Wilfried de Jong: ‘Ik hou zo godsgruwelijk veel van die bas’

In het leven van Wilfried de Jong is muziek van doorslaggevende betekenis geweest. In de pauzes van zijn klassieke gitaarles speelde hij stiekem jazz. Een nummer van Charlie Parker bracht na een ongeluk het gevoel terug in zijn benen. ‘Muziek is voor mij geen pretje, maar dodelijke ernst.’

Als twee kunstminnende Rotterdammers onder elkaar hebben we afgesproken in de espressobar van Boijmans Van Beuningen. Maar zo verstild als de kunst van Jheronimus Bosch cum suis, zo luidruchtig de geestdrift der bezoekers. Eén straat verder, aan de Eendrachtsweg, vinden we een rustiger onderkomen in de recent geopende sportsbar Panenka, genoemd naar de Tsjechische voetballer die geschiedenis schreef met een leep genomen penalty. Cultuur en sport: er zijn geen twee begrippen die Wilfried de Jong beter typeren. Toch laten we, ondanks de locatie, de sport links liggen. Dit verhaal gaat over muziek, en de cruciale rol die deze kunstvorm speelt in het leven van een van de markantste televisiepersoonlijkheden van Nederland.

“Ik kom uit een katholiek gezin – ik weet niet waarom ik dat zeg, maar dat maakt niet uit. Mijn vader was een diepvriesgroothandelaar en mijn moeder was gewoon thuis, met ons. Wij hadden een goed, maar eenvoudig bestaan. Mijn ouders waren niet per se heel cultureel: wij hadden tien platen staan. Daar zat Fons Jansen bij (want die zat in de familie), daar zat Frans Brüggen bij (want die zat óók in de familie). Die mensen kende ik ook, want die zag ik op feestjes. Dan blijven er nog acht platen over, zal ik maar zeggen, nou dan koop je Mozart en Beethoven, want mijn vader vond klassiek wel leuk. Voor hun eigen smaak waren zij aangewezen op Willem Duys, het muzikale geweten van Nederland. Als die zei: Toots Thielemans, dan kócht je Toots Thielemans, dus die hadden we ook. Dan had je natuurlijk Rogier van Otterloo en Rita Reys en Pim Jacobs en zo raakte het rijtje van tien al aardig vol. Daar begon het voor mij allemaal mee. Ik vond als kind Eine kleine Nachtmusik te gek, en dat draaide ik ook wel. En die grappen van Fons Jansen – ik zou het nou niet meer kopen, maar toen dacht ik: die zit wel mooi in de familie en hij staat voor volle zalen met zijn katholieke grappen.
“Dat was dus eigenlijk de muziek van mijn ouders. Daarna ging ik zoals ieder kind zelf plaatjes kopen. Pop. Spooky’s Day Off van de Swinging Soul Machine was een van mijn eerste singletjes. Een Rotterdamse band bovendien. En op de een of andere krankzinnige manier kwam Heintje met Heidschi Bumbeidschi daar ook bij. Misschien omdat mijn moeder dat ook mooi vond. Heintje die ‘Mama, je bent de liefste van de hele wereld’ zong. Maar ik was toen toch ook al iemand die snel de grenzen opzocht. Zo ging ik luisteren naar, kom, hoe heet die band ook alweer… Ik heb het laatst weer eens opgezocht op Spotify. Niet Supersister, maar zo’n Engelse band met bassist Hugh Hopper… Precies! Soft Machine! Hope for Happiness. Daar zat ik met rode oortjes naar te luisteren. Wij hadden een jongen op de middelbare school, van wie ik vermoedde dat-ie drugs gebruikte. Hoewel: hij blowde misschien alleen maar. Die draaide in de pauze sigaretten met van die lange, Amerikaanse vloeitjes. Hij zat een paar klassen hoger en in de pauze rookte hij die sigaretten. Ik zag dat en dacht: die jongen gebruikt dus drúgs. Dat relateerde ik aan die muziek. Grace Slick en nog meer van die dingen. Dus ik heb ook twee van die sigaretten gerookt. Ik hoestte me gek man! Ben er meteen mee gestopt; dat was niks voor mij. Maar ik was wel gefascineerd door de psychedelica in die muziek. Daarna raakte ik erg in Alquin en Focus. Gitaarhelden. Jan Akkerman vond ik een geweldige muzikant. Daar mag je nu nog geen kwaad woord over spreken.
“Toen ben ik gitaar gaan spelen. Ik kreeg klassieke gitaarles van de zoon van de muziekleraar van school. Maar een vriend van mij die tegenover mij woonde – ik woonde eerst in de Rotterdamse wijk 110-Morgen, later in Schiebroek – kreeg gitaarles van Luut Buijsman, de vader van John Buijsman, die in The Kilima Hawaiïans speelde. Luut kon waanzinnig jazzgitaar spelen. Al die akkoorden kende hij. Als ik bij die vriend kwam, dan liet hij me dit horen en dat horen. Dan dacht ik: godverdomme, dat klinkt allemaal zoveel spannender dan die dingen die ik leerde. Ik zat maar te klooien met een etudetje, met zo’n plankie onder m’n voet waarvan ik pijn in m’n lies kreeg, zodat ik met een slepend been terug naar huis moest lopen na de les. Van hem leerde ik dus stiekem die jazzakkoorden en ik kwam in aanraking met gitaristen als Gábor Szabó, Barney Kessel en Joe Pass. Die platen nam ik dan op, want ik had nog geen geld om ze te kopen. En omdat die mannen vaak in een trio met een bassist en een drummer speelden, begon ik ook naar die instrumenten te luisteren. Zo werd ik verliefd op het geluid van de contrabas.
“Samen met een vriend van mij, een schipperskind dat op een kamertje in Hillegersberg woonde, heb ik toen een contrabas gekocht van Chris Smildiger, die bassist in de Dutch Swing College Band was geweest. Die is vast al dood, of anders moet hij ondertussen 120 zijn. Ik had in de krant gelezen dat hij iets aanbood: een triplex bas, 750 gulden. Wij hebben ieder de helft betaald en dan hadden we om en om die bas: hij een week, ik een week. Dat was iedere week drie, vier kilometer te voet zeulen met die bas langs de Ringdijk en dan Schiebroek door. Zo ben ik in die bashoek terecht gekomen, zal ik maar zeggen. Die vriend raakte toen, nadat hij een tijdje met brushes op een telefoonboek had gespeeld, meer in de drumstellen. Die bas is toen bij mij blijven hangen. Ik heb toen les genomen bij een bassist van het Rotterdams Philharmonisch, strijkles, zat ik stom genoeg dus weer in die klassieke hoek. Vond ik wel mooi, maar thuis zat ik natuurlijk weer op die jazzplaten mee te plukken en ook als m’n leraar even naar de plee ging. Dan stond-ie natuurlijk stiekem aan de deur te luisteren en dan zei hij: wat deed je toch allemaal op die bas toen ik weg was? Nou een beetje jazz. Dat doe je hartstikke goed man! Dus ik had wel het gevoel dat ik mezelf weer aan het verloochenen was door van die klassieke lessen te nemen. Ja, en zo kan ik nog wel twee uur doorlullen over hoe ik met die contrabas helemaal in de jazz ben terechtgekomen.
“Helden had ik toen ook al. Als je een jongetje van zestien, zeventien bent, heb je op de een of andere manier altijd de behoefte om een virtuoos als held te hebben. Jan Akkerman had dat. En in de baswereld was dat Niels-Henning Ørsted Pedersen, die speelde met drie vingers, terwijl ik het amper kon met een. Pas later kom je erachter dat het daar niet in zit, in die virtuositeit. Dat ook mensen die knettervals zingen of blazen, gebrekkig muziek spelen, toch goeie muzikanten kunnen zijn. Het hoeft allemaal niet zo snel te zijn. Toen ik over jazz schreef voor Het Vrije Volk, mocht ik een keer een masterclass bijwonen van meesterbassist Ray Brown, die bekend stond om zijn big sound. Die zei op een gegeven moment: jullie denken natuurlijk dat ik zo klink vanwege die versterker, nou wacht maar… Toen trok hij alle kabeltjes eruit en met dat volledig akoestische geluid van hem vulde hij nog met gemak die hele ruimte. Hij vertelde dat vroeger die bigbands werden opgenomen met één microfoontje, dus je had maar te zorgen dat je te horen was. Je had gewoon zúlke klauwen en zúlke vingers nodig – en een goeie bas en snaren natuurlijk – om het te kunnen brengen.”

Heeft Wilfried de Jong, die zó met muziek bezig was, ooit de ambitie gehad om professioneel muzikant te worden? Van die vraag wordt hij even stil. “Ik denk dat je daar wel van droomt als je in je jeugd een instrument neemt. Zoals iemand met z’n ogen dicht een tennisracket bespeelt en denkt dat hij Jimi Hendrix is, dacht ik met mijn ogen open, naar m’n bas kijkend: nou, als ik zó blijf spelen… ik heb wel een goeie sound. Dat hoorde ik altijd wel wanneer ik stond te spelen: je hebt wel een mooi geluid. Maar mij ontbrak toch de vaardigheid die ik op platen hoorde. Wanneer ik met platen meespeelde dan miste ik toch iets. Ik mis – niet in mijn hoofd, maar in mijn lichaam – iets om het net zo te kunnen doen. Daar kwam ik al heel snel achter. Ik kon de tempi niet bijbenen, ik snapte die akkoordenschema’s niet helemaal en had geen zin om te leren hoe dat in elkaar stak. Tot op de dag van vandaag denk ik af en toe: wat dóen ze hier toch? Ik kan nog steeds met plezier met platen meespelen, maar na een uur denk ik toch vaak: man wat doe je toch? Je klooit maar wat aan! Het slaat echt nergens op. Ik ben ervan overtuigd dat mijn geluid goed is, maar voor de rest ben ik geen goeie bassist. Misschien ben ik ook een te actieve figuur om dat luie gevoel van die bas op te kunnen roepen. Misschien ben ik meer van de melodielijn. Ik hou zo godsgruwelijk veel van die bas. Ook bij het luisteren naar wat voor muziek dan ook zoek ik meteen weer die bas op.”
Niet alleen de bas in de jazz of de popmuziek heeft het hart van De Jong gestolen, ook de klassieke contrabas en zelfs de cello – ook zo’n mooi laag geluid – draagt hij mee in het hart. “Ik was een keer in Ravello, Italië, aan de Amalfi kust. Daar heb je een openluchtpodium dat zo’n vier-, vijfhonderd meter boven de baai hangt. Dan zie je het orkest zitten met daarachter gewoon de zee. Fantástisch is dat. Daar heb je ook een tuin, waar ook concerten waren en ik een cellosonate van Sjostakovitsj heb gehoord. Ik zat niet op zo’n beste plek want ik moest steeds om een struik heen kijken, maar dat maakte niet uit. In de laatste maten streek de cellist de hoogste snaar kapot. Beng! Dat was echt een geweerschot! Alsof er iemand een nekschot kreeg. Dat paardenhaar van zijn strijkstok had hij ook al los gespeeld en hij had ook zo’n wilde grijze haarbos: het was één grote harenpartij die door elkaar heen ging en in die laatste maten ineens pang! Dat zijn van die fantastische ervaringen, de combinatie van die plek, de lucht, vakantie, alcohol, lekker gegeten, met m’n vrouw samen, Sjostakovitsj – ah man! Dat was een sensationele muziekervaring, die je je leven lang met je meedraagt. Ieder dingetje geeft dan meer cachet aan zo’n stuk.
“Het begon met een neef die met een plaat van Sjostakovitsj aankwam. Hij hield van klassieke muziek en toen hij mij die opname liet horen, vond ik het ook wel intrigerend mooi. Ik hou het meest van muziek die ik niet helemaal begrijp. Dan komt daar zo’n ervaring in Ravello bij en dan ga je op YouTube zoeken en dan zie je dat Rostropovitsj en Casals ’m ook hebben gespeeld. Casals die soms met die pijp in z’n mond speelde. Dat is trouwens ook wel een mooi verhaal. Ik weet niet of die anekdote waar is, maar je moet ’m vooral niet checken, want daar is het verhaal te mooi voor. Casals klaagde op een gegeven moment over een raar bijgeluid in z’n cello, wist niet wat ermee aan de hand was. Dus die instrumentbouwer maakt ’m open en vindt een hele laag lucifers onderin. Die waren na het aansteken van die pijp in de f-gaten gevallen. Heeft-ie nog geluk gehad dat de boel niet in de hens is gevlogen. Dat zijn allemaal van die mooie dingen die bij een stuk gaan horen. Door die herinneringen of feitjes wil je er ook naar blijven luisteren. In echt goede muziek blijft altijd wel iets te ontdekken. Er zitten altijd wel geheimen in.

“Ik heb thuis van die elektrostatische speakers en een buizenversterker. Als je dan goed in het stereofonisch midden gaat zitten, dan is het net alsof de musici bij je thuis zijn. Dan zet ik een plaat voor de zevenenveertighonderdste keer op en dan ga ik bijvoorbeeld alleen naar de piano luisteren. Wat doet-ie daar? En waarom juist daar? Dat is een meditatieve bezigheid, een soort zelfonderzoek. Muziek is geen pretje. Muziek is voor mij dodelijke ernst. Waarom dit tempo en niet een ander? Waarom speelt Jaap van Zweden de vijfde symfonie van Sjostakovitsj nu in een pittiger tempo dan Leonard Bernstein in 1959? Waarom de persoon ‘Lenny’ Bernstein in wat hij ook dirigeerde altijd nadrukkelijk aanwezig was, en Van Zweden zich meer dienstbaar opstelt aan de partituur. “Het tempo vind ik sowieso fascinerend. Vooral in de jazz. Het aftikken vind ik eigenlijk het allermooiste. De metronomen zouden ze eigenlijk ritueel moeten verbranden. In de pop zie je steeds meer dat de drummers in hun koptelefoon een click horen. Dan tikken ze af op 79 BPM. Prima hoor, in die muziek, en in dance of house snap ik dat al helemaal. Maar bij de jazz ben ik altijd gefascineerd geweest over de manier waarop mensen aftellen. Ik heb daar ook allemaal van die mooie herinneringen aan. Bijvoorbeeld Dexter Gordon, de saxofonist die ik vaak live heb gezien. Die begon dan vast met zijn vingers te knippen om het juiste tempo te vinden, terwijl hij gewoon nog even stond te kletsen met de musici. Zo van, bij wijze van spreken, ‘moet je luisteren wat ik van de week heb ontdekt (knip, knip), die slager hier op de hoek heeft écht te gekke worstjes (knip, knip), en als je die nog een week laat hangen (knip, knip) dan zijn ze nóg lekkerder. En dan is het: three, four en pats, dan zitten ze er meteen in. Dan hebben ze de hartslag van het moment te pakken.
“Het mooiste aftellen heb ik gezien in de Doelen, toen Sonny Rollins er was. Dat was in ’79 of ’81. Hij startte met het stuk Little Lu, een soort calypso. Toen kwam hij zo opgelopen met z’n tenorsax en ik zat zo half aan de zijkant, dus ik kon zo schuin op het podium kijken. Hij ging met z’n rug naar het publiek staan, zó (De Jong staat op en voert een toneelstukje op van een man die gebogen, al grommend en kreunend, een traag drentelpasje op de plaats maakt), met van die dikke dijen en met een paar van grote gympen – zeg maar gerust zeeschepen – aan. Dat gruizige zingen van de melodie om het juiste tempo te vinden en dan ineens zich omdraaien en huppakee, dan was het er! De magie van het aftellen: fascinerend om te zien! De klik zit namelijk niet mechanisch in je koptelefoon. De klik is de interactie die je met de zaal hebt. Je kunt niet altijd in het zelfde tempo spelen. Het tempo is de klik van de muzikant met zijn publiek.

“A Swingin’ Aff air van tenorist Dexter Gordon was de eerste echte jazzplaat die ik kocht. Die had ik in zo’n kartonnen hoes, geen originele Blue Note, maar een reissue uit de jaren zeventig, maar toch… die plaat opende voor mij poorten. Na de gitaren en de contrabassen kwam voor mij toen de saxofoon echt binnen. Ik had hem voor het eerst horen spelen in jazzclub B14. Dat was toen nog bijna niet doorgegaan. De hele eerste set kwam hij niet opdagen, speelde alleen zijn trio. Tweede set: nog geen Dexter. Ik dacht: ’t zal toch niet waar zijn? Mijn held! Uiteindelijk kwam hij als een oud herfstblad de club binnen wapperen, stootte hij nog met zijn saxofoonkoff er tegen mijn knie aan. Ladderzat, maar toen hij ging spelen, wankel op die dunne beentjes, kwam het er toch allemaal uit. Ik denk dat het zijn laatste optreden in Rotterdam was. Toen hij in 1990 was overleden, hebben we een muurgrote blow-up laten maken van een foto die een vriend van mij, fotograaf Hans van der Pol (die vaak met mij meeging naar jazzconcerten in de tijd dat ik voor Het Vrije Volk schree) op North Sea Jazz had gemaakt. Die foto hebben we op hardboard laten drukken en toen zijn we ons, Van der Pol, Bolle Hans (een Rotterdamse jazzfreak) gaan indrinken. Vervolgens hebben we, stomdronken, die foto met ijzerdraad op de pui boven de ingang van B14 gehangen. Die heeft er een tijdje gehangen, maar op een gegeven moment was-ie weg. Dat gaf niet: wij hadden ons eerbetoon aan Dexter gedaan.
“Muziek kan ook helend zijn. Het gekste wat ik heb meegemaakt was – noem het maar voodoo, maar dat was het niet, het is natuurlijk gewoon toeval geweest – in mijn theatertijd. In 1994 ben ik tijdens een try-out van de show Naggelwauz met Waardenberg en De Jong een keer uit de nok van het theater zes meter naar beneden gelazerd. Heup gebroken, pols verbrijzeld, een moeder die bij me kwam zitten die zei: je had wel dood kunnen zijn, huilpartijen… Totaal van de kaart, zwaar aan de morfi ne, want de medicijnen sloegen niet aan. Na de operatie kwam ik bij. Ik was door die morfine in een soort land verzeild geraakt, ongelooflijk – eigenlijk zou ik nu zwaar aan de dope moeten zijn, prima spul was dat. Ik zat in een soort schemertoestand. Mijn benen waren nog gevoelloos, ik had een ruggeprik gehad ook. John Buijsman had mij de cd Charlie Parker with Strings gegeven en die had ik nog niet gedraaid, geloof ik. In ieder geval had ik onder mijn navel geen gevoel, mijn zak voelde ik niet, mijn benen voelden aan alsof ik bij een slagerij aan het vlees mocht zitten, het was niet van mij. Ik die cd erin gedaan, koptelefoon op – volgens mij is het eerste nummer April in Paris (zingt: tchadi dadie dadaaaa…). De strijkers beginnen, zetten de mood in en dan komt Parker erin. Nana nana nanaaaaa… En ik voel vanuit mijn tenen een langzame tinteling via m’n knieën en m’n ballen naar m’n buik; het gevoel kwam terug. Ik afkickend van de morfine. En Parker, een notoire junkie, die met zijn sax weer leven in mijn lichaam blaast. Ik kan dat nummer nog steeds niet opzetten zonder ergens stil in een hoekje te gaan zitten huilen.”/

Ruud Meijer