Interview Michiel Romeyn: ‘De burgertrutten heersen over de cultuur’

Aartskankeraar en voormalig Jiskefet-coryfee Michiel Romeyn (1955) is géén grumpy old man, maar gewoon objectief. Bijvoorbeeld over Hilversum en de netmanagers (‘Een verschrikkelijk kutwereldje’) kleinkunst (‘Het ergste wat er is’), cabaretiers (‘Geen bal aan’) en acteurs in tv-reclames (‘Ik zou me kapot schamen’). ‘Ik ben van een andere generatie. De patatbakkers hebben nu echt gewonnen. De burgertrutten heersen over de cultuur.’

Op de begane grond van zijn vol met moderne kunst (werken van onder meer Andy Warhol, Roy Liechtenstein, Jan Schoonhoven, Lucio Fontana, Emo Verkerk, Han Schuil en Tim Ayres) behangen herenhuis is zijn royale jongenskamer gelegen, waar hij werkt aan een nieuwe serie tekeningen. Tussen modelvliegtuigen, mini-hotrods en racefietsen ontwaar ik in een onopvallend hoekje het Gouden Kalf, dof en brons, dat hij kreeg voor zijn verdienstelijke rol in Van geluk gesproken van Pieter Verhoeff, die op een steenworp afstand van hem woont in de Blasiusstraat, waar ook enkele scènes uit de film werden geschoten.

Michiel Romeyn: “Uit 1987 geloof ik. Dat je dat allemaal nog weet. Met Gerard Thoolen in de hoofdrol. Opgenomen midden in de bloedhete zomer, maar de film speelt in een ijskoude winter. Dus we droegen parka’s, wanten en dikke sjaals, terwijl de hittegolf om ons heen sloeg. Ik moest als marktkoopman een kerstboom uit de wagen laden. Dat moest dertig keer over.”

Komt er nog weleens een rolletje jouw kant op?
“Dat doet me denken aan Rijk de Gooyer, die dan tegen zo’n treurig acteurtje riep: ‘Hé, ik heb nog een heel klein rolletje voor je.’

Vervolgens haalde hij met zijn wijsvinger een neuspeuter uit zijn gok en schoot die zijn kant op. Maar jazeker, om antwoord te geven, u treft het. Ik zit in twee nieuwe telefilms. In de ene, De grote Zwaen van Max Porcelijn, die in mei op de televisie wordt uitgezonden, speel ik een crimineel die vijf mensen mag omleggen. Geen hoofdrol, maar een hitman die mensen liquideert, heerlijk om te doen. En ik zit in nog in de telefilm Moos van Job Gosschalk, als Joodse vader, ook in mei op de buis. Bovendien ben ik net gevraagd om een rol te spelen in een film van Steffen Haars. Porcelijn en Haars zijn regisseurs van de nieuwe lichting en die vind ik beiden hartstikke goed. Ik zit in twee films dit jaar, en volgend jaar in weer twee, dus ik vind het nogal wat.”

Acteren ligt je helemaal niet, riep je ooit.
“Ik heb geen toneelschool gedaan. Maar toch gaat het me wel goed af. Ik vind mezelf geen geweldige acteur, maar ik heb wel goeie ideeën. Maar ik wil me niet conformeren aan shit. En vraag die Romeyn gewoon eens of hij wat mag maken voor die omroep. Bel hem gerust op. Hij bijt echt niet, hoor. In plaats van dat ik zelf weer moet gaan bedelen. Daar zie ik erg tegenop. Want ze vragen me tegenwoordig alleen nog maar als zwerver of stratenmaker, terwijl ik toch ook de Lullo’s heb gedaan. Kellerhuis was trouwens een goeie naam geweest voor een van de Lullo’s: ‘Hé, Kellerhuis.’ Maar dit terzijde. Ik dacht dat ik al op het laagste niveau zat, omdat ik altijd maar gevraagd werd voor rollen als louche cafébaas, crimineel of goedlachse Amsterdammer. That’s the story of my life. Terwijl ik toch met Jiskefet het nodige heb gedaan. Nee, het einde is zo langzamerhand in zicht.”

Wat doe je momenteel?
“Ik ben een beetje met kunst bezig.”

Want je bent ‘kunstenaar’ van beroep. Je zat op de Rietveldacademie, wat voor opleiding was dat in jouw tijd?
“Een opleiding tot niks. En dat in de jaren zeventig.” Zet een stonede stem op: “Ehhhhh, ik weet geloof ik niet wat ik moet gaan doen nu.’”

In wat voor een klas zat jij?
“Nooit meer iets van gehoord, niets, nada, nul.”

Jij bent de enige die bovengedreven is uit die niksige tijd?
“Verschrikkelijk. Kun je wel stellen ja. Op een gegeven moment vroeg ik: wat moet ik nu als ik van die Rietveldacademie kom? Dan moet je naar de Vlaardingenlaan, want daar zit de sociale dienst en daar moet je maar een uitkering aanvragen.”

Heb je in de BKR gezeten?
“Nee, dat was mijn eer te na.”

En ook geen uitkering aangevraagd?
“Nee, niks. Ik plakte illegaal affiches, daar verdiende ik veel geld mee. Twee gulden vijftig per stuk en we deden er honderd per dag. We zaten in een studentenhuis met een stuk of vijf, zes jongens. En toen hebben we in 1980 de Mazzo bedacht.”

De eerste audiovisuele discotheek van Amsterdam. En toen liep je binnen?
“Welnee joh. Ik was financieel helemaal niet capabel. Ik zei: we gaan een nachtclub beginnen. Maar het was feitelijk een sociëteit. We mochten dus 24/7 open zijn. Maar ik heb er nooit een cent aan verdiend. Die andere jongens waren veel slimmer met geld. Ik deed het omdat ik het leuk vond. En omdat ik het te gek vond dat al die Mick Jaggers en Bryan Ferry’s er kwamen. Robert Plant heb ik er hoogstpersoonlijk nog een keer uitgegooid, omdat ik hem niet herkende, en hij maar steeds champagne wilde hebben, wat we niet hadden. Ik zei: ‘Man, we hebben geen champagne.’”

Vanuit die artistieke achtergrond heb je ook nog even met kunstjournalist Jhim Lamoree het kunstprogramma R.E.L. bij de AVRO gemaakt. Waarom is dat destijds gestopt?
“Ik had het er net nog met mijn vrouw Lily over. Ze zegt: begin maar eens over dat R.E.L. Het grote probleem met televisie is: je komt nergens meer tot iets aardigs cultureels. Het moet allemaal maar scoren. En voor de massa zijn. Nou, R.E.L. scoorde best aardig. Alle reden om het door te zetten. En ongehoord leuk om te doen.”

Het heeft slechts zo’n drie seizoenen gedraaid?
“Al sla je me dood, bij elkaar zo’n twintig uitzendingen of zo. En toen was er opeens geen geld meer voor. Het lijkt hier wel een soort China. Of de DDR van voor de Wende. Het moet allemaal met stempeltjes via politbureaus goedgekeurd worden. Hahaha. Als je van mijn generatie bent en uit de tijd van Jiskefet komt, dan maakte je iets omdat het mooi was of interessant. En nu moet het door alle filters van verzuurde oude heren heen die de scepter zwaaien in omroepland. Net als wat Rem Koolhaas – een goede architect – overkwam, die het Byzantium heeft gebouwd op het Leidseplein. Het ziet er niet uit, omdat iedereen hier inspraak heeft en zich ermee mocht bemoeien.”

Daarvoor verwierf je zestien jaar lang grote faam met Jiskefet. Maar ik zie je ruim tien jaar na Jiskefet nog niet echt op gang komen met allerlei nieuwe plannen.
“Maar ik wil het doen op mijn manier. Ik heb geen zin meer om met die netmanagers te gaan praten.”

Ben je met Jiskefet niet verschrikkelijk verwend geweest? Jullie konden en mochten alles maken.
“Als je zestien jaar kon doen en laten wat je wilde… Maar ik doe nu Danni Lowinski, dat is ook net weer op de buis bij SBS6. Die commerciëlen betalen wel fantastisch. En ook ontzettend leuk om te doen, met allemaal jonge mensen.”

Maar kun jij jezelf nog wel opnieuw uitvinden?
“Goeie vraag inderdaad. Opnieuw uitvinden weet ik niet, maar ik zou de koers anders kunnen leggen. Toen wij Jiskefet maakten, was het eigenlijk een ontzettend slappe kuttijd. De enige die een beetje zijn bek open trok in die dagen was Freek de Jonge. Maar hij kan niet tegen concurrentie en wil zelf altijd de leukste zijn.”

Jiskefet was tijdloos.
“Dat blijkt ook wel, met al die nieuwe volgers op YouTube.”

Teer je niet een beetje op die oude successen?
“Ik wil niet veel zeggen, maar een kennis van mij zet af en toe wat sketches op YouTube, en die zijn binnen twee jaar al bijna tien miljoen keer bekeken. Tien miljoen keer!”

Verlang je niet terug naar die tijd?
“Welnee, maar ik heb wel weemoed naar de cultuur waarin wij konden opereren. Als een anarchistische cel. Ik ben meer een Karel Appel dan een Anton Pieck.”

Wat zou jij zelf graag willen doen?
“Ik ben weer enorm aan het tekenen, maar ja, dat zet ook geen zoden aan de dijk. Exposeren? Er is geen galerie die me wil hebben. Ik zou ontzettend graag weer eens een programma maken waarbij je denkt: wat is dit in godsnaam, waar slaat dit op? Een paar keer is dat gelukt bij Jiskefet: bijvoorbeeld de scene Raarrr!, waarbij een toeschouwer uit het publiek bij een bloedserieus toneelstuk dat niet te verstaan is voortdurend heel hard ‘Raarrr!’ roept. Maar wat ik het aller-, allerliefste zou willen? Ik zou het liefst David Hockney zijn. Succesvol als tekenaar/schilder.”

Hockney is een hondenliefhebber, net als jij. Wat heb jij met die beesten?
“Ik heb altijd honden gehad, mijn steun en toeverlaat. Ik heb nooit kinderen geambieerd. Ik praat met mijn hond Noef. Veel mensen denken: die Romeyn is een proleet. Die Joost Zwagerman riep jaren geleden in de VARAgids: het stinkt hier naar hondenpis, dat zal die Romeyn wel weer zijn met zijn pitbull. Die man haatte mij. Geen idee waarom. Ik heb een keer in een interview het woord ‘kutzwagerman’ laten vallen. Wat vond ik die jongen een sukkel met dat geveinsde weten over beeldende kunst. Het geweten van de jaren tachtig. Dat ik denk, man: één groot gelul. Ik heb zelfs in 2009 een gedicht over hem gepubliceerd in mijn bundel Oboema op een brommer, mag ik dat even voordragen?”

Zet de stem op van Oboema (uit Jiskefet): “Het heet Gimmick. Bijna een voorspellend gedicht. Wel een wrang verhaal zeg, wat er met die jongen is gebeurd. ‘Hij is geboren met een leren rug./ De kennis schijnbaar achteloos geselecteerd./ Hij kan niet meer terug. Glunderend troggelt hij/ verwondering af./ O ja, die ken ik, moet je deze maken./ Om hem heen een cirkel van onbegrip./ Nu een tandje hoger, hij is de beste./ Dat gaan we niet verpesten./ Nu de galm van een trap/ tegen een oranje geëmailleerde kachel. Die is voor vroeger./ Het applaus is voor nu./ Man man man maar man toch. Hij broeit,/ hij moet kennis kwijt./ Het is te groot, hij is te groot voor wat hij bedoelt./ De lucht wordt ijler, de wolken maken makkelijker zelf een landschap./ Zonder hem./ Geschuifel van een leren zool, en nóg een en nóg een paar./ Hij knielt en zoekt onder een houten bed./ Hij gaat nu huilen, heel hard. Daar waren we al bang voor./ Doe dat nou maar niet, dat is niet nodig./ En dan nog zo hard, zo hard. Erg leeg zijn zijn ogen./ Een moeder is er niet meer./ Hij schuifelt onhoorbaar een trap op,/ van beneden naar boven.’”

Het schemert reeds buiten. Romeyn slaat het bundeltje dicht, vouwt het weer open en signeert het met een tekening van Oboema. “Hier, alsjeblief, mag je van me hebben.” Daarna draait hij een fles wijn open, en zet twee glazen klaar. “Eén glaasje, Kellerhuis, één glaasje maar. Want daarna moet ik naar mijn moeder.”

Wil je nog wel op de televisie?
“Ja, graag! Geen Jiskefet, maar wel iets met dezelfde angle. Alleen of met iemand. Het wordt wel weer eens tijd. Als het maar naast de rails loopt, zoals altijd bij mij. Oboema was een alter ego van me, daar moest ik zelf altijd om lachen.” Zet de stem op van Oboema: “Ook omdat hij iemand is die zichzelf overal uitlult.” Normaal weer: “Ik zou ontzettend graag als Oboema op een heel grote kruk willen zitten in het theater, nog voor de mensen de zaal binnenkomen. In zulk licht dat je me net niet goed kunt zien. En ik zit daar met zo’n Jeff Stryker-lul van zeker zestig centimeter stijf omhoog, iets langer nog, met een spot erop. En die hele zaal zit te lachen, en dan zeg ik als Oboema: ‘Lacht u maar, maar het is maar een lul.’ En dan met dat ding gaan swaffelen. Dat programma heet dan ook gewoon De Lul.”

Kijk je vaak tv?
“Nee, weinig. Het is net de Titanic, zo langzamerhand verdwijnt hij de kelder in.”

Was Jiskefet eigenlijk niet jouw finest hour?
“Het was één grote ballenbak. En vader en moeder haalden ons gelukkig nooit op. Gigantische vrijheid.”

En enorme bekendheid, al lijk je mij niet iemand die het BN’erschap najaagt.
“Najagen zeker niet. Je kunt het wel lekker vinden, maar wat levert het op? De mooie meiden komen toch nooit op mij af, alleen puisterige provinciale jongens willen een handtekening van mij.”

Is er nog wat over van die faam?
“De tijden zijn zo veranderd, meneer Ketelhuis.”

Ruim tien jaar geleden, in 2005, stopten jullie. Was dat een persoonlijk drama voor je?
Met bekakte stem: “Eén groot drama!” Normale stem weer: “Nou ja, een drama, we hebben nog één reünie gedaan, als grap, en die bleek een enorme hit. Het grote drama kwam daarna pas, maar ja, daarover heb ik alles al een keer verteld.”

Jullie zijn in jouw optiek besodemieterd door het toenmalige management, waardoor je veel geld meent te zijn misgelopen.
“U zegt het. En dat is ook voor de rechter geweest, en die partij is op de meeste punten in het ongelijk gesteld. Maar ja, van een kale kip kun je niet plukken.”

Kees Prins ging na Jiskefet als succesvol acteur en regisseur aan de bak, het succesverhaal van Herman Koch kennen we inmiddels. En jij bent teruggegaan naar je roots: de kunsten.
“Het probleem daarmee is alleen dat het financieel niet zo opschiet. Het is inderdaad een linkse hobby: kunsten maken. Ik ben daar trouwens mijn hele leven bloedserieus mee doorgegaan. Want ja, ik kan het toch niet laten.”

Je viel dus in een zwart gat?
“Wat zet je dat zwaar aan, man! Ik had na Jiskefet gehoopt op een buffertje, maar dat was toen gauw op.”

En je liep niet over van tomeloze ambities?
“Ik heb nog steeds het imago van het ongeleide projectiel, ook jij denkt dat Kellerhuis, terwijl ik de grootste perfectionist ben die op deze aardkloot en ver daarbuiten rondloopt. Let wel: ik neem het acteren zeer serieus. Bij elke rol zet ik me voor tweehonderd procent in.”

Alleen kruisen die niet zo vaak je pad.
“Mensen vinden het denk ik eng om met mij te werken.”

Of pas je in geen enkel stramien?
“De kop hebben we, jongens: ‘Ik pas nergens bij.’”

Ben je niet stikjaloers op je oude maten?
“Ja, maar het is een leuk soort jaloezie. Ik heb wel eens in een interview geroepen: ach jongens, die kutboekies schrijven, dat kan toch iedereen? Een goeie pot acteren, kom daar maar eens om, Koch! Maar wat hij heeft gedaan is toch meesterlijk?”

Hoe gaat het eigenlijk met hem?
“Goed ja, denk ik, maar zo vaak zie ik hem niet meer. Die schooier schiet de hele wereld over. Wel te gek hoor met zo’n bestseller. Het wordt nu verfilmd met Richard Gere in de hoofdrol.”

Mis je zijn gezelschap niet? Jullie zijn boezemvrienden sinds 1961.
“Ja nou goed, in die zin zijn we nu even verwijderd van elkaar, omdat hij een heel ander leven heeft. Dan bel ik hem op en dan zegt hij: ik sta nu op Schiphol, ik vlieg zo direct naar Argentinië. Maar goed: dat kan hij goed. Ergens in Argentinië met zijn uitgever zitten en wat eten. In je eentje op een hotelkamer. Ik zou er niet aan moeten denken. En ook niet te veel zuipen, want de volgende dag zit je weer in zo’n gezelschap.”

Vind je dat niet pijnlijk?
“Welnee. Wat wel pijnlijk was: dat het financieel zo raar is gegaan na Jiskefet. Jezus, ik had op het ogenblik wel een paar centen kunnen gebruiken. En dan zie je Herman zo omhoog knallen, dat ik denk: godverdomme, ik sta zonder benzine en bij hem komt de ANWB telkens zijn hele tank gratis volgooien.”

Ach, jochie!
“En als ik ergens voor word gevraagd, beginnen ze al meteen te zeggen: er is weinig geld. Terwijl de rode loper toch voor mij uit moet? Ik hoef toch niet meer aan te kloppen en te smeken: is er alsjeblieft nog ergens een programma voor mij? Nee, ze moeten met grote wagens voorrijden en vragen: wilt u alstublieft weer eens iets maken voor de omroep? Maar nee hoor, ik mag gewoon achter aansluiten. Ook weer heel Hollands.”

Waar leef je eigenlijk van?
“Ik verhuur nu de bovenste verdieping van mijn prachtige huis aan de Amstel. En ik leef van wat acteerwerk. Het voordeel daarvan is dat ik veel tijd heb. Maar ik verveel me snel. Onrustige natuur, hè? Er moet wel weer iets gebeuren jongens, kom op. Maar zwervers in speelfilms spelen, daar heb ik geen meer in.”

Hoe zit het dan met je reclamewerk? Je vertelde me dat je onlangs werd benaderd door de Gamma.
“Ik zei: dat doe ik gewoon niet. Omdat ik dan mijn grote mond moet houden over andere mensen die het doen. Ik vind het verschrikkelijk.”

Waarom vind je dat zo erg?
“Omdat ik niet het hoofd van meneer Gamma wil worden.”

Een vorm van hoererij?
“Ik vind dat nog verder gaan. Ik vind het totale uitverkoop als je zoiets doet. In de Jiskefet-tijd zijn we wel duizend keer gevraagd om als Lullo’s voor Heineken te poseren. Dat heb ik nooit gedaan. Hoewel Kees Prins wel.”

Kom nou: je hebt toch zelf heel veel radioreclames gedaan?
“Ik heb er ontzettend veel ingeluld, maar met mijn hoofd erbij, dat gaat me te ver. En bovendien een heel rare mentaliteit van veel acteurs en BN’ers: was dan gewoon makelaar geworden als je veel geld wilt verdienen. Maar het is heel hip: verschrikkelijk. Goed, mensen moeten het allemaal zelf maar weten. Ik ben ook van een andere generatie.”

Wat is nu precies je bezwaar?
“Het zou toch het allerergste zijn als ik met mijn kop op zo’n billboard zou staan en daaronder de tekst: ‘Ga maar lekker naar Gamma.’ Ik zou me kapot schamen. Dat past niet bij me. Tenzij het misschien nog een ongehoord geestig spotje is. Nee, ik zou het niet kunnen aanzien. Ongeloofwaardig. Ik hoorde trouwens dat er bij de vertoning in filmzalen van Michiel de Ruyter, met Frank Lammers in de hoofdrol, voortdurend ‘Jumbo, Jumbo’ wordt gescandeerd. Stommerd, denk ik dan, had gewoon iets met je haar gedaan, zodat je er in die spotjes net iets anders uitziet. En mijn broek viel laatst van mijn kont toen ik drie cabaretiers bij mevrouw Jinek uitgebreid aan het woord zag over hun programma tegen Valentijnsdag. De Grote F*ck Valentijn Comedyshow, heet het geloof ik. Nou, nou, dat zijn nog eens statements, meneertjes!”

Heb je nooit het cabaret in gewild?
“Ik vind kleinkunst zo ongeveer het ergste wat er is. Iedereen is tegenwoordig kleinkunstenaar of cabaretier. Goeiedag, zeg. Het zijn ook altijd heel ‘grappige’ mensen met een heel hoog ‘ondeugend’ gehalte. Maar als je goed kijkt: men doet alsof men anarchist is of ergens tegen, maar binnen het idioom is het allemaal heel keurig en blijven ze netjes binnen de lijntjes. Maar je kunt er veel geld mee verdienen dus al die studentjes denken: ik word maar cabaretier.”

Ben je niet jaloers op sommige cabaretiers?
“Nee.”

Wat vind je bijvoorbeeld van Koefnoen?
“Hetzelfde probleem. Een van die jongens, Paul Groot, is heel goed, maar er zit geen angel in, het is niet gevaarlijk. Dat heb ik altijd met dat cabaret. Het is keurig, burgertruttig, geen bal aan. Allemaal zo afgepast. Het zou moeten jeuken. Maar deze tijd is getut. Wij zetten ons nog af tegen de hokjesgeest in Nederland. Het is alsof de hokjes juist omarmd worden. Verschrikkelijk.”

Speel je nu een beetje de zure ouwe lul?
“Welnee, ik meen het. Bij ons zat er tenminste anarchie in, en movement. Krakers en rellen. Ik kom zelf uit een artistiek milieu, uit de jaren zestig en zeventig. Terwijl de patatbakkers nu echt hebben gewonnen. De burgertrutten heersen over de cultuur. Het is tegenwoordig toch vooral met zijn allen gezellig naar de Toppers? Goeiedag! De enige die ik het nog wel zie doen is Bert Visscher. Maar daar noem je ook iemand.”

Vind je eigenlijk niet gewoon dat je een geweldig leven leidt?
“Jawel.”

Je doet namelijk precies waar je zin in hebt.
“Precies. Maar ik zou weer eens iets willen maken waar ik mijn tanden in kan zetten. Godverredomme.”

Je zegt het wel, maar je doet het niet.
“Nee, want ik heb nogmaals geen zin meer om naar die netmanagers te gaan, dat tuig. Ik moet zo lachen om die tv van tegenwoordig. Het is allemaal niet meer om aan te zien. Eén grote rotzooi. Ik voel me er als een toerist in eigen stad. Een verschrikkelijk kutwereldje. Ik mag het by the way toch wel even lezen van te voren?”

Wat zou je dan tegen het Hilversumse tv-wereldje willen zeggen?
Stay away, stay away. Nou, die Maxim Hartman maakt trouwens wel een aardig programma. Hij zei laatst in een interview: tv kan een ongehoord geestig medium zijn, maar het wordt zo misbruikt. Wat Hartman zei, is waar: het is een hartstikke leuk medium waar tegenwoordig alles wordt verpest doordat ze er een limiter op zetten. Iedereen doet zijn best voor de gemiddelde smaak. Al die kauwgumballenfilms die er nu weer aankomen. En die paar goeie dingen die worden gemaakt, worden ervan afgekukeld, omdat het niet scoort.”

Zelfs niet bij de VPRO? Wat vind je dan van zo’n Arjen Lubach?
“Het is wel goed gemaakt. Scherp. Maar die jongen is niet te harden.”

Zeg jij dat gewoon on the record?
“Nee, nee, nee, niet opschrijven. Ik zeg dit off the record. Maar hij is vooral niet geestig. Dan kun je wel een komisch programma hebben… maar het is van die gymnasiastenhumor.”

Ben je niet gewoon zurig?
“Haha! Laatst zei iemand tegen mij: grumpy old man. Nee, niks. Ik ben gewoon objectief. Ik kijk gewoon.”

Je kankert wel op bijna iedereen.
“Ik vind het gros van de mensen ook heel vervelend. Maar goed, als je dat zegt ben je toch altijd de lul. De mensen mogen van alles over jou zeggen, maar o wee als je terugtrapt…”

Het gros van de mensheid is niet te harden?
“Het is verschrikkelijk. Ik kan niet tegen proleten. Daarom speel ik ze vaak zo goed. Mijn gouden uitspraak is: irritatie is inspiratie. Van die kutwijven met zo’n larvenbak afgebiesd met plastic bloemetjes die luid tetterend met een Blaricums accent ongegeneerd met hun moeder zitten te telefoneren en dan ook nog keihard door rood rijden. Als je er wat van zegt, doen ze net alsof ze je niet gehoord hebben, en karren met een stoïcijnse kop door. En toen ik laatst een keer eentje keihard ‘kuthoer’ toeriep, zag ik toch een glim in haar ogen, volgens mij van pure opwinding.”/

Michiel Romeyn speelt in de telefilms De grote Zwaen (NPO 3, zondag 15 mei) en MOOS (NPO 3, zondag 29 mei).

Beeld: Corné van der Stelt