Rauwe Belgische koppen in misdaaddrama D’Ardennen

Het International Film Festival Rotterdam zorgt tijdens en vlak na het festival voor een groot aantal mooie bioscoopreleases. Deze week in de bioscopen: rauwe ellende uit België en de hogere sferen in Thailand.

D’Ardennen (****)
Het sociaal-realisme lijkt tegenwoordig wel een handelsmerk van de Belgische cinema. Niet alleen films van Luc en Jean-Pierre Dardennes (Le gamin au velo, La promesse, L’enfant) maar ook nieuwere titels als Rundskop, Le dernier coup de marteau en The Broken Circle Breakdown tonen dat filmmakers graag het rauwe randje van de Belgische samenleving laten zien: ellendig, met kleine sprankjes hoop.

Ook in D’Ardennen zien we dit vanaf het eerste shot terug: harde afgeleefde Belgische koppen die zich in een grauwe industriestad staande proberen te houden. Het is het verhaal van twee broers die tot elkaar veroordeeld zijn: Dave en Kenny. Jaren geleden pleegden ze een overval, waarbij alleen Kenny werd opgepakt en veroordeeld. Als hij na vier jaar vrijkomt, denkt Kenny zijn leven op te kunnen pakken. Dan ontdekt hij dat Dave zijn vriendin Sylvie (een mooie rol van Veerle Baetens) heeft overgenomen. Ook het criminele milieu blijft lonken.

Een afgekickt en clean persoon is veel minder interessant voor een dramatisch verhaal, moet ook schrijver en acteur Jeroen Perceval hebben gedacht. Hij schreef het toneelstuk waar de film op is gebaseerd en neemt de rol van Dave op zich. De cast is één van de sterkste punten van D’Ardennen. De drie hoofdpersonen, aangevuld door een ijzingwekkende Stef de Volder (de vreemdeling uit Borgman) weten de film tot het eind te dragen.

Het scenario zwalkt wat. De omslag van een grimmig drama naar een thriller zagen we eerder al in Rundskop, maar voelt in deze film wat geforceerd. Met zijn speelfilmdebuut laat regisseur Robin Pront echter zien een nieuw talent te zijn in de Belgische cinema.

En de titel, denkt u? Die wordt meteen aan het begin al verklaard als de twee broers een kerstboom in de woonkamer van hun oude moeder planten. Zo was het vroeger ook, net als de weekendjes in de Ardennen. Nostalgie als voedingsbodem voor een onophoudelijke zoektocht in ontspoord leven. Sommige verhaalclichés zijn te mooi om te negeren.

Cemetery of Splendor (*****)
In 2010 veroverde de Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul (bijnaam: Joe) met het dromerige en magisch-realistische Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives het internationale festivalcircuit. Het was de eerste Thaise film ooit die een Gouden Palm – de hoogste onderscheiding – op het filmfestival in Cannes won.

Het was Weerasethakuls doorbraak, maar niet zijn eerste film. In 2002 won hij met Blissfully Yours al de prijs Un Certain Regard tijdens in Cannes en ook zijn films Tropical Malady (2004) en Syndromes and a Century (2006) vielen goed bij pers en festivalpubliek. Laatstgenoemde titel mocht echter van de Thais Censorship Board alleen worden vertoond als er vier scènes uit geknipt zouden worden. De relatie met de Thaise overheid blijft voor Weerasethakul sinds die tijd moeizaam. Met andere regisseurs startte hij de Free Thai Cinema Movement. Tevergeefs, een censuursysteem bestaat er nog steeds.

En zo kritisch naar de regering zijn de films van Weerasethakul niets eens, althans, niet expliciet. In zijn nieuwste film, Cemetery of Splendour, staat een klein dorp symbool voor het hele land. Een paar gebouwen – school, ziekenhuis, bibliotheek – vormen samen een microkosmos van Thailand. Weerasethakuls wereld zit vol dromen en geesten maar er zit ook meer achter. Het provisorische ziekenhuis bevindt zich in een oude school, die weer staat op heilige grond van een oude koninklijke begraafplaats. In het ziekenhuis worden soldaten met speciale lampen behoed voor nachtmerries. In de tuin eromheen praten twee godinnen van Laos met dorpsgenoten, temidden van gebroken standbeelden en filosofische teksten die tegen bomen zijn gespijkerd. De gesprekken zijn zo alledaags en terloops, dat de film een prettige lichtheid krijgt. Zo wordt het mystieke aan het aardse gekoppeld en zien we zowel iemand poepen in het gras als iemand over het hogere mijmeren in een tempel.

Met prachtige, lang aangehouden shots en de rust van natuur- en omgevingsgeluiden die door de open ramen de gebouwen in komen zweven, toont Weerasethakul zich een meester in het overbrengen van cinema die wil aanzetten tot nadenken, maar ook wil troosten en prikkelen. Want uiteindelijk is het een kabelmaatschappij die de heilige grond openwoelt, met toestemmimng van de autoriteiten. De impliciete boodschap, daarmee toont Weerasethakul zich meestercineast.