Geen streeftijd op je eerste marathon? Wat een onzin

Je moet bij een trainingsclubje gaan, je moet niet te snel te veel willen trainen en als het dan zo ver is moet je vooral geen streeftijd hebben, je moet ‘m gewoon uit willen lopen. Zomaar een paar tips die je, niet altijd gevraagd, van ervaren lopers krijgt als je voor het eerst een marathon wil gaan lopen. Een aantal wil ik best geloven. Maar geen streeftijd? Dat lijkt me onzin.

Allereerst omdat het volgens mij niet goed is om als hardloper eenzelfde instelling te hebben als mijn moeder. Niet dat die slecht is, zeker niet. Maar ze zei ooit over de marathon van New York: “Oh ja, maar die loop ik ook zo.” Daarmee doelde ze – fanatiek wandelaar – op de limiet die de organisatie heeft gesteld: binnen 8,5 uur moet je over de finish zijn. En dat haal je inderdaad met een gemiddeld wandeltempo ook nog prima.

Realistische verwachtingen 
Maar goed, nu gaat het dus om hardlopen. En dan wil je toch wat, op zo’n marathon. Er schoot mij een vergelijking met een voetbalwedstrijd te binnen tussen, zeg, Ajax en Barcelona. Ajax moet bij zo’n wedstrijd van tevoren wel realistische verwachtingen hebben. Een gelijkspelletje zou mooi zijn. Winst geweldig (en niet eens onmogelijk, zo bleek al eerder). Verlies? Tja. Dan heb je misschien een lekkere wedstrijd gespeeld, maar je houdt er toch een rotgevoel aan over. Ook al weet je dat je je niet hoeft te schamen, omdat ‘hun’ gewoon beter zijn.

Mijn ‘gelijkspelletje’ ligt bij 4 uur deze eerste marathon. En ik geef toe, ik zou liever nog een scherpere streeftijd hebben. Want, zo legde iemand me tijdens een trainingsloop vorige week uit, je marathontijd is: je tijd van de halve marathon keer twee, plus 15 minuten. Dan zou ik uitkomen op zo’n 3 uur en 45 minuten. Maar ik word tegelijkertijd gewaarschuwd dat ik van tevoren niet kan inschatten hoe mijn lichaam reageert op een hele marathon, dat een hele niet zomaar twee keer een halve is, dat de wedstrijd pas bij 35 kilometer begint en dat je zo goed als zeker onderweg de man met de hamer gaat tegenkomen.

Reserve
Toch lijkt een tijd van onder de 4 uur me wel haalbaar. Maar is dat nou slim, tegen het advies van de ervaringsdeskundigen ingaan? Tja, mijn ervaring leert me dat ‘tips’ van andere hardlopers niet altijd per definitie ook op mij van toepassing zijn. Aan de start van de halve marathon in Egmond hoorde ik de ene hardloper de andere waarschuwen: “Je moet voor het eind wel echt een reserve overhouden, want daar ga je nog een verschrikkelijk stuk omhoog, ik ging vorig jaar helemaal stuk.” Ik ben 20 kilometer lang bang geweest voor die ‘verschrikkelijke’ laatste klim. Of nee, 21 km lang. Want net voor de finish kwam ik erachter dat ik ‘m had overleefd zonder erbij stil te staan – letterlijk en figuurlijk.

Bovendien verzuip je dus in de adviezen die je krijgt. Ze kunnen gewoon niet allemaal waar zijn. Laatst toen ik nieuwe hardloopschoenen kocht, adviseerde de verkoper eerst een paar korte trainingen te lopen op mijn nieuwe aankoop, op een rustig tempo. Vooral géén wedstrijd. Want wat nou als de schoenen toch niet goed zaten? De volgende dag liep ik er een wedstrijd van 15 kilometer als een zonnetje op en in een dik persoonlijk record. Want schoenen lopen toch goed of niet? Als je er geen 15 kilometer op kan lopen, was het gewoon een miskoop. En dan kan je daar eigenlijk ook maar beter zo snel mogelijk achter komen.

Heel erg
Maar goed, natuurlijk ben ik best bang dat er tijdens de marathon een punt komt dat mijn lichaam niet meer wil of niet meer kan. “Ik weet niet wat me overkwam, maar het was echt, echt, echt heel erg.” Aldus Erben Wennemars na zijn eerste marathon, over het moment dat hij de 30 kilometer passeerde.

Toch ben ik banger om over de finish te komen en te denken: dat had eigenlijk wel iets harder gekund. “Je haalt het toch wel binnen 3,5 uur? De halve loop je ook makkelijk in 1.45”, zei een bekende afgelopen week tegen me. Mijn reactie? “Ja maar een hele is dus niet zomaar twee keer een halve.” Was getekend, een irritante ervaringsdeskundige in wording.