Tranen om een moteurreke in de pratsj

De hele zondag ging het over een motortje. Het nieuws was een dag oud, maar de details van de ramp (zo noemde iedereen het, en als iedereen het zo noemt, dan is het ook zo) sijpelden in de loop van de ochtend door. Foto’s van een te grote onderbuis. Verhalen over de broer, een EPO-oen. Beelden van een bestijging van de Koppenberg: een meisje van 19, ploegend door de modder met de gezwindheid van Quintana die een vluchtheuvel beklimt.

Wat Wout van Aert, Lars van der Haar, Sven Nys en Mathieu van der Poel ook probeerden: het was de zondag van Femke van den Driessche.

Een vergissing
Steeds opnieuw bekeek ik het gesprek tussen het meisje van negentien, haar vader en de grootinquisiteur die door de Belgische omroep naar de keukentafel van het meest gemotoriseerde talent van de Belgische cyclocross was gestuurd.
Je gaat op rare dingen letten, bij zo’n gesprek. Hoe kijkt iemand? Hoe klinkt iemand? Ziet de keuken eruit als de keuken van een bedriegersfamilie?
De vader, een man die het perfecte midden hield tussen Lambik en Jerom, staarde naar het hout van het tafelblad. Zijn gezicht vertoonde de uitdrukking die matige acteurs opzetten vlak voor ze in een verhoor tot een bekentenis overgaan. Af en toe veegde hij met zijn handen over zijn gezicht, maar niet voordat hij ze uitvoerig in de onschuld van zijn dochter had gewassen. In de ogen van Femke – de dader, het slachtoffer, de argeloze voorbijganger, of alles tegelijk? – stond slechts wanhoop te lezen. Met haar rechterhand bewoog ze de ring aan de vinger van haar linkerhand razendsnel op en neer, de camera kon het niet laten er even kort op in te zoomen.
De fiets, de fiets met het moteurreke, die was dus niet van Femke. Hij was van een vriend, of van een verzorger, of van een verzorgende vriend of een vriendelijke verzorger. Die had ‘m van haar gekocht, vorig jaar al.
En die vriend was precies even lang als zij?
Ja, precies even lang. Ongelooflijk. En die had er dus kennelijk een moteurreke in laten zetten, om Femke op trainingen bij te kunnen houden, want die Femke, die ging dus al het hele jaar ongemotoriseerd als de brandweer. En kennelijk had die vriend z’n fiets in een vlaag van verstandsverbijstering tegen de bus gezet. En toen was er een andere vriend die gedacht moet hebben: potdomme, dat is Femkes fiets. Snel schoonspuiten en klaarzetten, want anders zit ze zo zonder. En precies op dat moment kwam er zo’n UCI-ei langs om de fietsen te controleren. Ja, lap.
Zo ongeveer moet het gegaan zijn.
Op de vraag of Femkes carrière er nu op zat, wreef haar vader nog maar eens over zijn kale schedel. Zijn dochter begon te huilen.
‘Ja,’ zei ze, ‘denk het wel.’
Dit was onversneden verdriet. De vraag was alleen: waar kwam dat verdriet vandaan? Was het spijt, schrik of oprechte ontreddering?
Er is, zo stelde Femke van den Driessche snikkend vast, een vergissing gebeurd. Mooi woord, vergissing.
‘Buurman, mijn hele voordeur zit vol met stront. En omdat u vorige week nog aankondigde mijn voordeur vol stront te smeren als ik mijn hond nog eens voor uw deur zou laten poepen en omdat mijn vrouw u bezig heeft gezien terwijl u iets bruins over mijn voordeur aan het uitsmeren was, vroeg ik mij af: weet u daar misschien iets van?’
‘Tja buurman, het enige wat ik kan zeggen, is dat er een vergissing is gebeurd.’

De Grote Mathieu van der Poel-Modderrevue
De hele zondag dacht ik aan Femkes tranen. Het hele geval had iets lachwekkends, maar ik werd er toch vooral een beetje droef van. Zelfs de beelden van Adam Toupalik, die toch z’n uiterste best deed om me op te beuren door bij de beloftenwedstrijd een ronde te vroeg te juichen en daarmee Hilbert van der Duim voor altijd uit de geschiedenisboeken gumde, hielpen niet.
Pas halverwege de als De Grote Mathieu van der Poel-Modderrevue aangekondigde profkoers, klaarde ik weer wat op.
Waarvan, vraagt u?
Van Michel Wuyts, die chauvinisme en erotiek weer eens virtuoos aan elkaar breide: ‘Onze Wout, kijk toch eens. Die benen… Wat liggen die spierenbundels daar pezig op. Hmmm.’
Van het spandoekje “Nieuw buffet bij Veerle”, waardoor ik niet langer aan Femke dacht, maar aan een breedheupige Zolderse die ergens voor drieduizend dronken supporters zingend muffins stond te bakken.
Van Renaat Schotte, die ergens langs het parkoers langzaam wegzakte in de pratsj en tegen de Belgische bondscoach Rudy de Bie de onsterfelijke woorden ‘Rudy, zes, da’s vier plus twee’ sprak.
Van het woord risicorijkdom – twee keer geturfd.
Van Wout van Aert, de moddervreter met het gezicht van de medewerker van de maand van een Leuvens kinderdagverblijf en het kapsel van een Backstreet Boy.
Maar het meest van al knapte ik op van Sven Nys. Het was Sven Nys’ achttiende en laatste wereldkampioenschap en zo reed hij ook, alsof er geen morgen meer was. Uiteindelijk werd hij vierde, een plaats die hij aanvaardde met de dankbaarheid van een zwerfparkietje dat bij toeval een zangzaadfabriek binnenvliegt. Hij nam afscheid als Sinterklaas en de paus tegelijk en plofte daarna neer naast presentator Karl Vannieuwkerke. Plots leken ze sprekend op elkaar, Nys en Vannieuwkerke, als twee modderstroken op eenzelfde parkoers.
En toen begon Sven Nys te wenen.
‘Ik kan mij geen mooier einde wensen,’ simde hij.

Het volgende moment, bij de podiumceremonie, deed het vervaarlijke trillen van de lip van de nummer twee Lars van der Haar vermoeden dat er nog meer tranen aan zaten te komen. En verdomd, daar keerden de gedachten al terug naar Femke van den Driessche, die ergens in Vlaanderen met haar vader en een advocaat aan de keukentafel zat en die af en toe een blik wierp op de televisie in de hoek van de kamer.