Robbert Dijkgraaf: ‘Armoede en onrecht bestaan over vijfhonderd jaar niet meer’

Niemand legt het belang van het higgsdeeltje of de snaartheorie beter uit dan professor Robbert Dijkgraaf. Zijn kennis van de wetenschap maakt hem tot een aartsoptimist.

Robbert Dijkgraaf (56) loopt, al lijkt hij meer te zweven, door het Science Park van de Universiteit van Amsterdam, waar hij universiteitshoogleraar is. Hij is kort in Nederland. “Het is nu als student geloof ik wel cool om hier rond te lopen. Dat was een paar jaar geleden anders.” Dijkgraaf, de doctor cool van de wetenschap die voor uitverkochte zalen zorgt bij DWDD University en dankzij wie zwarte gaten tegenwoordig ‘hot’ zijn, is te bescheiden om zijn rol daarin te benoemen.
Zijn uiterlijk heeft iets lucides, als hij spreekt oogt hij lichtjes gehypnotiseerd. Hij lijkt van een andere wereld. En dat is hij eigenlijk ook.
Dijkgraaf maakte naam in de snaartheorie – letterlijk, zo is er onder meer de Dijkgraaf-Vafatheorie. De snaartheorie, die deeltjes voorstelt als kleine trillende elastiekjes, is de belangrijkste kandidaat om alle deeltjes en krachten in de natuur te beschrijven. Ze verenigt de algemene relativiteitstheorie en de quantummechanica, die elkaar hier en daar tegenspreken, tot één theorie. Ook behoort Dijkgraaf tot de paar honderd mensen ter wereld die de M-theorie begrijpen, de overkoepelende beschrijving van de verschillende snaartheorieën. Deze werden tot het tot stand komen van de M-theorie gezien als losstaande theorieën waarvan er maar één kon kloppen. Op het Institute for Advanced Study (IAS) op Princeton, dat hij bestuurt en waar sinds de oprichting de knapste koppen van de wereld resideren, woont hij in de oude residentie van Robert Oppenheimer (de ‘vader van de atoombom’) en speelt hij op Albert Einsteins piano. En hij is een van de weinigen op aard die voor ons normale stervelingen op begrijpelijke en vermakelijke wijze kan vertalen wat er in de wis- en natuurkunde gebeurt.
Je zet hem naar eigen zeggen ‘makkelijk aan’, en dan vertelt hij raak. Een lachje. “Maar als ze me willen uitzetten: waar zit de knop?”

Jojanneke van den Berge