De race naar het perfecte lijf

Onlangs las ik bij toeval het volgende bericht in een Telegraaf uit 2010: ‘Eergisteren is de dikste Nederlander overleden. Hij bereikte een gewicht van 350 kilo en mocht zichzelf daarmee met twijfelachtige trots Nederlands’ dikste noemen.’ Ik bespaar jullie de verdere details rondom zijn overgewicht, maar feit is wel dat ik op het moment van zijn overlijden mijn eigen maximale gewicht bereikte: maar liefst 127 kilogram, schoon aan de haak.

Mijn ooit zo prachtige lijf was uitgedijd tot vorstelijke omvang – mijn onderarmen leken op die van tante Leen, mijn buik hing tot ver over mijn riem, en mijn conditie was ernstig beroerd te noemen. Ik werkte in die periode gemiddeld vijftien uur per dag, zes dagen per week als kok in topkeukens. Topsport zou je denken: ik stond de hele dag op mijn benen en verrichte zware arbeid.

Er stond een grote nauwkeurige deegweegschaal bij de patisserie-afdeling van restaurant Trantris** in München, en elke week checkte in daar mijn gewicht. Tot mijn grote verbazing nam dat gewicht niet af, maar juist wekelijks toe. Ik was al fors voordat ik naar Duitsland vertrok, maar nu ging de meter richting morbide obesitas. Ik werkte me uit de naad, en als beloning voor dat harde werken genoot ik twee flinke warme maaltijden per dag (eentje om elf uur ’s ochtends, en eentje om half zes ‘s avonds, plus een paar liter frisdrank gedurende de dag), en wat ik ’s avonds na het servies nog aan lekkernijen wegsnaaide: vele onverkocht gebleven edoch reeds geopende oesters (van de vijftien werkzame koks, was ik de enige die oesters lustte) grote hoeveelheden steak tartare met zuurdesembrood die waren overgebleven, zelfgemaakte pasta met boter en truffel en allerhande dubbelgemaakte opgemaakte bordjes geweldig eten die verkeerd waren uitgevraagd.

Op het eind van de lange avond kwamen ook nog eens de soufflémannen langs, die bij elke soufflé-ronde steevast twee of drie extra soufflé’s (de zoete varianten, welteverstaan) op mijn werkbank zetten, en de mooiste aan de gasten in het restaurant uitserveerden. Ik mocht de rest naar binnen stouwen. Last but not least stond er een slagroommachine naast mijn werkplek, waar onbeperkt geslagen room uitkwam, en ik de vele koffie die ik er dronk mee opleukte. In amper drie maanden tijd bleek ik een kleine 13 kilo aangekomen, en woog maar liefst 127 kilogram. Never trust a skinny cook. Maar het oog wilde ook wat, en ik voelde me totaal ongemakkelijk in dat zware lijf.

Eenmaal terug in Nederland besloot ik het roer om te gooien en mijn overgewicht drastisch aan te pakken. Ik ging net zo fanatiek sporten als ik had gewerkt en gegeten. En vandaag op de kop af vier jaar geleden ontdekte ik de sportschool. Sindsdien ga ik dagelijks – ’s ochtends een uur work-out, ’s middags (als mijn agenda dat tenminste toelaat) een ruim uur cardio. Ik probeer geen dag over te slaan, en als de sportschool op feestdagen gesloten is, ben ik zelfs somber gestemd. Ik geef het toe: ik ben totaal verslaafd. Je zult het niet geloven, maar ik ben inmiddels één bonk spieren. Mijn gewicht zit inmiddels op acceptabel niveau – 95 kg – al zou ik er graag nog een kilootje of tien af trainen.

Maar ik heb mijn lichaam weer redelijk strak weten te krijgen terwijl ik niets of weinig laat staan. Ik doe niet aan diëten, let niet op de calorieën en laat niks staan, en heb ook mijn alcoholverbruik niet of nauwelijks gematigd. Maar ik verbrand tegenwoordig kennelijk net zo veel als dat ik consumeer. Ik weet zeker dat ik die tien kilo eraf kan krijgen in de race naar het perfecte lijf, maar de vraag is of ik dat er wel voor over heb. Want nog harder trainen is onverstandig, en bovendien zou ik dan mijn consumptiegedrag werkelijk moeten gaan aanpassen. Ik heb gelukkig het tij weten te keren, voordat mijn gewicht onomkeerbaar gevaarlijk werd. Dik zijn zit in de genen, hoor je steeds, maar daar geloof ik niks van. Eten en verbranding zit in de genen, dat weet ik zeker. Maar wat als je zo dik bent dat je niet meer kunt verbranden?

Op internet vond ik een lijst met de tien dikste mensen die ooit hebben geleefd. Walter Hudson bijvoorbeeld woog 544 kg. Zijn dagelijkse dieet bestond uit twee dozen met worsten, een pond bacon, twaalf eieren, een heel brood, vier hamburgers, en vier cheeseburgers, acht grote porties friet, drie steaks of twee kippen, vier gebakken aardappels, vier zoete aardappels, een cake, en vier stronken brocolli. En hij dronk ook nog zeventien liter frisdrank per dag. Of neem John Brower Minnoch, de dikste man ooit, van maar liefst 634 kg. Klik hier voor de volledige lijst en huiver.