Blackwashing als alternatief voor toekomstige Oscar-boycots

Acht jaar geleden kreeg ik van mijn oma een kat. Of eigenlijk, als ik helemaal eerlijk ben, waren het er twee. Die waar ik het vandaag graag over wil hebben (ik zou het iedere dag wel over hem willen hebben, maar op een gegeven moment stoppen mensen met luisteren) is een zwarte Britse korthaar met goudkleurige ogen en bovengemiddeld dikke wangen. Ik besloot hem Zip te noemen, naar het aanstekelijke liedje Zip-a-Dee-Doo-Dah uit de Disneyfilm Song of the South (1946). De zanger, James Baskett, won voor zijn goedlachse vertellersrol als Uncle Remus een Oscar, en werd zo de allereerste zwarte man met een Academy Award.

Dat klinkt allemaal hartverwarmend, net als de tekst van het liedje (Zip-a-dee-doo-dah, zip-a-dee-ay. My, oh my, what a wonderful day. Plenty of sunshine headin’ my way, et cetera) maar het bleek allemaal wat controversiëler dan ik tijdens mijn naamkeuze vermoedde. De film, die ik zelf nooit zag, staat bol van de racistische stereotypen. Ook wordt het leven van Afro-Amerikanen in de zuidelijke staten in die tijd wel heel rooskleurig voorgesteld. Disney besloot in 1986 om hem niet opnieuw uit te brengen, al doende leert men. Zo noem ik mijn kat tegenwoordig vaak ‘De kapitein’.

In de filmwereld is men over het algemeen hardleers. “Hollywood is als de Rocky Mountains: hoe hoger je komt, hoe witter het wordt,” zei de Amerikaanse mensenrechtenactivist en televisiepersoonlijkheid Al Sharpton naar aanleiding van de Oscarnominaties van 2016. In de categorieën ‘Best Actor’ en ‘Best Actress’ is dit jaar bijvoorbeeld geen enkele niet-witte acteur genomineerd. Sommige genodigden, waaronder regisseur Spike Lee en acteurskoppel Will en Jada Pinkett Smith, kondigden daarom aan thuis te blijven op 28 februari. In de 88-jarige geschiedenis van de filmprijs wonnen slechts vier zwarte acteurs en één actrice (Halle Berry) een Oscar voor de beste hoofdrol. Aziaten, inheemse Amerikanen en latino’s vallen trouwens ook niet dikwijls in de prijzen.

Een van de vele oorzaken van de oogverblindende witheid van Hollywood, is het fenomeen whitewashing. Het zal weinig mensen ontgaan zijn dat Annie in de remake van de gelijknamige film uit 1982 geen roodharige met sproetjes is, maar een donker meisje met kroeshaar. Toen Idris Elba in de running was om de nieuwe James Bond te worden, werd over zijn geschiktheid (oftewel: zijn huidskleur) uitgebreid gedebatteerd. Anthony Horowitz, de schrijver van het laatste Bond-verhaal Trigger Mortis, noemde hem desgevraagd “too street” om de Britse geheim agent te spelen. Als niet-witte rollen daarentegen naar witte acteurs gaan, is de stilte oorverdovend.

Liam Neeson speelde in Batman Begins de Arabische Ra’s al Ghul. Christian Bale en Joel Edgerton werden na het aanbrengen van wat zwart oogpotlood geschikt bevonden om Mozes en Ramses te vertolken in Exodus: Gods and Kings. Jake Gyllenhaal is de Perzische prins in Prince of Persia: The Sands of Time. Het Harry Potter-personage Lavender Brown werd in eerdere films door twee verschillende zwarte actrices gespeeld, tot ze in een later deel het vriendinnetje van Ron Weasley wordt. Dan is ze ineens roomblank met blond zeemeerminnenhaar.

Maar er is ook positief nieuws. Deze zomer gaat in een Londens theater het stuk Harry Potter and the Cursed Child in première. Hermione wordt daarin gespeeld door de van oorsprong Swazilandse actrice Noma Dumezweni. Waarom? Waarom niet? Geestelijk moeder J.K. Rowling antwoordde op Twitter aan verontruste fans: ‘Canon: brown eyes, frizzy hair and very clever. White skin was never specified. Rowling loves black Hermione.’ Het wachten is nu op een Latijns-Amerikaanse Frodo Baggins, een Koreaanse Hannibal Lecter, een zwarte Carrie Bradshaw en natuurlijk alsnog Idris Elba als 007. Shaken, not stirred. Ik zou kijken. En met een beetje goede wil pakt James Bond meteen zijn eerste Oscar.