Frank Boeijen: ‘Ik heb in mijn leven één keer gehuild om een kunstwerk’

Frank Boeijen (1957) is componist en tekstdichter. Wat leest, kijkt en luistert hij zelf?

/Boeken
“Ik ben een veelvraat wat boeken betreft. Ik lees altijd meerdere boeken tegelijk. Nu ben ik bezig in M-Train van Patti Smith, de opvolger van Just Kids. In dit boek kijkt ‘The Godmother of Punk’ terug op haar veelbewogen leven, en dan in het bijzonder op haar relatie met gitarist Fred Smith. Ze gaat terug naar plekken die belangrijk zijn geweest in haar leven – New York, London, Tokio – en vermengt dat met beschrijvingen van dromen. Droom en werkelijkheid lopen constant door elkaar. Soms weet je niet of het een droom is of de werkelijkheid. Daardoor ontstaat er een soort magisch-realistisch verhaal. Om een voorbeeld te geven: op het ene moment ligt ze in een kamer in Londen politieseries te kijken, op het andere moment zit ze met een cowboy in een bar. Ik vind het een heel prettige manier van vertellen.

“Elvis Costello doet dat in zijn nieuwe boek Trouweloze muziek en verdwijnende inkt ook. En Bob Dylan in zijn Chronicles. “Een ander boek waar ik inbezig ben, is De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése. Ik had nog nooit iets van hem gelezen, ik wist ook niet dat hij zo’n kundig schrijver was. De onderwaterzwemmer vertelt het verhaal van een jongen die in de oorlog samen met zijn vader van bezet naar onbezet gebied wil zwemmen. Bij het oversteken van de rivier verliest hij zijn vader. Een dramatisch verhaal natuurlijk, maar heel beeldend, mooi en bij vlagen humoristisch geschreven. Frans Kellendonk – De brieven heb ik met veel genoegen gelezen. Ik heb in de jaren tachtig het toen pas verschenen Mystiek lichaam proberen te lezen, omdat het boek zo’n schandaal was, maar ik kwam er niet doorheen. Ik vond het veel te gecompliceerd. Maar zijn brieven vind ik fantastisch. Deels interessant vind ik het omdat Frans Kellendonk oorspronkelijk uit Nijmegen komt en ik de straten ken waar hij in de brieven over schrijft, maar ook omdat hij zo geweldig schrijft. Een beetje reviaans is het.
De stamhouder – Een familiekroniek van Alexander Münninghoff heeft ontzettend veel indruk op me gemaakt. Een duizelingwekkend verhaal vond ik het. Je kunt het moeilijk navertellen omdat er zo veel gebeurt, maar ik herinner me dat ik telkens dacht: wat gebeurt hier allemaal? Het boek vertelt de bijzondere familiegeschiedenis van de schrijver. Over zijn rijke grootvader die al voor de oorlog naar Nederland vertrok. Zijn Russische moeder die hem ontvoerde. Zijn vader die voor de Waffen-SS aan het Oostfront vocht. Dat verhaal over zijn vader opende me trouwens wel de ogen. Zijn vader ging bij de Waffen-SS uit een soort idealisme, om tegen de Russen te vechten die zijn vaderland Letland lange tijd hadden bezet. Daar had ik nog nooit bij stilgestaan, dat dit ook een motief zou kunnen zijn om je bij zoiets verschrikkelijks als de SS aan te sluiten.
“Een goede bekende van me was min of meer aan het eind van zijn leven, ergens begin jaren negentig was dat, toen hij me op een dag vroeg of ik een gedichtenbundel van Fernando Pessoa uit zijn kast wilde pakken. Daar stond een gedicht in dat hij ontzettend mooi vond, en waar hij me kennis mee wilde laten maken. Het heet: Wanneer de lente komt. Ik werd meteen gegrepen door het gedicht en de dichter, ik heb het naderhand zelfs op muziek gezet. Fernando Pessoa was een heel merkwaardige man. Pessoa leefde voor de Tweede Wereldoorlog en heeft in zijn leven weinig gepubliceerd. Maar na zijn dood hebben ze een kist gevonden met tal van manuscripten erin, en die zijn ze nu nog steeds aan het uitzoeken. Pessoa had allerlei zogenaamde heteroniemen bedacht, geen pseudoniemen, waaronder hij schreef. Elke naam had dus een eigen persoonlijkheid, een eigen nationaliteit, een eigen sterrenbeeld en ga zo maar door. Vier van die heteroniemen zijn heel bekend geworden. Als je naar zijn graf gaat, ergens in een klooster in Lissabon, dan staan daar ook deze vier namen op. Idioot natuurlijk, ontzettend verwarrend ook. Maar zijn poëzie heeft me sinds ik dat bundeltje uit de kast trok nooit meer losgelaten.”

/Muziek
“Mijn laatst aangeschafte albums zijn The Bootleg Series Vol.12 – The Cutting Edge 1965-1966 van Bob Dylan, Elegy van de jonge celliste Harriet Krijgh en Duets: Re-Working the Catalogue van Van Morrison. Dylan is op deze oude opnames ontzettend goed, en nog steeds trouwens. Ik zag hem in november nog in Carré. Elegy – wat een prachtige plaat is dat. Als je van cellomuziek houdt: schaf het aan. En de duetten van Van Morrison vielen ook niet tegen. Het vreemde is dat mijn jeugdidolen de jeugd van nu ook nog tot de verbeelding spreken. Ik noemde al Bob Dylan en Van Morrison, maar bijvoorbeeld ook Neil Young, Leonard Cohen, Joni Mitchell, The Beatles, The Rolling Stones… Nog steeds zijn er veel jonge mensen die naar deze muziek luisteren, en nog steeds zijn er muzikanten die door hen worden beïnvloed. Dat lijkt mij een bevestiging van de kwaliteit van deze muziek. Of de muziek van tegenwoordig later ook zo’n invloed heeft op de nog komende generaties zal moeten blijken.
“Joni Mitchell is fantastisch. Daar heb ik in mijn leven heel veel naar geluisterd. Court and Spark, The Hissing of Summer Lawns en Hejira zijn stuk voor stuk mooie platen. Ze is niet alleen een weergaloze zangeres, maar schrijft ook heel poëtische teksten – eigenlijk gedichten die op muziek zijn gezet. Haar ontroerendste nummer vind ik Both Sides, Now, maar dan in de laatste versie, waarin ze een octaaf lager zingt dan de versie die ze dertig jaar daarvoor had opgenomen. Een vriendin die dat nummer eens hoorde, dacht dat het door een man werd gezongen, zo veel is haar stem met het klimmen der jaren gedaald. Both Sides, Now schreef ze toen ze een jaar of 25 was, terwijl het een heel wijs liedje is voor iemand van die leeftijd. Het gaat over haar leven en over de worsteling die ze met dat leven heeft. Het is een schoolvoorbeeld van het perfecte lied: als je het luistert, luister je niet eens naar de tekst, maar word je meegevoerd door de melodie. Tekst en melodie sluiten naadloos op elkaar aan. Dan weet je dat een nummer klopt.
“Amy Winehouse vond ik een heel groot talent. Maar daar ben ik pas laat achter gekomen, pas vlak voor haar dood. Onlangs zag ik Amy, een aangrijpende documentaire over haar korte leven. Toen begreep ik pas dat ze altijd een soort kind is gebleven dat werd meegesleurd in allerlei extremen en daar uiteindelijk geen weerstand meer tegen kon bieden. Adele vind ik ook hartstikke goed. Vroeger, toen ze nog vaker akoestisch zong en er nog eenvoudig uitzag, vond ik haar op haar best. Het nummer Make You Feel My Love van Bob Dylan was me al eens opgevallen, maar toen kwam zij met haar weergaloze vertolking. Van Nederlandse bodem vind ik Daniël Lohues erg goed. Die is van alle markten thuis. Voor het album De Jeugd, Vertegenwoordigd heb ik mijn versie van het nummer Het Mysterie van de Koude Schouder van De Jeugd van Tegenwoordig opgenomen. De plaat is een ode aan de band, die vorig jaar tien jaar bestond. Toen ik gevraagd werd om een van hun nummers naar mijn hand te zetten, heb ik onmiddellijk ja gezegd. Hiphop is een muzieksoort die ik nauwelijks ken, en juist daarom leek me dit wel een leuke kruisbestuiving. We zijn immers met hetzelfde bezig, Nederlandstalige muziek maken, maar elk op onze eigen manier.”

/Theater
“Omdat ik zelf veel optreed, kom ik minder vaak in het theater dan ik eigenlijk zou willen. De laatste voorstelling die ik heb gezien is Starman, waarin Sven Ratzke nummers zingt van David Bowie. Dat is een zeer energieke show, met veel humor en razendsnelle monologen. Een mustsee voor iedereen die van de pas overleden zanger houdt. Net als die grote David Bowie-tentoonstelling in het Groninger Museum, die ik zelf overigens nog niet heb gezien. Ik ben ook erg benieuwd naar het toneelstuk Ik kom terug van Adriaan van Dis en Olga Zuiderhoek, dat ik ook nog niet gezien heb. Het gelijknamige boek, over de moeizame relatie tussen de schrijver en zijn moeder, vond ik erg goed. Ik kijk ook uit naar de nieuwe theatertournee van Daniël Lohues, die begin februari begint. Een zeer getalenteerde jongen is dat. Het belooft een zeer interessante voorstelling te worden met mooie verhalen en prachtige muziek.”

/Film
“Vroeger rende ik naar de bioscoop als Fellini, Visconti of Antonioni weer een nieuwe film uit hadden, maar ik zou getegenwoordig geen regisseur eer weten voor wie ik meteen naar de bioscoop zou gaan. Ik vind Paolo Sorrentino wel goed, de regisseur van onder meer La grande bellezza en Youth. La grande bellezza is een soort surrealistische droom, maar wel heel duidelijk geïnspireerd op de films van Fellini. Ik vind de sfeer van de film prettig, maar ik mis een zekere onschuld. De films van Fellini zijn net iets onschuldiger, net iets naïever. De hoofdpersoon in La grande bellezza is een eenzame oude journalist uit Rome, die een heel rijk leven leidt met tegelijkertijd ontzettend veel leegte om hem heen. Ik vond het al met al een vrij neerslachtige film. Ik miste het sprankje hoop dat je in een film als Amarcord wel ziet.
“De laatste film die ik heb gezien is 45 Years, met Charlotte Rampling en Tom Courtenay. De film vertelt een ongelooflijk verhaal: vijf dagen voordat een echtpaar vijfenveertig jaar is getrouwd, krijgt de man een brief. Het gaat over zijn eerste geliefde die – enkele jaren voordat hij en zijn huidige vrouw een relatie kregen – tijdens het bergbeklimmen verongelukte. Nu blijkt ze gevonden in het ijs. En dan ontstaat er een heel rare verwikkeling, want hoe had hun leven er nu uitgezien als zijn eerste geliefde was blijven leven? Ik vond het een indrukwekkende film, en die Charlotte Rampling is een prettige actrice om naar te kijken. Ze speelde ook zo goed in The Night Porter, een film over een meisje dat een concentratiekamp overleeft en een sm-relatie aangaat met een voormalig SS-officier. Ik heb daardoor geïnspireerd ooit nog eens een nummer geschreven dat Nachtportier heet.
“Marlon Brando schiet mij het eerst te binnen als ik een favoriete acteur moet noemen. Iedereen kent hem natuurlijk van zijn rol in The Godfather, wat trouwens drie briljante films zijn, maar eerdere films als On the Waterfront, The Chase en Apocalypse Now zijn minstens zo goed. De televisieseries die ik graag kijk, zou je gerust guilty pleasures kunnen noemen. Downton Abbey vind ik erg leuk, Inspector Morse… het is een beetje op het randje allemaal. Tegen het kitscherige aan. Ik vind het prettig om weg te dromen bij dergelijke onschuldige series. Die Britse cultuur, dat taaltje, die prachtige omgeving… het is een droomwereld.”

/Beeldende kunst
“Als ik naar een museum ga, is dat vaak in andere landen. Ik ben niet zo lang geleden naar Londen geweest. Het bezoeken van een museum verloopt bijna net als het lezen van een boek: ik zoek niet gericht maar het komt op mijn pad, ik dompel me onder in de sfeer en vergeet het na een tijdje weer. Of niet. In Londen ben ik onlangs voor het eerst naar The National Gallery geweest. Een heel prettig museum. Ik zag daar de schilderijen van William Turner. Turner vind ik al heel lang heel erg mooi. Zijn eigenzinnige landschappen en zeegezichten zijn nu, mede door de grote tentoonstelling die laatst in Museum de Fundatie in Zwolle te zien was, ook in Nederland een beetje bekender aan het worden.
“In de Royal Academy of Arts zag ik de zeer beklemmende tentoonstelling van de Chinese kunstenaar Ai Weiwei. Wat mij het meest is bijgebleven van deze tentoonstelling is het kunstwerk Straight: duizenden stangen van gewapend beton die recht zijn getrokken en op elkaar zijn gelegd, als een soort vlakte van verroest ijzer. Ik zal even kort uitleggen hoe dit kunstwerk ontstaan is. In 2008 was er een zware aardbeving in China, waarbij meer dan zeventigduizend mensen om het leven zijn gekomen. Veel van de slachtoffers waren kinderen. Ai Weiwei vroeg zich af waarom er juist zo veel kinderen waren omgekomen en ging op onderzoek uit. Hij kwam tot de ontdekking dat de lokale bestuurders expres goedkope schoolgebouwen van slechte kwaliteit hadden gebouwd, zodat ze het overgebleven overheidsgeld in eigen zak konden steken. China heeft dit overigens altijd ontkend, officiële cijfers over het dodenaantal van deze aardbeving zijn ook niet bekend en Ai Weiwei werd vervolgd.
“Als ik in Parijs ben, ga ik graag naar Centre Pompidou. Ze hebben een prima vaste collectie, fijne plekken om rond te lopen en genoeg ruimte om alle kunst tot je te nemen. Het gebouw alleen – dat als het ware binnenstebuiten gebouwd is en waar indertijd veel om te doen is geweest – is al een kunstwerk op zich. En als je in Parijs bent, ga dan ook even naar het Musée Picasso in de wijk Le Marais. Daar kun je heel goed zien welke ontwikkeling Picasso heeft doorgemaakt, omdat er van iedere periode iets hangt – van de tekeningen die hij als kind maakte tot aan het werk dat hij op het eind van leven nog heeft gemaakt. Pas dan begrijp je wat die man allemaal heeft bewogen om te komen waar hij uiteindelijk toe kwam.
“In Nederland vind ik het Rijksmuseum geweldig om doorheen te lopen. Het Museum De Pont in Tilburg, waar hedendaagse kunst wordt tentoongesteld, en het Bonnefantenmuseum in Maastricht vind ik ook plezierige plekken.

“Ik heb in mijn leven één keer moeten huilen om een kunstwerk, en dat was toen ik de Pietà van Michelangelo voor het eerst zag. Zo mooi. Ik werd hevig ontroerd door de moeder met haar dode zoon – het ultieme verdriet. Dat hij dit als 25-jarige jongen uit een brok marmer heeft kunnen hakken, is nauwelijks voor te stellen.”/