Paulien Cornelisse: ‘Getalenteerde vrouwen faciliteren nog vaak anderen. Zonde.’

Paulien Cornelisse (Amsterdam, 1976) is schrijver en cabaretier. Haar voorstelling Maar ondertussen is in februari nog dertien keer te zien. Van haar boek Taal is zeg maar echt mijn ding werden meer dan een half miljoen exemplaren verkocht en in april komt haar fictiedebuut De verwarde cavia uit.

Wat is uw huidige gemoeds­toestand?
Ik ben heel verkouden en heb vorige week een stukje van mijn pink afgesneden, maar toch voel ik me best oké.

Wie zijn uw helden?
Eddie Izzard, Nora Ephron, Renate Rubinstein, Karel van het Reve, Annie M.G. Schmidt, allemaal gevoelige mensen met humor.

Aan wie ergert u zich?
Ik erger me best vaak aan mezelf. Vooral als ik gewoon gezellig mee blijf praten terwijl ik eigenlijk kwaad ben. Ik weet niet of dat beleefdheid of lafheid is, maar ik vermoed alle twee.

Lijkt u op uw moeder?
Ja. Laatst vertelde ze over een droom waarin er twee soorten vrouwen op een evenement waren: de ene droeg haar tas over de schouder en de andere hield hem in haar hand. In die droom probeerde mijn moeder te bedenken wat dat over die vrouwen zei. Die met de tas over hun schouder bleken bijvoorbeeld wat rechtser. Precies zo’n droom had ik ook kunnen hebben.