Hoe verberg je een potje apensperma?

Ivanov is Hanna Bervoets op haar best: een bizar verhaal met realistische, aansprekende personages beschreven in buitengewoon scherpe zinnen. Bijna-sciencefiction wordt afgewisseld met adembenemende beschouwingen.

Het is een van de betere terugkerende grappen in The Player, Robert Altmans Hollywoodsatire: een gladde studio executive wordt constant aangeklampt door scriptschrijvers, die vervolgens hun waardeloze scripts mogen pitchen – in vijftien seconden. Uiteraard wordt 99 procent van de pitches afgewezen. Soms ruim voor de vijftien seconden vol zijn. Als je haar laatste romans leest, krijg je het idee dat Hanna Bervoets’ werk de vijftien seconden-pitches met gemak zou overleven. Alles wat er was (2013) gaat over acht mensen die wekenlang in een schoolgebouw opgesloten zitten, met een slinkende voedselvoorraad. Efter (2014) speelt zich af in een nabije toekomst, waarin verliefdheid als een gevaarlijke ziekte wordt beschouwd, inclusief schimmige medicijnen met dubieuze bijwerkingen.

Bervoets’ nieuwste roman, Ivanov, gaat over een geheimzinnige driehoeksverhouding, over idealistische, licht gestoorde wetenschappers en over het kruisen van mensen en apen.

Zoals misschien wel elke goede vijftien secondepitch zitten Bervoets’ plots dicht tegen de totale belachelijkheid aan. De grote verhaallijnen lijken zo uit pulpromans of stripverhalen geplukt. Ook Ivanov zit vol geheime kamers, doorgeslagen wetenschappers, een hint van maatschappijkritiek en filosofische vraagstukken – maar het wonderlijke is dat Bervoets’ nieuwste roman nooit belachelijk of pulp-achtig wordt. Want wat maakt pulp nou tot pulp? Misschien niet eens zozeer de bizarre verhalen, als wel de karikaturale personages. Ivanov wordt bevolkt door realistische, aansprekende personages, steeds beschreven in soepele maar buitengewoon scherpe zinnen. Bervoets’ hoofdpersonen worstelen met problemen die niemand ooit heeft meegemaakt: bijvoorbeeld hoe je, bij een routinecontrole door de New Yorkse politie, een potje apensperma verbergt. Tegelijkertijd worstelen de hoofdpersonen met het soort problemen dat iedereen heeft meegemaakt: hoe begin je een nieuw leven, hoe ver ga je voor een onbeantwoorde liefde, en wat doe je in godsnaam als de grootste drama’s uit je verleden ongenadig hard naar boven komen. Bervoets combineert vaart, suspense en soepele plotwendingen met introspectie en abstracte bespiegelingen. Nu eens filosofisch, dan weer psychologisch, soms allebei. Het leidt tot een tamelijk uniek oeuvre. Romans die geschikt zijn voor een breed publiek, én voor overtuigde literatuursnobs. Of, om de vergelijking met film nog even op te rekken: Bervoets’ romans zijn geschikt voor arthouseliefhebbers en voor popcorneters die anderhalf uur goed vermaak willen.

Net als Efter begint Ivanov met een korte, geheimzinnige proloog. Het is 1927. De Russische wetenschapper Ilya Ivanov en zijn zoon proberen in Frans-Guinee een chimpansee te vangen. Klinkt nog vrij normaal? Oké, wacht: ze proberen een chimpansee te vangen en vervolgens intravaginaal te insemineren – met mensensperma uit een reageerbuis. Na de proloog komt de verteller en de hoofdpersoon van de roman aan het woord. De Nederlander Felix van der Elsken. Hij begint met een redelijk algemeen, maar prikkelend vertoog over geheimen, dat al gauw uitmondt in een specifieke verwijzing naar zijn eigen grootste geheim. Specifiek maar kort – het is alsof Felix even zijn shirt optilt om te laten zien dat hij een pistool draagt. Daarna praat hij op min of meer dezelfde toon verder. Maar alles is nu geladen, zelfs de grappige beschrijving van hoe hij en zijn geliefde Jonas elkaar hebben ontmoet, en elkaar steeds beter leerden kennen. We voelen al meteen aan dat Felix’ geheim iets met de chimpansees en de Russische wetenschappers te maken heeft, en met de mysterieuze virologe Helena. Veel meer weten we niet, maar vanaf die eerste pagina’s tot aan het laatste hoofdstuk blijven we nieuwsgierig naar de ontknoping, of beter gezegd naar de onthulling, waar Bervoets stap voor goed getimede stap naartoe werkt. Felix kijkt vanuit zijn huidige, comfortabele, tikje burgerlijke leven terug op zijn allesbehalve burgerlijke, comfortabele jaar in de VS. Hij studeerde journalistiek in New York, in 1994: de tijd van de rechtszaak tegen O.J. Simpson en van DAT-recorders, waarbij je tegelijk op ‘record’ en ‘play’ moest drukken om op te nemen. De aidsepidemie was op zijn hoogtepunt. Felix probeert al schrijvend – vanuit de eerste persoon – grip te krijgen op die vreemde tijd. Hij richt zich soms rechtstreeks tot de lezer en soms tot zijn jongere zelf (waarbij hij tot de conclusie komt dat een onvermogen om je te verplaatsen in degene die je vroeger was, meer met een gebrek aan empathie te maken heeft dan met een slecht geheugen – wie je vroeger was, is een totaal ander persoon). Vaak psychologiseert hij, gaat hij op zoek naar de redenen achter zijn gedrag – de oppervlakkige redenen en de echte. Soms psychologiseert hij expliciet níet, heeft hij genoeg van zijn zelfanalyses. Soms komt hij er totaal niet uit. Die vorm – een intelligente, soepel sprekende verteller die zijn eigen leven letterlijk beschrijft, in een dagboek, of zoals hier, in een soort memoires – die vorm ligt Bervoets goed. In Efter leidde het tot de beste hoofdstukken van het boek. In Ivanov werkt het nóg beter: het zwaartepunt ligt duidelijker bij de verteller, en de plot is net iets plausibeler, de bizarre elementen net iets beter ingebed in een realistische wereld. Ook in het schakelen tussen het grote, gewaagde verhaal en Felix’ intieme gedachtewereld is Bervoets op haar best. Een vrij sensationele scène over de wetenschappelijke experimenten wordt gevolgd door een geweldige analyse over waarneming en werkelijkheid. Van bijna-sciencefiction zitten we opeens in een al even adembenemende beschouwing: “(–) ervaren was verliezen, we beschadigden de realiteit enkel door haar waar te nemen, daar onze interpretaties krassen maakten en onze emoties vingerafdrukken achterlieten, en als de realiteit altijd in besmeurde vorm tot ons kwam, was het dan niet aan de schrijver om de vlekken weg te poetsen opdat de werkelijkheid geschikt werd voor consumptie?”

“Ervaren was verliezen.” Dit is puur Proust – al werden er in zijn romans bijzonder weinig apen met mensen gekruist. Qua opbouw, qua dosering van informatie, doet Bervoets’ manier van vertellen meer denken aan die van de betere plotschrijvers als John Irving of Herman Koch. De flashbacks en flashforwards, het nonchalante, plagerige onthullen van kleine antwoorden, terwijl de grote vragen met elke pagina meer lading krijgen. Misschien bestaan ze nog steeds, de mensen die geloven in een diepe kloof tussen hoge en lage cultuur, tussen literatuur en lectuur, verdieping en vermaak. Tegen die verder vrij onschadelijke stoornis is Ivanov het best denkbare medicijn./