Slecht én goed nieuws over dementie

Dementie komt steeds vaker voor en zal voorlopig nog niet te genezen zijn, helaas. Maar je kunt wel het risico erop verlagen door geestelijk en lichamelijk actief te zijn en door gezond te eten.

De grootste angst van ouderen is dat zij hun onafhankelijkheid verliezen en niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. Nog erger dan
het lichamelijk afhankelijk worden is de afname van de geestelijke vermogens, met als ultieme nachtmerrie: dement worden. Dementie is niet alleen een verschrikkelijke ziekte voor de persoon zelf, die voelt dat zijn of haar geestelijke vermogens langzaam wegvloeien, maar ook voor de directe omgeving. Het is gruwelijk om de persoonlijkheid van je dierbare te zien afsterven, totdat eigenlijk alleen het lichaam nog maar over is.

Over de strijd tegen dementie is zowel goed als slecht nieuws te melden. Om met het slechte nieuws te beginnen: het aantal nieuwe gevallen van dementie neemt sterk toe. Een reden hiervoor is dat we steeds ouder worden, en hoe hoger de leeftijd, hoe groter de kans op dementie. Dit is echter niet de hele verklaring. Er is namelijk een vloedgolf aan extra gevallen van dementie op komst door de sterke toename van overgewicht en diabetes type 2. Zo sterk zelfs dat men in de Verenigde Staten deze vorm van dementie al diabetes type 3 heeft genoemd. Mensen die lijden aan diabetes blijken ruim tweemaal zo veel kans te lopen op dementie.

En er is nog meer slecht nieuws: op dit moment is er geen therapie beschikbaar om dementie te genezen of zelfs maar om de voortgang te vertragen. Ook zit er op dit moment geen nieuw geneesmiddel in de pijplijn dat daarop concrete vooruitzichten biedt. Omdat het zomaar tien jaar kan duren voordat een nieuw experimenteel middel beschikbaar komt als geneesmiddel, durf ik te stellen dat er binnen deze termijn ook geen doorbraak zal zijn in de behandeling van dementie. Geen prettig vooruitzicht dus.

Maar er is ook goed nieuws. De laatste jaren heeft wetenschappelijk onderzoek nieuw licht geworpen op het ontstaan van dementie, en daarmee ook op manieren om het risico op deze ziekte te verkleinen. Laat ik beginnen met de resultaten van een groot recent onderzoek uit Frankrijk. Wetenschappers bestudeerden daarbij gegevens die Franse pensioenmaatschappijen ter beschikking hadden gesteld. Ze keken naar de het verband tussen de leeftijd waarop mensen met pensioen gaan en het later al dan niet optreden van dementie. Om de verklaring dat mensen met (vervroegd) pensioen gingen omdat zij zich al ziek voelden, uit te sluiten, werden alleen de gegevens bekeken van mensen die bij hun pensionering gezond waren. Tot ieders verrassing bleek dat hoe vroeger mensen met pensioen gingen, des te groter de kans was dat zij later dement werden! Om precies te zijn, elk jaar eerder met pensioen verhoogt de kans om later dement te worden met 3,2 procent. Hoewel de onderliggende oorzaak voor het optreden van dementie hiermee niet is gevonden, lijkt de door het (vervroegd) pensioen veroorzaakte verminderde stimulatie van de hersenen hierbij een rol te spelen.

Inmiddels is ook bekend dat dementie niet zomaar uit de lucht komt vallen. Gemiddeld zeven jaar voordat dementie wordt gediagnosticeerd, blijkt er al sprake te zijn van lichte stoornissen in het geheugen en andere hersenenfuncties. In medisch vakjargon wordt dit ‘minimale cognitieve disfunctie’ genoemd – te herkennen doordat een persoon mentaal trager functioneert dan voorheen en meer problemen krijgt bij het uitvoeren van complexe taken. Deze stoornissen, die in de meeste gevallen uiteindelijk leiden tot dementie, reageren wel gunstig op bepaalde mentale trainingen, en in tegenstelling tot dementie zijn ze omkeerbaar.

In een ander onderzoek werd bij een grote groep gezonde ouderen van gemiddeld 75 jaar gemeten in hoeverre ze actief waren – met bijvoorbeeld het oplossen van kruiswoordpuzzels en het doen van gezelschapsspelen. De onderzoekers keken vervolgens of er een verband bestond tussen de activiteiten en hobby’s van de bejaarden en hun kansen op dementie op latere leeftijd. Hoe actiever de bejaarden waren, hoe lager dit risico bleek. Bij sommige activiteiten – dansen, gezelschapsspelen en het bespelen van een muziekinstrument – was er zelfs sprake van maar liefst 75 procent minder risico.

Ook een ander onderzoek is hoopgevend. Een groep gezonde ouderen werd hierbij gedurende twaalf jaar gevolgd. Vooraf werden de bloedwaarden van de zogenaamde omega-3-vetzuren gemeten. Omega-3-vetzuren komen vooral voor in noten en vette vissoorten als zalm en haring en zijn belangrijk voor het optimaal functioneren van onder andere de wanden van hersencellen. Het bleek dat mensen met een hoge bloedspiegel van omega-3-vetzuren 45 procent minder risico liepen om dement te worden dan mensen met lage omega-3-waarden. We weten nu ook dat een lagere bloedsuikerspiegel het risico op dementie vermindert. En moderne onder- zoekstechnieken wijzen uit dat lichaamsbeweging de doorbloeding en de activiteit van de hersenen verhoogt, en zelfs het volume van de hersenen doet toenemen – dit is waarschijnlijk het mechanisme waardoor ook lichaamsbeweging de kans op dementie verlaagt.

Hoewel er voorlopig dus geen geneesmiddel zal zijn om dementie te behandelen, lijkt het erop dat we zelf maatregelen kunnen nemen om het risico op dementie aanzienlijk te verlagen. Het is vooral belangrijk om geestelijk en lichamelijk actief te blijven en te zorgen voor voeding met weinig suiker en juist veel omega-3-vetzuren. U kunt eventueel ook supplementen met omega-3-vetzuren innemen, die gelukkig overal verkrijgbaar zijn.

Doen, voordat u het voorgoed vergeet./

William Cortvriendt