooit een slok voor half zes (principe)
dat is toch de beste manier (dat zegt men)
kom dus maar eens hier met die fles (met jonge)
want ik heb het zeven voor vier (gezondheid)

vroeger dronk ik enkel maar wijn (bij het eten)
en dat is in elk geval soft (veel liever)
vroeger deed mijn hart mij geen pijn (niet zeuren)
vroeger vond mijn vrouw mij geen schoft (de stakker)
maar juffrouw drinkt zelf toch ook (dat moet wel)
nee, die heeft pas geelzucht gehad (mooi kleurtje)
en nou drinkt ze enkel nog coke (die rotzooi)
geelzucht is gewoonweg je dat (jazeker)
maar wat dat betreft zit ik rot (hoezo dan?)
want lever is ijzersterk (das jammer)
kom je krijgt hem echt wel kapot (nog even)
en dan heb je eer van je werk (santé!)

Weet je ’t al van onze Tuur van Amerongen
Tuur die geen drank meer nam
Hij is uit het raam gesprongen
en nou is ie toch weer lam
en nou gaat ie alle dagen
met zijn rolstoel aan de rol

Het leven is ook niet te dragen
zonder moeder, zonder moeder
Het leven is haast niet te dragen
zonder moeder Alcohol

Het leven is haast niet te dragen
zonder moeder, zonder moeder
Het leven is haast niet te dragen
zonder moeder Alcohol

Gelukkig 2016!