Jan Siebelink: ‘Mijn hele leven was een voorbereiding op Knielen op een bed violen’

Eind februari komt de langverwachte verfilming van Knielen op een bed violen in de bioscoop. Waarom werd dit boek een van de bestverkochte Nederlandse romans ooit? HP/De Tijd sprak schrijver Jan Siebelink in de omgeving waar hij opgroeide over het geheim achter zijn succes. ‘Ik zie Knielen als een donkere zon, waar mijn andere boeken als planeten omheen draaien.’

Jan Siebelink begint zonder verdere introductie te vertellen. “Dit is de rivier,” zegt hij. “Daar is de overkant van de rivier, waar het boek begint. Daar komen mijn ouders vandaan.” Daar, ten oosten van de IJssel, waren het land en de mensen armer, meer achtergesteld. Jans vader kwam uit Lathum. Aan deze zijde, waar we nu staan, lag voor hem het beloofde land.
Ik ben net achter Siebelink aan gereden vanaf het station van Velp. Hij rijdt in een Mazda MX-5, een sportief wagentje waarmee je lekker over de slingerende dijkweggetjes stuurt. Bij de IJsseloever zijn we uitgestapt. De schrijver draagt blauwe suède schoenen en een bril met een paars montuur, een gesoigneerde heer met feestelijke accenten, in een grijsgroen landschap. Het is begin december en buitengewoon zacht.


Zijn ouders zaten naast elkaar in de klas. Het was echte liefde. Op een dag voer Jans vader met een bootje naar de overkant, om te ontsnappen aan zijn vader en diens hardvochtige geloof. “Hier begint zijn weg.” We kijken achter ons, naar het veerhuis, de Veluwezoom. Hier begint een reis die zou voeren naar een bloemenkwekerij in Velp, een even zwart christendom en uiteindelijk naar een van de bestverkochte Nederlandse romans ooit.
Sinds de verschijning van Knielen op een bed violen, in 2005, is Jan Siebelink een beroemd schrijver en financieel onafhankelijk. Hij trekt het land door langs zijn fans, lezingen gevend, luisterend, als rondreizend trooster. Overal bedanken lezers hem voor het verhaal over zijn vader, hoe diens liefde voor zijn gezin het verliest van zijn godsvrucht en een bende predikers van hel en verdoemenis.
Nu is het boek verfilmd, met in de rollen van zijn ouders Barry Atsma, een heel mooie acteur, en Noortje Herlaar, een heel mooie actrice. Eind februari komt de film in de bioscoop. In het najaar verscheen Margje, een vervolg op Knielen. Ook dat is weer een groot succes. Siebelink is een gezegend schrijver, met een gezegend leven. Hij heeft ervoor gewerkt, maar het is hem eveneens overkomen.
Zo strak gecomponeerd als zijn boeken zijn, zo chaotisch is zijn manier van praten. Hij praat zoekend, tastend, over van alles door elkaar. Dat komt door het lineaire van de taal, zegt hij, je zou willen dat je tien dingen tegelijk kon zeggen. Kijk daar, ganzen. En daar, wilgen en paardenkastanjes. De ouders uit zijn boeken vallen samen met zijn echte ouders als hij over ze spreekt. “Het aardige van schrijver zijn, is dat je die mensen dicht bij je houdt,” zegt hij. “Kijk, deze boot gaat stroomopwaarts, naar Arnhem, of Keulen misschien.”
Siebelink is heel aardig en benaderbaar. Hij koppelt zijn status van groot schrijver niet aan een onaangenaam of aanstellerig karakter. Hij bedient zich niet van pronktaal of onnavolgbaarheden, schrijft aards en sober over zaken van grote geestelijke beroering, die zich in kleine bewegingen en gebeurtenissen laten zien. Zijn succes verklaart hij uit een verlangen naar iets wat we zijn verloren, een tijd, een sfeer, geloof.
We doen een petit tour door Velp, een rondje Knielen op een bed violen. De schrijver trekt een beetje met één been. Hij heeft hardgelopen met zijn hazewindhond Sarah Vaughan, genoemd naar de jazz-zangeres, en iets verrekt. Hij stapt in de MX-5. “Ik heb een Maserati gehad. Hij was heel mooi. Ik rijd altijd heel hard. Met de Maserati heb ik 280 gereden,” zegt hij, voor hij het portier dichtdoet.

Bij kasteel Biljoen loeien de sirenes. Het is maandagmiddag twaalf uur. We staan op een kruispunt voor de oprijlaan, naast de auto’s. Biljoen is een mooi kasteel. De Zonnekoning heeft hier gelogeerd, zegt Siebelink. Er wandelen mensen met honden voorbij, sommige met een blik van herkenning op de schrijver, andere met een verstoorde blik, misschien vanwege de stationair draaiende motor van de MX-5.
We kwamen net langs gemaal De Volharding, ter hoogte waarvan Margje/zijn moeder een miskraam kreeg. Siebelink, tegenwoordig woonachtig in Ede, kent Velp als zijn broekzak. Hij groeide er op, woonde er zijn halve leven. Dorp en omgeving vormen het decor van veel van zijn boeken. De schrijver rijdt langs stoplichten en via weggetjes binnendoor, door zijn eigen oeuvre heen.
Zijn familie is een onuitputtelijke bron, zegt hij op het kruispunt voor Biljoen. “Ik kan er eindeloos over doorschrijven. Het is zoals toen Mozes met het volk Israël door de woestijn trok. Het regende manna als brood. Mozes sloeg met zijn staf op een rots en er kwam water uit, het bleef maar stromen. Alles draait om mijn jeugd, mijn ouders. Het is a writer’s gold mine.”
Het is een innerlijk landschap dat hij beschrijft. Hij beschrijft het gewone en kleine, maar, zegt hij, zo intens dat het bijna mystiek wordt. “Het is stilistisch spannend, krijgt glans. De personages worden door de taal verbijzonderd. Het is tegelijk ingetogen en geladen met emotie. Knielen is meedogenloos, een onverbiddelijk boek.”
Het boek is het middelpunt van zijn werk. “Ik zie het als een donkere zon, waar mijn andere boeken als planeten omheen draaien, in een donker zonnestelsel. Ja, dat is een mooi beeld. Dat heb ik nog nooit zo beschreven.”
Op 13 februari wordt hij 78. Negen dagen later gaat Knielen de film in première in bioscoop Tuschinski in Amsterdam. Ze zijn tien jaar met de film bezig geweest. Eerst zou Paul Verhoeven de film regisseren. Hij wilde graag beginnen met een scène waarin vader Hans Sievez, verliefd op zijn schoondochter Johanna, masturbeert in zijn kwekerij. Uiteindelijk heeft Ben Sombogaart de film geregisseerd.
Barry Atsma en Noortje Herlaar werden op de set verliefd op elkaar. Het boek, dat ook een liefdesgeschiedenis is, brengt mensen bij elkaar. Het is een wonderlijk boek, zegt Siebelink voor hij de auto weer instapt en schakelt naar de eerste versnelling.

De Bergweg is een smal, hellend straatje waarin de huizen knus op elkaar staan, voorname residenties en eenvoudigere arbeiderswoningen. Nummer 17, de helft van een dubbel woonhuis, van binnen verrassend ruim, zoals Siebelink zegt, was zijn ouderlijk huis. Erachter was de kwekerij. Het is heilige grond, waarop nu andere mensen wonen. Hier is alles gebeurd. In die kamer is zijn vader overleden, wijst hij. Daarboven was zijn eigen slaapkamer.
Hij heeft hier vaak gestaan, met alle vormen van media. Een tijdlang kon hij er niet meer tegen. Nu kan hij er wel weer tegen. Nu, met de film, krijgt de geschiedenis een nieuw leven, opnieuw. Het is een verleden waarnaar je graag terugkeert. Ze hadden een warm, mooi gezin. Hij had een heerlijke jeugd op de kwekerij.
Naast en achter het huis ligt de rooms-katholieke begraafplaats, van de vroegere kwekersgrond gescheiden door een beukenhaag. Achteraan heeft iemand viooltjes bij de haag gelegd. Hier was het beroemde ‘gat in de heg’, waar de boetepredikers doorheen kropen om Jans vader, Hans Sievez in de boeken, in hun netten te strikken. Hier, aan de andere kant van de heg, is God aan vader verschenen, in een apocalyptisch visioen. Op zondag komen mensen met bussen en auto’s om de plek te bekijken. Siebelink kan geen lezing in het land geven of er komen mensen naar hem toe die het ook hebben meegemaakt. Echtelieden of nazaten van de ‘paauweanen’, volgelingen van de hageprediker J.P. Paauwe, die vond dat de kerken te weinig onderscheid maakten tussen uitverkorenen en verworpenen, en dat het concept van hel en goddelijk gericht er was verwaterd. Helaas was er van betrokken gezinnen vaak maar één uitverkoren. De schrijver spreidt zijn armen. “Het boek lag als een verwachting in mij.” Ik vroeg waarom hij niet met zijn belangrijkste verhaal was begonnen. “Mijn hele leven was een voorbereiding op het boek.” Hij moest eerst allemaal andere boeken schrijven, was leraar Frans en Nederlands. Toen hij daar op zijn 62ste mee stopte, had hij de tijd en de ruimte. “Het moest rijpen.”
De slager, de bakker en hun klanten hebben het over die violen, dat boek van die violen. Politieagenten, mannen die de leidingen aanleggen in de straat stoten elkaar aan: kijk, daar gaat die man van die violen.
“Ik geloof,” zegt hij, leunend op een grafsteen, “dat ieder mens wel gezien wordt. Hoe dan ook, ik kan het geloof van mijn jeugd niet loslaten.” Bij het schrijven kun je nog zo je best doen, er moet gaandeweg iets gebeuren, de tekst moet in elkaar vallen op een manier die je zelf niet helemaal kunt bedenken. “Schrijven is niet helemaal mensenwerk, maar dat betekent niet dat God je hand leidt.”
Het schrijven van Siebelink is veel wachten, een oefening in geduld. “Als ik aan mijn bureau zit, in de auto, als ik met de hond ren, denk ik eraan.” Hij wacht uren tot de beelden opdoemen. En dan ziet hij het ineens: vader die zit te bidden, terwijl achter hem het beeld van zijn moeder in de keukendeur verschijnt. De aarde is een te verwaarlozen stipje in het heelal, of minder dan dat. De God ervan is zo beschouwd een heel klein godje. Het geloof is gemakkelijk weg te redeneren. Maar, zegt Siebelink, op de tast: “Wij mogen toch ons leven, die angst voor die kosmos… Waarom mag je het leven niet met verbeelding, met God, diepte en betekenis geven?”

De laatste halte van ons kleine rondje Knielen is Patisserie Christiaan aan de Hoofdstraat in Velp, een uitspanning, zoals Siebelink zou kunnen schrijven, zonder verdere betekenis voor zijn werk, maar met koffie en banket. We nemen cappuccino en appelgebak, praten over zijn gezegende leven. De schrijver heeft een oude dag om van te dromen: liefde en geluk, geld, gezondheid, succes, erkenning, drie mooie kinderen. Een huwelijk met Gerda, ontmoet op de kweekschool. “En we hebben het nog steeds zo gezellig.”
Hij typt alles op een typemachine, zij zet alles in de computer. Zij doet alles, alle post, papierwerk, geregel. Ze leest zijn teksten. “Zij doet alles voor mij. Ik doe helemaal niks. Ze krijgt ook salaris van mij. Ik schrijf alleen maar.”
Als hij schrijft, kan hij moeilijk in slaap komen. Hij zit om zes uur, half zeven ’s morgens aan zijn bureau. Hij is geen man van schema’s, maar van beelden. Daar begint het mee. “Ik heb een scherp geheugen. Ik zie alles voor me wat er om mij heen was, de kwekerij, de plantjes, ik ruik hoe alles rook, de zoete geuren van de kas, de grond, de turf.”
Hij heeft de beelden van zijn jongensjaren goed bewaard. Hij is voor een deel dat jongetje gebleven, een aardig jongetje. “Maar als men mij te na komt, als ik een vorm van vernedering ervaar, dan kan ik ook wel, op een feestje, zomaar ineens slaags raken. Als ik het gevoel heb: dit is te idioot voor woorden. Ik zie dat mijn vrouw dan bleek wordt. Dan moeten ze mij tegenhouden.”
Op een feestje aan de Elandsgracht in Amsterdam werd hij aangesproken door een vervelende econoom. Siebelink was leraar Frans op het gymnasium in Ede. Op zo’n nare toon zei de econoom: “Ik vind leraar zijn een waardeloze baan. Dan deug je niet.”
“Ik zeg: jij bent niet normaal, wat is dat voor opmerking. Leraar zijn is de mooiste, meest elementaire baan die er is. Ik zeg: dit is geen normaal verhaal.” Hij had hem tegen de grond kunnen slaan, wat door omstanders ternauwernood werd voorkomen. “Een potje matten is mij niet vreemd. Soms zijn woorden niet meer toereikend. Dan denk ik: hier moet mee afgerekend worden. Een beetje stennis schoppen, dat spreekt mij aan.”
In het boek, en de film, zit een heerlijk moment waarop vader Sievez een hem kleinerende bloemenwinkelier even lekker op zijn smoel rost. Een louterende scène. De vernedering door de winkelier komt al voor in Siebelinks oerverhaal Witte chrysanten uit 1975. Hij heeft het verhaal vaak verteld. In Knielen op een bed violen vond het zijn volmaakte vorm.
Het is zestig, zeventig jaar na het echte incident. Er zijn vier lagen boven elkaar: het gebeurde, de vertelling in Witte chrysanten, in Knielen en in de film. “Ik voel het gewicht van de tijd, de lagen. Dat maak ik nu mee.” Siebelink speelt een klein rolletje in de film, een cameo, in een scène waarin de bloemenwinkelier het aan Hans Sievez verschuldigde geld voor zijn ogen op de grond laat dwarrelen. Siebelink pakt een biljet op en geeft het aan zijn veertig jaar jongere vader terug, in een Back to the Future-achtige situatie.
Het boek is gigantisch gelukt. Een reuzensucces, vijf sterren met een griffel. Wat als de film ietsje minder is? Waarom moest die dan worden gemaakt? De film streelt zijn ijdelheid, zegt hij. Het is erkenning van zijn werk. “En ik krijg kennis aan een wereld die ik helemaal niet ken.” Barry Atsma die vlak voor de opnames belt: “Ik wil weten wat jij gevoeld hebt.” Het is nieuw, en spannend.
Siebelink haalt een brief tevoorschijn, van een bewonderaar. “In februari 2005 hadden wij een korte briefwisseling naar aanleiding van uw laatste boek,” schrijft deze. “Sindsdien moet uw leven in een ongekende stroomversnelling zijn geraakt. Waarom ik nu een teken van leven laat horen, is vanwege het bericht dat u zorgen zou hebben over de verfilming van uw boek.”
“Uw heilige tekst is Exodus 20:21: ‘En Mozes beklom de berg Sinaï en naderde de donkerheid waarin God was.’ Deze woorden van de Sinaï verdragen een vertolking in woorden, zoals in een roman als de uwe. De vraag is of ze een vertolking in beeld verdragen.”
“Het bed violen waarop uw vader knielde, is heilige grond. Daarover te schrijven in woorden die omtrekkende bewegingen maken, die het mysterie benaderen zonder het te schenden, doet het heilige voor de lezer oplichten, schept ruimte, biedt adem. Die grond te willen vastleggen in beelden… zal naar ik vrees het geheim aantasten.”

Later die maand vindt de ‘exploitantenscreening’ van de film plaats in bioscoop het Ketelhuis op het terrein van de Westergasfabriek in Amsterdam. Vertegenwoordigers van de bioscopen kunnen er de film bekijken en bedenken voor hoeveel weken ze hem willen boeken. Siebelink en zijn vrouw Gerda zijn er ook. De schrijver, een beetje zenuwachtig, houdt vooraf een praatje voor het blanco doek. Dan is het tijd om de film te gaan bekijken.
Het is een mooie film. Veel sfeer, een van de hoofdbestanddelen van het boek. De vertelling voltrekt zich lineair in de tijd, de gebeurtenissen volgen elkaar op, zonder hinder van een plot op weg naar het einde. Omstandigheden veranderen, de personages worden ouder, behalve Noortje Herlaar, van wie je met alle schmink van de wereld geen oudere vrouw kunt maken. Na afloop zijn verschillende exploitanten ontroerd. Er is een lunch met soep en broodjes. Siebelink signeert exemplaren van Margje. Gerda, de mooie Johanna uit de boeken, staat er van een afstandje naar te kijken. Achter in Margje staat een lijst met titels, romans, novellen en verhalen, meer dan dertig manen en planeten, in een baan om Siebelinks donkere zon uit 2005.
Aan het eind van deel één van Knielen op een bed violen heeft vader Hans Sievez de overkant van de IJssel bereikt. “De weg veerde, zijn pas was soepel,” schrijft Siebelink. “Zijn leven zou vorm krijgen.”/

Bert Nijmeijer