Hoe Jaap van Zweden zoete wraak nam

Over timing gesproken. Een dag voordat de AVROTROS de eerste aflevering uitzond in de documentairereeks over dirigent Jaap van Zweden werd zijn benoeming in New York wereldnieuws. De wraak van Jaap van Zweden is zoet.

‘Wacht maar af, jongen. Ik weet niet waar dit avontuur eindigt. The sky lijkt the limit.‘ Als een opgewonden jochie, het hoofd rood aangelopen, staat Jaap van Zweden in de hal van zijn Gooise villa. ‘New York’, zeg ik om hem een beetje te provoceren. De kleine man in de grote hal, waar alles blinkt en glimt, knikt. Zijn ogen glinsteren ook. Hij zegt: ‘Zoals het nu gaat sluit ik niets meer uit. Zelfs New York niet. Wacht maar af, jongen.’

Het was zo’n moment, een jaar of tien geleden, dat je als interviewer in je schoot geworpen krijgt. Zo’n moment dat je nooit meer vergeet, omdat je plots een blik op de horizon geworpen krijgt. Alsof de deur naar de toekomst even op een kier wordt gezet. En nu is er dan het nieuws dat Jaap van Zweden is benoemd tot chefdirigent van de New York Philharmonic Orchestra. Even heb ik het gevoel dat ik tien jaar geleden in een glazen bol heb mogen kijken. Ik kan dus niet zeggen dat het nieuws mij verrast. Het heeft meer weg van een déjà vu.

Het is het sprookje van de Amsterdamse jongen en the American Dream. Als achttienjarige knaap werd hij door Haitink in het Koninklijk Concertgebouworkest als eerste violist geparachuteerd. Het was het begin van een zware, maar lange verbintenis. “Ik moest ongelofelijk op mijn tenen lopen om mijzelf als jochie te bewijzen in dat orkest van oudere heren,” zei Van Zweden. “Een deel van het orkest was met mij, maar een groot deel van de oudere garde zag mij helemaal niet zitten en dat voelde ik elke dag.”

Het werken met al die grote dirigenten maakte iets in hem wakker. Iets van: dat kan ik ook. Toen Leonard Bernstein hem op een dag tijdens een repetitie vroeg even het orkest te dirigeren omdat hij in de zaal naar de orkestklank wilde luisteren greep Van Zweden schoorvoetend zijn kans. Vanaf dat moment was het hek van de dam. Een tijdje later hing Jaap zijn viool aan de wilgen en ging dirigeren: eerst het Orkest van Oosten, toen het Residentie Orkest en later het Radio Filharmonisch Orkest.

Mahler
Nu hij de olympische status heeft bereikt zijn er in het Amsterdamse weinig tegengeluiden meer te horen, maar feit is dat zijn dirigenten-flirt binnen de kring van het Concertgebouworkest destijds nauwelijks serieus genomen werden. Van Zweden: ‘Toen ik het orkest verliet om een dirigentencarrière te beginnen, zeiden veel mensen daar: ‘Dat wordt helemaal niks! Jaap heeft het in zijn bol. Achteraf ben ik ze dankbaar. Voor mij was het een extra reden om te bewijzen dat ik het wel kon.’ En nu heeft hij dus zijn ultieme wraak genomen. Als chef in New York treedt hij toe in het rijtje van grote maestro’s als Gustav Mahler, Arturo Toscanini, Bruno Walter, Leopold Stokowski, George Szell, Pierre Boulez, Lorin Maazel en Leonard Bernstein.

Lebrecht
Windeieren zal de overstap van Dallas naar New York hem niet leggen, want in Dallas was hij al goed voor 1,5 miljoen dollar op jaarbasis. Althans, dat beweert de gezaghebbende internationale muziekcriticus Norman Lebrecht. Lebrecht, die van negativisme zijn handelsmerk heeft gemaakt, was er eergisteren ook als de kippen bij om de keuze van New York onderuit te schoffelen met een artikel onder de kop New York appoints the wrong music director.

Een ongefundeerd artikel waarin de schrijver zich baseert op boterzachte argumenten en drogredenen als ‘zijn naam past niet in het rijtje’ en ‘een maestro met middelmatige kwaliteiten’. Wie echter ooit zag – en dat deed ik – hoe Jaap een stelletje losgeslagen Zuid-Amerikanen (Symfonieorkest van Buenos Aires) in het gareel dwong weet wel beter. Wie het met eigen ogen wil zien moet maar eens naar de zevendelige documentaire Een Hollandse Maestro op wereldtournee kijken die momenteel door de AVROTROS wordt uitgezonden.

De eerste aflevering, donderdagavond, wierp in elk geval al een verhelderende blik op zijn enorme talent. De mengeling van bewondering en weerstand die Jaap bij de musici van het Dallas Symphony Orchestra door zijn extreem hoge eisen en genadeloze gedrevenheid oproept levert niet alleen prachtige muziek op, maar ook meeslepende televisie. Dirigenten als Jaap, die in staat zijn om een orkest boven zichzelf uit te tillen, zijn op één hand te tellen. Wie Jaap zijn succes niet gunt is ziende blind of horende doof.

Rest natuurlijk de vraag of er na New York nog leven is voor Jaap. Tegen die tijd is de ‘ouwe hap’ wel uit het KCO verdwenen en daarmee ook de persoonlijke gevoeligheden en ‘open wonden’. Het zou mij niets verbazen als de verloren zoon dan alsnog terugkeert naar het Concertgebouwplein. De wraak kan altijd zoeter.

Oswin Schneeweisz