David Bowie (1947-2016): kameleon en geniale gauwdief

2015 zou het jaar van David Bowie worden: een grote tentoonstelling in Groningen en een musical op Broadway – het door Ivo van Hove geregisseerde Lazarus. David Bowie (69) overleed op maandag 11 januari 2016. Een portret van de popicoon, verschenen in het septembernummer van HP/De Tijd.

David Bowie is een kameleon, een wezen dat wanneer het hem schikt van gedaante kan verwisselen. Een verschil met het reptiel: Bowie wil altijd in de aandacht staan. Daarom moet de machine blijven draaien. Iets waar David Bowie altijd mee bezig is. Hij gaat daarbij over lijken. Vele malen is hij beschuldigd van het stelen van andermans ideeën of stijl. Zijn tot op het bot gefrustreerde ex-vrouw Angela ‘Angie’ Barnett, die Bowie misschien wel tot de ster maakte die hij is, verwijt hem nog altijd een genadeloze opportunist te zijn. Iedereen die hem vooruit kon helpen in de business, die gebruikte hij. David Bowie wilde beroemd worden, en niet zo’n beetje ook.

Die wereldster is hij nu al jaren, met huizen all over the planet. Niet bevestigde geruchten reppen zelfs over een pied-à-terre aan de Amsterdamse Spiegelgracht. Het product-Bowie behelst ook al decennia veel meer dan muziek alleen. In december gaat bij de New York Theater Workshop de musical Lazarus in première. Voor deze door Ivo van Hove (TGA) geregisseerde voorstelling schreef David Bowie vier gloednieuwe songs. Lazarus is een vervolg op de film The Man Who Fell to Earth uit 1976, waarin Bowie de rol van alien Thomas J. Newton speelde. Een fraai staaltje casting, want de overeenkomsten tussen dat personage en The Thin White Duke zijn talrijk. Sterker – wie het wil kan de conclusie trekken dat het allemaal zo moest zijn. De rol van Newton wordt in Lazarus gespeeld door topacteur Michael C. Hall. Inderdaad, seriemoordenaar Dexter uit de gelijknamige televisieserie. Bowie een serial killer noemen gaat misschien wat ver, maar de vergelijking is niet eens zo gek. Angie Barnett noemde haar ex-man weliswaar geen serial killer, maar dan toch wel een serial player. Om de exacte betekenis van haar beschuldiging te kunnen doorgronden, moeten we de definitie van het begrip player maar even goed tot ons door laten dringen. Player: een man die bedreven is in het manipuleren (‘bespelen’) van mensen, in het bijzonder van vrouwen, door hen het gevoel te geven dat hij om ze geeft, maar in werkelijkheid alleen maar uit is op seks. Die definitie raakt nog steeds niet de kern van Angies zure observatie: zij wist als geen ander dat voor Bowie seks lang niet altijd het einddoel was. Vriendschappen met muzikanten duurden lang als hij hen – en hun ideeën – kon gebruiken. Zijn beroemde “I’m gay”-verklaring in 1972 was goeddeels een publiciteitsstunt. Aan het begin van zijn niet vlottende carrière deelde hij het bed met mannen voornamelijk omdat die hem zouden kunnen helpen om te worden wat hij wilde zijn: een wereldster.

Ook de musical Lazarus zal, zoals alles wat door David Bowie wordt aangeraakt, wel weer in goud veranderen – zeker omdat hij enorm betrokken is bij deze door de Ierse toneelschrijver Enda Walsh geschreven voorstelling. De eerste ‘lezing’ deed hij zelf en ook de lijstjes met namen voor de casting gingen via zijn bureau. Dat is niet gek wanneer je bedenkt hoezeer de personages van Bowie en de Lazarus – én The Man Who Fell to Earth-protagonist Thomas J. Newton – met elkaar zijn verweven. Bowie, die tijdens alle draaidagen stijf stond van de cocaïne, heeft in interviews meerdere malen gezegd dat hij de rol van Newton, high as a kite, voornamelijk speelde als David Bowie zelf. Een rockster die des tijds sowieso niet meer wist wie hij was. David Robert ‘Davy’ Jones die voor David Bowie speelde? David Bowie getransformeerd tot Ziggy Stardust, de androgyne persona die hij aan het begin van de jaren zeventig aanmat en die hem inspireerde tot het meesterwerk The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars? Of was het juist Ziggy Stardust die probeert om weer David Bowie te zijn? Wellicht met hulp van The Thin White Duke? Of de komende tijd toch maar weer Thomas J. Newton, de man met wie hij artistiek en historisch gezien veel opmerkelijke raaklijnen kent? Beiden suggereerden dat zij op aarde kwamen om de mensheid te dienen, maar beiden hadden een geheime agenda. King of the world wilden zij worden – niets meer of minder dan dat.

Om de psychologie van David Bowie te duiden zullen we, zoals iedere zielenknij – per zal beamen, even moeten inzoomen op zijn vroegste jeugd en zijn plaats in het gezin. Ook hier hebben veel biografen en journalisten zich vergrepen aan een overdosis psychologie van de koude grond. Al doen de professionals, met een diploma in de hand, dat meestal ook. Bowies zucht naar roem valt te verklaren uit het verwachtingspatroon van zijn vader. Vrien den, familie en zakenrelaties verklaarden allen dat vader John Jones te pas en te onpas rondbazuinde dat de kleine David later ‘fantastische dingen zou gaan doen’. Hij wilde absoluut dat zijn zoon een ster zou worden. Zijn moeder was daarentegen zo koud als ijs. Zijn vroegste herinneringen zijn dat hij in de kinderwagen op de gang werd gezet – een plek die hem doodsbang maakte. Het feit dat zijn moeder niet in staat was om enige warmte of andere moederlijke gevoelens te uiten, had verstrekkende gevolgen. Of zoals Bowie het zelf verwoordde in een interview: “Vanaf mijn vierde kon ik niet meer bij mijn gevoelens.” Voilà – de jeugd van een man die later obsessief een grootse carrière najaagde en die warmte zocht in de armen van vele honderden mannen en vrouwen. De warmte en aandacht die hij niet van zijn moeder kreeg, ontving hij wel in ruime mate van zijn vader, hoewel die liefde vooral leek op een stageplaats op weg naar de roem. John Jones, die in de showbizzwereld aan fondsenwerving deed voor liefdadige doeleinden, had een direct lijntje met vele sterren en sleepte de kleine David, handtekeningenboekje paraat, mee naar shows en concerten. Thuis kwam de showwereld bij hem binnen via de televisie, een medium waaraan hij totaal verslingerd was. Het was David die bepaalde wat en wanneer er werd gekeken. Een obsessie die we – als we The Man Who Fell to Earth tenminste als een sleutelroman willen lezen of bekijken – sterk vergroot terugvinden in de beeldverslaving van Thomas J. Newton. In de film zien we hem gekluisterd aan twaalf beeldschermen die allemaal een ander programma vertonen.

Maar misschien moeten we even bij het begin beginnen. Waar David Robert Jones werd geboren in de Londense wijk Brixton, landde het ruimteschip van Newton in de Amerikaanse staat Kentucky. Thomas J. Newton werd geboren in 1963, het jaar van de publicatie van The Man Who Fell to Earth, de inmiddels klassieke sciencefictionroman van Walter Tevis. Precies dat jaar begon ook de carrière van David Bowie, toen nog als David Jones, met het inzingen van achtergrondvocalen in het nummer I Never Dreamed van The Konrads. In zijn verhaal liet Tevis de alien Thomas J. Newton op aarde landen in 1984, het jaar waarin de auteur zelf overleed. Toeval? Vast wel. Noem het hineininterpretieren, maar soms is niets leuker dan dat. Bowies biografe Wendy Leigh, die vorig jaar Bowie, The Biography publiceerde, is er in ieder geval gek op. En over biografieën gesproken: op zijn beurt verklaarde Tevis ooit dat The Man Who Fell to Earth ‘een goed vermomde autobiografie’ was.
Hoe het ook zij: als Thomas J. Newton geen alter ego van Bowie is, dan had hij het kunnen zijn. Deze humanoïde alien, een soort Ziggy Stardust de Tweede, zat ook lang achter de make-uptafel om zichzelf als mens te vermommen. Nagels, tepels, beharing en contactlenzen om de verticale, katachtige pupillen te verbergen: net als Ziggy in vol ornaat – make-up, geverfde haren, extravagante kledij – was hij net zo nep als onweerstaanbaar. Dat regisseur Nicolas Roeg David Bowie voor deze rol wist te strikken mag een gouden greep worden genoemd. De fragiele, bijna doorzichtige figuur die Tevis in zijn roman beschrijft, is namelijk het evenbeeld van de popster die in die periode bijna zonder slaap leefde op seks, coke, koffie en nicotine. En dan was er ook nog dat andere, ongrijpbare aspect van Bowies persoonlijkheid. Wendy Leigh stuitte in haar onderzoek op een rake – waarschijnlijk apocriefe – uitspraak van de verloskundige die Robert David Jones ter wereld bracht. Toen zij de baby zag verbaasde zij zich over zijn knowing eyes die een vorm van otherworldliness uitstraalden. Haar conclusie was dan ook: dat ventje is hier weleens eerder geweest.

Fast forward naar 1984, het jaar dat Walter Tevis zijn buitenaardse held Thomas Jerome Newton op onze planeet liet landen. Voordat Newton een van de machtigste mannen op aarde werd voorzag hij in zijn levensonderhoud met het verpatsen van ringen – in de roman slechts één gouden ring met een diamant, in de film een hele bos – die hij bij wijze van betaalmiddel en startkapitaal mee had genomen van zijn geboorteplaneet Anthea. Zoals Newton leurt met ringen, probeert David Jones zijn vooralsnog beperkte talenten aan de man te brengen. Na zijn studiodebuut als achtergrondzanger in 1963 brengt hij met verschillende bands een handvol singles uit die allemaal floppen, een falen dat zijn vader met lede ogen moet hebben aangezien. Zijn queeste naar lichamelijke warmte en aandacht is meer succesvol. Zowel zijn elfachtige verschijning als zijn charisma straalden zoveel sensualiteit uit dat bijna niemand, jongen of meisje, hem kon weerstaan. Een wapen dat hij, naast een geslachtsdeel van naar verluidt indrukwekkend formaat, niet schroomde in te zetten in de vroege jaren van zijn, we citeren Angie Barnett, “casting couch career.”
Moet je een verbitterde ex serieus nemen wanneer zij beweert dat haar grote liefde zich een weg naar de top neukte? Toch diepte met name biografe Wendy Leigh vele getuigenissen op die Angies gifgroene woorden geloofwaardig maken. Bowie, zoals hij zich zou noemen – er was al een Davy Jones van The Monkees – was met zijn feminiene verschijning een ware magneet voor homoseksuele mannen. En aangezien de Britse muziekscene aan elkaar hing van de gays (denk aan Brian Epstein die de Beatles groot maakte), viel daar iets voor hem te halen. Als 17-jarige sliep hij met Ralph Horton, zijn manager, die er niet voor terugdeinsde om David aan te bieden als sekspeeltje in een voorstel aan rockmanager Simon Napier-Bell. Die laatste weigerde, overigens. Hortons kelder was een ontmoetingsplaats voor gays, waar iedereen uit de business samenkwam. Leni en Peter Gillman schrijven in hun boek Alias David Bowie “(-)er was een journalist die erin slaagde om met enige regelmaat stukjes over David in Melody Maker te krijgen.” Ook voeren zij een discjockey op die Bowieplaten zo vaak op de radio draaide dat het bijna gênant werd.
Ondanks de vele helpende handen kon Bowie zijn muziek maar niet aan de man brengen. The Laughing Gnome, zijn eerste solosingle, flopt. Ook zijn debuutalbum David Bowie, bijna een pastiche van het werk van Syd Barrett en Pink Floyd, deed zo goed als niets. Zoals later in zijn carrière meerdere malen zou blijken, had Bowie ook muzikaal gezien hulp van buitenaf nodig om zijn doel te bereiken. Geef David Bowie een primitief raamwerk of een karig prototype en hij maakt er een song van die de bedenkers van de oorspronkelijke songstructuur nooit hadden kunnen bedenken. ‘Geven’ is in dit geval een understatement. David Bowie ‘neemt’ of, zoals sommige musici met wie hij samenwerkte het liever noemen, David Bowie ‘steelt’. Twee jaar na zijn flops als soloartiest ‘nam’ hij de hit 1941 New York Mining Disaster van de Bee Gees en vormde die om tot Space Oddity, de eerste song op weg naar het succes. Ook voor The Man Who Sold the World, een album dat weleens het eerste échte Bowie-album wordt genoemd, gebruikt hij de talenten en ideeën van anderen als voedingsbodem voor zijn eigen creativiteit. Bassist, arrangeur en producer Tony Visconti – hij schold Bowie later uit voor ‘kuttekop’ – beschreef het wordingsproces als volgt. “De songs werden door ons vieren geschreven. Wij jamden en Bowie deed niet meer dan zeggen of hij het mooi vond of niet. Bowie lag dan samen met Angie op de bank en kwam er op het allerlaatste moment met tegenzin vanaf om even snel wat teksten te schrijven.” Het klinkt allemaal als muzikantenkinnesinne – en dat is het waarschijnlijk ook. Maar waar rook is, is vuur. Ook de cover van het album (Bowie, in een jurk, die in de stijl van de prerafaëlieten bevallig op een sofa hangt) kwam niet uit zijn koker. Het was Angie die inzag dat haar kersverse echtgenoot het met zijn muziek alleen niet zou maken. Zij creëerde het androgyne imago dat uiteindelijk zou leiden tot de onsterfelijke alien Ziggy Stardust.
Maar laten wij die andere alien, de ster van Lazarus en The Man Who Fell to Earth, niet uit het oog verliezen. Ook slaagt hij er aanvankelijk niet in om zijn waren aan de man te krijgen. Zijn gouden-ring-metdiamant brengt maar zestig dollar op en hij voelt zich, net als Bowie na zijn flops, behoorlijk bekocht. Ook Thomas J. Newton moet hulp van buitenaf inschakelen: hij heeft negen hoogwaardige technologische plannen van zijn planeet meegenomen waar zondermeer octrooi op aangevraagd kan worden – zóver zijn zij de tijd vooruit. Een cadeautje aan de aarde, zo lijkt het, van een planeet die wetenschappelijk gezien veel verder is dan wij. Newton, die nog niet ontmaskerd is als alien, wordt, net als Bowie, onthaald als een genie. Newton heeft in de personage van Betty Jo (MaryLou in de film) zijn eigen Angie gevonden. Betty Jo deed, net als Angie, alles voor de man in haar leven en kreeg daar, wederom net als Angie, geen liefde voor terug. Met zijn patenten wil Newton zoveel mogelijk geld verdienen – miljoenen zelfs, waarvoor precies wil hij niet onthullen. Dat alles gaat goed totdat hij Nathan Bryce in dienst neemt, een wetenschapper met een dubbele agenda, die aanvoelt dat er iets niet klopt.
David Bowie had zijn eigen Nathan Bryce. Door het tekenen van een contract met manager Tony Defries, verkocht hij zijn ziel aan de duivel. Defries maakte een ster van Bowie in Amerika, maar dat kostte zoveel geld dat er uiteindelijk, nadat deze rücksichtsloze zakenman zichzelf vorstelijk had beloond, niets meer van de verdiende miljoenen overbleef. Toch zouden Bowies ‘patenten’ op de popmuziek van de toekomst hun waarde blijven behouden. Met het eerste meesterwerk The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars tot aan het laatste grote werk Lodger – dat zijn er, toeval bestaat niet, negen op een rij – gaf David Bowie de wereld een muzikaal cadeau zonder weerga. Maar hoe grensverleggend, ontroerend of intelligent zijn muziek ook is: je hoort toch dat Bowie voornamelijk een merknaam is. In de rijke traditie van dat merk – Tony Defries had het tegen derden vaak over the product – konden ‘ontwerpers’ als Tony Visconti, Mike Ronson, Brian Eno of Nile Rodgers, onder het kritische oog van Bowie zelf, hun creativiteit de vrije loop laten. Zijn collaborateurs vergeleken hem dan ook vaak met een ekster, een geniale gauwdief die alles steelt wat maar glimt. Laat in een onbewaakt moment vallen dat je van plan bent om een coveralbum te maken, en Bowie heeft die plaat eerder uit dan jijzelf. Vraag het maar aan Brian Ferry die Bowie vertelde over zijn idee voor het coveralbum These Foolish Things, waarop ‘de ekster’ meteen de studio indook om Pin Ups op te nemen. Het adagium onder muzikanten luidde dan ook al snel: praat nooit over je plannen waar Bowie bij is. Het doel heiligt bij hem de middelen, beter goed gejat dan slecht gemaakt. Dat doel was bovendien altijd op de eerste plaats de roem, en in mindere mate de muziek. Een schreeuw van aandacht naar zijn kille moeder, en een met trots verworven status voor zijn lieve pa. In 1963 begon David Bowie met het veroveren van de wereld, een missie die na een jaar of vijftien zwoegen succesvol werd afgerond.
Slechter verliep het met zijn alter ego Thomas ‘Ziggy II’ Newton. Hij leek de wereld te verblijden met geschenken zonder weerga, maar ook hij was uit op totale wereldoverheersing. Door kernoorlogen en klimaatveranderingen waren er op zijn planeet Anthea nog maar driehonderd overlevenden over. Er was nog brandstof voor één man in een klein ruimteschip om een uitweg te vinden op aarde. Daar waren de omstandigheden optimaal om ruimteschepen te bouwen die de schaarse bevolking van Anthea naar dat beloofde land konden verhuizen. Daar zouden zij zich door hun superieure intelligentie al snel ontpoppen als wereldleiders op ieder gebied. Maar Nathan Bryce, Newtons Tony Defries, wist Newton – with a little help from the CIA – wél klein te krijgen. En waar Bowie zijn coke-, seks- en alcoholverslaving wist te overwinnen, verdronk Newton samen met Betty Joe langzaam in een zee vol flessen gin.
Toch blijkt ook Thomas J. Newton uiteindelijk alles te hebben overleefd, anders zou hij, in het lijf van Michael C. Hall, op 7 december niet het podium op kunnen lopen van de New York Theater Workshop. Als Lazarus zelve uit de dood verrezen. Dáár zullen Bowie en Thomas Jerome Newton elkaar eindelijk ontmoeten. Want het moet raar lopen als David Bowie hem na afloop van de première niet even de hand schudt./

Lazarus: New York Theater Workshop, New York. Previews vanaf 18 november, première 7 december. De box Five Years 1969-1973 verschijnt op 25 september bij Warner Music David Bowie is: Groninger Museum, 11 december 2015 t/m 13 maart 2016. Starman – Ratzke zingt Bowie: première 25 oktober, Leidse Schouwburg.

Ruud Meijer