‘Na Kroos, Wiersma en zo’n andere trut zei ik: ik ga niet meer naar vrouwencabaret’

Kees Torn (1967) is cabaretier. Wat leest, kijkt en luistert hij zelf?

Boeken
“Er is geen levende schrijver die ik dieper bewonder dan Jeroen Brouwers. Hij kan schrijven over heel lelijke dingen: eenzaamheid, afgewezen worden, misbruik, onrecht, mislukking… Maar met zo veel precisie en aandacht, dat het resultaat een werk van schoonheid is. Hij maakt iets moois van iets wat lelijk is. In zijn laatste roman Het hout schrijft hij over het wantoestanden binnen een internaat. Dat is een heel pijnlijk onderwerp, en toch moest ik de hele tijd lachen. Omdat hij het zo zakelijk beschrijft. En ik genoot van het boek – ook al staat het onderwerp heel ver van mij af – omdat het zo mooi is geschreven. Zijn boek De laatste deur, een studie over zelfmoord, in het bijzonder onder schrijvers, beveel ik iedereen aan. Het helpt om na te denken over zelfmoord en je daar een mening over te vormen.

“Ik heb ervoor gekozen om dezelfde houding als de auteur aan te nemen: solidariteit. Wanneer iemand in je omgeving zichzelf van het leven berooft, is het heel makkelijk om die persoon te veroordelen. Maar je moet beseffen dat niemand zichzelf zomaar even van kant maakt. Daar gaat iets aan vooraf. En Jeroen Brouwers was nodig om mij dat besef bij te brengen.
“Ik lees veel, maar heel veel vind ik ook niets aan. Arnon Grunberg, Joost Zwagerman, Ronald Giphart en noem ze maar op: ik vind het al snel te dom en oninteressant. Harry Mulisch leest lekker weg, maar meer ook niet. Hij vertelt nooit iets nieuws. Ik vind het eigenlijk niet eens literatuur, het zijn meer een soort jongensboeken. W.F. Hermans bewonder ik zeer. Ik werd door zijn werk gegrepen toen ik de inleiding van Een heilige van de horlogerie las. Dat gaat over een man, een bediende, die dagelijks in de weer is om een verzameling klokken aan de gang te houden. Maar aan dat verhaal gaat een soort preambule vooraf waarin de schrijver filosofeert over een oertijd zonder klokken en kalenders. Ik heb altijd een leven zonder wekker nagestreefd. Ik vind dat zo’n raar ding, hè. Je laat je toch niet zomaar door een machientje uit je slaap rinkelen? De laatste wekker die ik had, heb ik met een buks kapotgeschoten. De wekker is een martelinstrument.
“Van Kurt Vonnegut heb ik al veel gelezen, maar ook best wel wat nog niet. Dus ik heb nog iets om naar uit te kijken. Een van zijn mooiste boeken is Slaughterhouse-Five, over het bombardement op Dresden, en dat gaat over de zinloosheid van die terreurdaad. Het had geen zin om die stad kapot te maken. Hij schrijft helder over de toedracht, de omstandigheden en de gevolgen voor de betrokkenen, waar hij er een van is geweest. En over de onmogelijkheid om er iets zinnigs over te zeggen. Midas Dekkers waardeer ik zeer. De stijl van Midas Dekkers is toegankelijk omdat hij moeilijke woorden mijdt, gewend als hij is aan radiovoordracht. Daardoor zou de diepgang van zijn inzichten nog weleens over het hoofd kunnen worden gezien. Ik pleit ervoor zijn werk aandachtig te lezen. En ik blijf, samen met een grote groep liefhebbers, alles van Simon Carmiggelt aanprijzen. Ik kan me niet voorstellen dat er mensen zijn die zijn stukjes niet kunnen waarderen.
“Van poëzie snap ik niets. Poëzie is expres onduidelijk zijn. Je weet als dichter toch wat je wilt zeggen? Zeg dat dan! En zorg dat er geen misverstanden over je tekst ontstaan. Maar dichters houden van onduidelijkheid. Ik niet. Poëzie ervaar ik als een vorm van luiheid. Net als jazz. Jazz is expres de verkeerde nootjes spelen op je saxofoon.”

Beeldende kunst
“Ik was altijd dol op tekenen, maar dat plezier is mij op de kunstacademie ontnomen. Kunst behoort vrij te zijn, maar op die school mocht niets. Aquarelleren met acryl? Hoe haalde ik het in mijn hoofd?! Ook het kijken naar kunst is daar grondig verpest. Nog steeds hoor ik de stemmen van de docenten door mijn hoofd galmen als ik naar een schilderij kijk. Dat ik het niet gewoon ‘mooi’ mag vinden maar dat moet onderbouwen. Ik kan niet meer onbevangen naar kunst kijken. Ik ga om die reden ook niet zo vaak naar musea. Ik ben allergisch geworden voor kunst.
“In de Sint-Baafskathedraal in Gent, waar mijn vriend Matthias Giesen en ik waren om naar de schrijfmachines van W.F. Hermans te kijken, zag ik onlangs Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Wat is dat goed geschilderd, zeg! De uitvinders van
de olieverf hebben er ook meteen uitgehaald wat eruit te halen viel. Sowieso heb ik een behoudende smaak. Ik hou van de oude meesters. Van Vermeer en Fabritius – die allebei in Delft woonden – gaat het verhaal dat ze rivalen waren. Dat ze dingen bedachten om elkaar af te troeven. Fabritius’ beroemde puttertje is een en al achtergrond. Natuurlijk springt dat vogeltje er meteen uit, maar het schilderij was vooral bedoeld om te laten zien hoe goed hij een muur kon schilderen. Het is weliswaar een kale muur, maar het is geen saaie muur. Dat is uitsloverij. In het trappenhuis van het Frans Hals Museum in Haarlem hangt het schilderij Eva treurend om het lot van Abel van Jacobus van Looy, een van mijn lievelingsschilderijen. Ik ben onder de indruk van die rug. Het is een verdrietige rug. Kun je een verdrietige rug schilderen? Nee. Alleen Van Looy kon dat. Gaat u zelf maar kijken.”
“Ik kan niet ontroerd raken door een schilderij. Ben ik gek? Ik heb eens een uur voor Het Joodse bruidje van Rembrandt gezeten, want dat heeft Van Gogh ook ooit eens gedaan, maar er gebeurde niks. Natuurlijk is het wel leuk dat al die kloddertjes verf van een afstandje opeens glinsterende knoopjes worden. Rembrandt was in dat opzicht ook een impressionist. Waar ik wel ontroerd van kan raken, zijn vliegtuigen. De Fokker G-1 vind ik een geil toestel. Het is een tweemotorig oorlogsvliegtuig met een gondel tussen twee staartbomen en een geschutskoepel achterin. De symmetrie van zo’n vliegtuig ontroert me. Natuurlijk weet ik ook wel dat die vliegtuigen worden gemaakt om soldaten mee te beschieten. Het is ook absurd: dat een object dat helemaal niet gemaakt is om mooi te zijn – het doet juist het tegenovergestelde van wat mooi is – toch zoveel schoonheid bevat.”

Muziek
“Klassieke muziek is mijn passie. Ik heb net nog de Mis in B-mineur van J.S. Bach beluisterd. Zo mooi. Als ik zelf piano speel, speel ik bijna uitsluitend Bach. Het is niet de makkelijkste componist om te spelen. Frédéric Chopin bijvoorbeeld was zelf pianist. Dat is pianistische muziek, bedacht vanuit wat handen kunnen. Maar Bach schreef uit het hoofd. Hij schreef de nootjes op omdat hij die nootjes nodig vond. Hij maalde er niet om of een pianist een pink of een duim tekort kwam of niet – die noot hoorde op die plaats en diende gewoon gespeeld te worden. En dat vind ik geweldig.
“Ik ben weleens in tranen uitgebarsten bij het omslaan van een bladzijde van een partituur van Bach. De gigue van de vijfde Franse Suite. Ik was onder de indruk van de architectuur van het stuk, van de beeldschone symmetrie ervan. Het notenbeeld ontroerde me. Bach is de Shakespeare van de klassieke muziek: iedere componist staat in zijn schaduw. Waarom zou je naar Louis Andriessen luisteren als je ook Bach hebt? Of naar Beethoven?
“Naar Andriessen luister ik ook wel hoor. Zijn compositie De Staat vind ik heerlijk. Daar zit zo’n fijne cadans in. Weet je wie ik weleens zou willen ontmoeten? Reinbert de Leeuw. Ik snap niet dat een man van zijn statuur zo dol is op de muziek van Liszt. Hoe kun je nu dol zijn op de muziek van Liszt? Dat is bravouremuziek. Filmmuziek. Uitsloverij. Pas toen Liszt wist dat hij niet lang meer te leven had, heeft hij mooi verstilde stukken geschreven, zonder al dat lawaai. Ik had aanvankelijk ook niet zoveel met Jean Sibelius, die ik kende van de Finse landschappen die hij symfoniseerde. Maar Glenn Gould, de legendarische pianist, heeft subtiele schets- jes voor de piano opgenomen. De Sonatines. En daar ben ik hem dankbaar voor, anders was het niet tot mij doorgedrongen wat een briljant componist Sibelius was.”
“Glenn Gould is mijn lievelingspianist. Het bekendst is hij natuurlijk van de Goldberg-variaties van Bach die hij heeft opgenomen. Hij heeft van Bach moderne muziek gemaakt. Hij liet door zijn uitvoering van die variaties zien dat het geen oude mottenballenmuziek is, maar dat die muziek sprankelt. Gould maakte ook pianobewerkingen van muziek die helemaal niet geschikt is voor piano. De Zesde Symfonie van Beethoven bijvoorbeeld, of de Siegfried-Idyll van Wagner. Het leuke van zo’n werk zit ’m vooral in de orkestratie. Een subtiel hobootje, een paukje – dingen die je helemaal niet kunt vertalen naar de piano. En toch deed hij het. En goed ook. Hij heeft mij anders naar die muziek leren luisteren.”

Film
Brazil van Terry Gilliam, over een dromer die in een bureaucratische nachtmerrie leeft, heb ik dertig jaar geleden voor het eerst gezien en nog steeds vind ik het de beste film ooit gemaakt. De gekte van die film is zo briljant. Brazil speelt zich af in een futuris- tische maatschappij, maar ouderwets futuristisch. Met computerschermen die geen computerschermen zijn maar een soort lenzen met een spiraalvormige vitrage, brieven die via buizenpost worden verzonden… Hij gebruikt soms ook cameralenzen waar je vloeistof in kunt spuiten, waardoor je interessante, vertekende beelden krijgt.”
“Ik kijk graag naar films. Het komt voor dat ik twee of drie films per dag kijk. De laatste film die ik heb gezien is Zathura – A Space Adventure van Jon Favreau. Het gaat over twee kinderen die met een huis door de ruimte vliegen. Best een aardige film. Scifi is leuk, maar dan moet het wel een beetje intelligent in elkaar steken. Van de nieuwe Star Wars heb ik nu het eerste halfuur gezien. Ik hou het gewoon niet vol, die flauwekul. Die ruimteschepen en lichtzwaarden en robots die in een soort robottaal spreken – het is allemaal zo kinderachtig. Ik heb de eerste drie films wel helemaal uitgezeten, maar dat was alleen omdat ik de parodie die Family Guy op Star Wars had gemaakt beter wilde begrijpen.”
“Als je een vriendin hebt, is het moeilijk om een film te vinden die je allebei leuk vindt. Maar ik heb daar een trucje op bedacht. Als ik haar wil verleiden om een scifi- of fantasyfilm te kijken, zeg ik gewoon dat het een romantische komedie is. Transformers zou je namelijk best een romantische komedie kunnen noemen, als je het eerste stuk overslaat waarin een als auto vermomde reuzen- robot een helikopter uit de lucht slaat. En het werkte! Ze heeft de hele film uitgekeken.
Heavenly Creatures van Peter Jackson hebben we ook samen gekeken. Dát vond ik pas een indrukwekkende film. Het is een waargebeurd verhaal over twee tienermeisjes die in de jaren vijftig hun moeders de schedel inslaan. Het is een heel naar verhaal, maar op een prachtige manier verteld en verbeeld, met een lange, lichtvoetige aanloop die de afgrijselijkheid onontkoombaar maakt.”

Theater
“Ik ga eigenlijk niet zo graag naar het theater. Ik voel me opgesloten in zo’n zaal. Ik wil naar buiten kunnen lopen om een sigaartje te roken. En daarbij: ik vind er geen fuck aan wat er tegenwoordig in de theaters gebeurt.
“Met een toneelstuk doe je me sowieso geen plezier. Ik vind echte mensen al eng genoeg, laat staan acteurs. Dat vind ik rare mensen. IJdeltuiten. En ik snap ook niet waarom het bestaat. Wat heeft het nu voor zin om in een zaal te gaan zitten kijken naar mensen die doen alsof jij er niet bent? Dan kun je net zo goed naar een scherm kijken.”
“Dans, en dan in het bijzonder ballet, vind ik moeilijk om te zien. Ik heb als kind op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag gezeten, en daar heb je ook ballet. In een soort betonnen kazerne werden de tienermeisjes en -jongens geprogrammeerd om als robots Het Zwanenmeer of De Notenkraker te dansen. Er heerste een militaire sfeer. Ik zie die docenten nog voor me, scheldend en tierend tegen huilende kinderen. Het was gewoon misdadig. Volgens mij is de opleiding tot balletdanser de zwaarste opleiding die er bestaat, zwaarder dan straaljagerpiloot worden. Ik ben nog weleens naar een voorstelling van het Scapino Ballet wezen kijken – ze brachten het verhaal van Romeo en Julia op muziek van Prokofjev – maar ik kon er niet onbevangen naar kijken. Ik weet namelijk hoe wreed die opleiding is. Het is leuk om creatieve mensen aan het werk te zien, maar ze moeten er lol in hebben, vind ik. Die lol zie ik bij ballet niet.
“Mijn vrouw houdt meer van theater dan ik. Laatst ben ik een paar keer met haar mee geweest. De eerste keer was naar Sara Kroos, toen naar Dorine Wiersma en later nog een keer naar zo’n andere trut… o ja, Nathalie Baartman. Ik vond alle drie de voorstellingen geen moer aan. Er zat geen een leuke grap in. Toen heb ik tegen haar gezegd: ik ga niet meer mee naar vrouwencabaret. Bel maar een vriendin, maar ik wil dit nooit meer mee hoeven maken.”
“Nu lijkt het alsof ik alleen vrouwelijke cabaretiers niets aan vind, maar de meeste mannen zijn ook niet leuk. Vroeger had je de Grote Drie: Wim Kan, Toon Hermans en Wim Sonneveld. Alle cabaretiers daaromheen deden er niet toe. Meer dan drie zijn er nooit geweest. De Grote Drie van mijn generatie zijn Hans Teeuwen, Theo Maassen en ik – maar ik ben er een beetje uit. Van de jongere garde vind ik Wim Helsen erg goed, Micha Wertheim bewonder ik ook. Maar verder is het niet veel. Youp bewonder ik ook, maar op een andere manier. Ik vind hem vaak te gemakzuchtig. Ik heb zijn laatste programma gezien en er zat geen grap in die ik zelf niet geschrapt zou hebben. Te voor de hand liggend allemaal. Dat geldt eigenlijk voor het meeste cabaret: het is te voor de hand liggend. Geen bal aan. Maar Eraf met dat dak, het programma van Onno (Innemee – red.) en mij, is een voorstelling die iedereen moet zien. Wij leveren topkwaliteit. Beter dan dit wordt het in de theaters niet.”/