Profiel: de jonge jaren van Johan Cruijff

Op jonge leeftijd breide zijn moeder al een wit pakje met een rode baan voor hem en hij woonde praktisch in het stadion: Johan Cruijffs lotsbestemming was al vroeg bepaald. Vandaag overleed de grootste voetballer van Nederland op 68-jarige leeftijd. Auke Kok ging in 1994 op zoek naar de bronnen van het verschijnsel Cruijff, een hardnekkig loyale en eigenwijze knokker.

Ooit gehoord van Gerrie Splinter? Nee natuurlijk – en dat is precies wat Gerrie Splinter een beetje dwarszit. Vroeger stond hij bekend als een fantastische voetballer, als een van de grootste talenten van Ajax. Gerrie Splinter was een geboren voetballer, kon iedereen in voetbalminnend Amsterdam-Oost je vertellen; hij ging het helemaal maken. Hij kon even goed voetballen als zijn teamgenoot en vriend Johan Cruijff. Maar terwijl de laatste inmiddels doorgaat voor zo’n beetje de beroemdste Nederlander aller tijden, is Gerrie Splinter in tegenstelling tot Cruijff op geen stukken na miljonair geworden, en beperkt de groep mensen die hem kennen zich tot de vijf medewerkers en de leveranciers van zijn lampenfabriekje, alsmede zijn vrouw, met wie hij overigens al 25 jaar getrouwd is, en zijn familie en vrienden. “Als ik vroeger wat meer mijn best had gedaan had,” zegt hij, “dan had men nu niet alleen in een beperkt kringetje geweten wie Gerrie Splinter is. Toch wel jammer.” Ze hadden veel gemeen, Splinter en Cruijff. Sinds ze eind jaren vijftig lid mochten worden van Ajax (wat toen al voorbehouden was aan de betere voetballertjes; de meeste nieuwelingen moesten testwedstijden spelen), trokken ze veel met elkaar op. Beiden waren geboren in april – zij het Splinter een jaar eerder, in 1946 – en in het teken van de ram. Buiten de krijtlijnen haalden zij dezelfde kwajongensstreken uit, daarbinnen koesterden zij dezelfde passie. Doelpunten maken, en wel zoveel mogelijk. Ze etaleerden hun kunstjes allebei in de voorhoede en menige wedstrijd speelden zij niet tegen de opponent, maar tegen elkaar.


“Ons elftal verloor haast nooit,” zegt Barry Hulshoff, de latere verdediger in Ajax 1 en het Nederlands Elftal, destijds hun medespeler. “De enige keren dat Johan baalde, was als hij er minder gemaakt had dan Gerrie.” Toen de twaalfjarige Piet de Waal – tegenwoordig caféhouder aan de hoofdstedelijke Martelaarsgracht – op het punt stond de overstap van DWS naar Ajax te maken en zodoende teamgenoot van Cruijff en Splinter te worden, ging hij met zijn vader naar het elftal kijken. Ze speelden een zogeheten voorwedstrijd in het stadion De Meer. Maar hoewel de helden van het eerste elftal na hen de arena zouden betreden, en er dus al veel publiek was, viel er van enige schroom bij de twee haantjes in de voorhoede niets te merken. “Ik schrok me dood,” herinnert De Waal zich. “Eerst had Splinter de bal. Hij omspeelde vijf tegenstanders en maakte een doelpunt of het niks was. Vervolgens kreeg Cruijff de bal, en die deed precies hetzelfde! Die twee konden alles met een bal, het leken wel tovenaars. Ze waren veel beter dan de rest; overige leden van het elftal stonden er maar een beetje bij. Ik dacht: waar begin ik aan. Straks krijg ik ook niets te doen.”
Ook de club-autoriteiten bemoeiden zich ermee. Op een dag had het elftal van B1 weer eens met 5-0 gewonnen, maar, zoals in Ajax-Nieuws, jaargang ’59-’60, streng werd opgemerkt: “Twee dingen, vrienden, speciaal aan het adres van Ger Splinter en Joh. Cruyff (de spelling van diens naam was toen al aan misverstanden onderhevig – red.): voetbal is een teamsport. Alle elf spelers willen graag de bal spelen. Geef dat ding eens af! Zelfzuchtigheid is verkeerd.”

Cruijff en Splinter deden qua egoïsme en talent niet voor elkaar onder. Maar terwijl de eerste inmiddels leeft als een vorst in zonnig Spanje, kijkt de laatste op een troosteloos industrieterrein nabij Hoorn uit op Jadodak Dakbedekkingen en Van der Geer’s Wasverzorging, waar de regen zachtjes langs de ramen glijdt. “In mijn puberteit kreeg ik steeds meer oog voor andere dingen dan voetbal,” zegt hij. “Ik vond dat het leven nog meer te bieden had. Ik heb niet slecht geboerd hoor, daar niet van, maar ik denk weleens bij mezelf: had ik het toen maar anders gedaan – was ik maar niet gaan stappen in de Can-Can.”

Hun gezamenlijk hoogtepunt bereikten Cruijff en Splinter in de zomer van 1964. Met Ajax’ zogenaamde betaalde jeugdelftal – een vorm van professionalisme die destijds overigens meer naam dan daad was – wonnen zij het internationale en prestigieuze jeugdtoernooi van het Haagse ADO. Wat er daarna met de twee concurrerende spitsen gebeurde, laat zich al aflezen aan de kampioensfoto. De zeventien jarige Cruijff staat glunderend links vooraan, in bezweet sporttenue, een bos bloemen in de hand: hij was zojuist uitgeroepen tot de beste voetballer van het toernooi. Splinter staat ergens rechts, in een colbertje en stropdas, beteuterd voor zich uit te kijken. Gezien zijn kledij had hij in de finale – een 4-1 overwinning op de junioren van Dynamo Zagreb – waarschijnlijk niet eens mogen meedoen.

Het was de laatste keer dat ze samen poseerden. Vijf maanden later debuteerde Johan Cruijff in Ajax 1, waarna het contact werd verbroken. Precies tien jaar na het ADO-toernooi zagen ze elkaar weer. Als voorbereiding op het WK in West-Duitsland (het toernooi waarop Cruijffs immense populariteit in Europa dankzij de TV-camera’s zou expanderen naar de rest van de wereld), oefende het Nederlands elftal, het beste dat er ooit was en waarin Cruijff het dirigentenstokje hanteerde, tegen het Nederlands Amateurelftal. De spits in het amateurelftal was Gerrie Splinter. Voorafgaande aan dat wedstrijdje kregen de duur betaalde Oranje-spelers chocolade konijntjes – het toenmalige KNVB-logo. Cruijff schonk zijn konijntje aan zijn vroegere concurrent, die daar nog altijd met enige trots over vertelt. De amateurs wonnen met 1-0.

Weer tien jaar later, in 1984, stopte Cruijff met voetballen – in het shirt van Feyenoord, uitsluitend en alleen omdat het Ajax-bestuur zich een jaar tevoren laatdunkend had afgevraagd of de beroemdheid zijn contract nog wel waard was, waarna Cruijff bij wijze van wraakoefening was overgelopen naar de Rotterdamse aartsrivaal en hij die club voor het eerst sinds tijden kampioen en bekerwinnaar had gemaakt. Na een imposante, met onderscheidingen en bekers doorspekte loopbaan bij Ajax, Barcelona, Los Angeles Aztecs, Washington Diplomats, Levente en opnieuw Ajax, kon zijn lichaam, toch al niet het sterkste, het eigenlijk niet meer aan. Maar men had hem getart en – Hulsoff: “Typisch Cruijff hè, altijd rancuneus”- dat had hij niet gepikt.

Om te bewijzen dat hijzelf en niemand anders zou beslissen wanneer hij z’n carrière zou beëindigen, schraapte hij een seizoen lang alle resterende energie bij elkaar – al impliceerde het dat hij zich iedere zondagavond als een vermoeide oude man de trap moest opslepen. Tijdens zijn laatste Ajax-seizoen had hij liefst een op de drie wedstrijden moeten missen wegens blessures. Bij Feyenoord speelde hij vervolgens 33 van de 34 partijen voluit mee. De uitdaging had hem gestrekt.

Hij kon nog één keer bewijzen dat hij de beste was van allemaal. Een normaal mens had zich, het banksaldo indachtig, teruggetrokken. De kans om in zijn nadagen tot de risee van de voetvalvelden uit te groeien, was levensgroot. Maar Cruijff dacht – en denkt nog steeds – niet aan de mogelijkheid dat hij kan verliezen. Hij verdiept zich uitsluitend in de manier waarop hij kan winnen. “Dat typeert die man volledig,” weet zijn vriend Rolf Grootenboer (toen teamgenoot bij de Ajax-junioren, nu elftalbegeleider). “Altijd als er gevaar dreigt staat hij op uit z’n stoel. Wat dat betreft is hij niks veranderd. Winnen is alles voor hem. Desnoods met trucs – als hij maar wint. Voetballen om de Europa Cup of zomaar een partijtje tennis, het maakt hem niks uit – hij moet en zal winnen.”

Niet verwonderlijk dus dat Barry Hulshoff zich Cruijff behalve als een briljante voetballer ook herinnert als de man die tijdens trainingspartijtjes oeverloos kon zeuren over doelen die te groot of te klein waren, netten die niet deugden, alleen maar om de tegenpartij, als die zojuist een goal gescoord had, mentaal te ontregelen.

Een belangrijke drijfveer voor Johan Cruijff is het eenvoudige feit dat hij niet tegen zijn verlies kan. Onlangs vertelde zijn zoon Jordi, sinds kort speler in het eerste elftal van het door hem getrainde Barcelona, dat hij zich ook tijdens kaartspelletjes in de huiselijke kring niet onbetuigd laat: zodra zoonlief dreigt te winnen, gaat papa vals spelen.

Die mateloze gedrevenheid – ook wel sportmentaliteit genoemd – is precies wat Cruijff onderscheidt van Splinter. “Gerrie reageerde bij tegenslagen tegenovergesteld aan Johan,” zegt Barry Hulshoff. “Iedereen bewonderde Gerrie. Als hij op dreef was, kon niemand hem afstoppen. Soms liep hij tijdens drie trainingen achter elkaar op kop. Maar dan bleef hij ineens weer weg. Er was bij hem geen balans. Misschien was hij wel te gevoelig. Zodra hij bekritiseerd werd, door de trainer of door medespelers, isoleerde hij zich. Dan raakte hij vervolgens geen bal meer. Geleidelijk aan merkte ik dat hij wegzakte. Ik heb nog geprobeerd langer met hem om te gaan, in de hoop hem zodoende bij de groep te houden. Maar hij ging z’n eigen gang. Cruijff daarentegen voelde zich als een vis in het water als het er stevig aan toeging: dan had hij juist het hoogste woord.”

Gerrie Sprinter heeft zijn mislukking geheel aan zichzelf te wijten gehad, roepen de toenmalige teamgenoten Hulshoff (nu trainer in België), De Waal, Rolf Grootenboer, Arie van Eyden (Ajax-directeur en binnenkort aantredend als marketing manager bij de KNVB) en Johan Cruijffs broer Henny (uitbater van een sportzaak in Amsterdam) in koor. Op belangrijke momenten liet hij het afweten. Bij zware tegenstand speelde hij minder goed, en Cruijff juist beter. “Ik nam het niet zo nauw,” zegt Splinter. “Johan was zeer leergierig. Hij zat altijd te luisteren naar de trainer. Ik was recalcitrant, had maling aan die mensen. Johan was een klein ventje, daar liepen ze mee weg. Ik was een kop groter en ik droeg een bril. En wat ook scheelde: hij was verweven met die club. Als ik na afloop van de training naar het Leidseplein ging om lol te trappen, bleef hij daar maar rondhangen.”

Gerrie Splinter drukt zich voorzichtig uit. In feite woonde Johan Cruijff in het stadion. Hemelsbreed stond zijn wieg misschien tweehonderd meter verwijderd van de toegangspoorten. Zijn geboortehuis, Akkerstraat 32, achter de groentewinkel van zijn ouders, stond geheel in het teken van het voetballen. Vader Cruijff was een groot Ajax-fan, en zijn zoons dus ook. Toen Johan nog een kleuter was, breide zijn moeder een wit pakje met rode baan voor hem. Dag en nacht was hij met een bal te vinden. “ In de jaren vijftig waren kinderen lang niet zo mobiel als nu,” doceert Ajax-directeur en generatiegenoot Arie van Eyden. “Je buurt was het enige deeltje van de wereld dat je kende, je bal het enige speelgoed.”

In Cruijffs buurt Betondorp, gevormd door in de jaren twintig gebouwde, schoenendoos-achtige huisjes rond een heuse Brink, kende iedereen elkaar. De omgangsvormen waren eerder dorps dan stads. Geheimen waren er niet, men was elkaar tot steun. Daar, in die straatjes in het oostelijke hoekje van de stad, leerde Johan, meestal Jopie genoemd, wat werken was, wat saamhorigheid was en wat voetballen was. “Wij hadden thuis een beschermde, harmonieuze sfeer.” Zegt Henny Cruijff. “Voor onze ouders hadden wij een natuurlijk respect. We noemden ze gewoon Manus en Nel. De winkel en het gezin vormden een gesloten eenheid, daar kwam niemand tussen. Johan en ik denken er uitsluitend met warmte aan terug.”

“Mijn route naar de speeltuin liep altijd via de Akkerstraat.” Weet Rolf Grootenboer nog. “Want Johan was de enige in de buurt waarvan je absoluut zeker wist dat hij over een echte voetbal beschikte – eentje van rubber. En als hij dan niet mee mocht van zijn vader, liepen we de winkel in en begonnen we te zeuren waar de klanten waren; meestal mocht het dan alsnog.” De speelweide was een zandvlakte voor de deur van Ajax-jeugdtrainer Jany van der Veen. Zijn buurman was Ajax-keeper. Van der Veen, nu op zijn 77ste nog altijd scout voor die club (onder meer ontdekte hij de huidige linkshalf Edgar Davids bij een amateurvereniging), hoefde dus slecht uit zijn raam te kijken om een zeldzaam talent te kunnen traceren. “Je hoefde geen kenner te zijn om te zien dat die jongen stukken beter was dan de rest,” zegt hij. “Hij voetbalde altijd met oudere jongens, en hij was ze stuk voor stuk de baas. Het leek wel of hij met de bal vergroeid was.”

Toen Johan Cruijff elf jaar was, overleed zijn vader aan een hartaanval. Het gezin verliet de winkel en betrok twee straten verderop een woning in de Weidestraat, waar Johan onverdroten doorging met zijn baloefeningen: linkervoet, rechtervoet, linkervoet, rechtervoet – iedere dag weer. Om aan de kost te komen, boende Nel Cruijff de vloeren van de kleedkamers bij Ajax en reinigde de huizen van enkele trainers. Op Johan Cruijff, die zijn vader adoreerde, maakte diens plotselinge dood een enorme indruk. Jarenlang bleef hij hem groeten als hij de Oostelijke Begraafplaats op weg naar school passeerde, vertelde hij Jaap ter Haar in het biografie-achtige boek Boem.

Het enige voordeel was dat de controle afnam en hij de school gemakkelijker kon verwaarlozen. In zijn schoolbankje zat hij voornamelijk te dromen dat hij Abe Lenstra was, of Faas Wilkes, de grote voetbalhelden uit de jaren vijftig, terwijl zijn voeten stiekem met een balletje speelden. Zijn vriendje Gerrie Splinter ging naar de HBS en zou die in één keer afmaken; hijzelf verruilde de School met de Bijbel voor de ULO en bleef meteen in de eerste klas zitten. Hij had helemaal geen tijd voor het maken van huiswerk, hij moest naar de trainingen van Ajax 1 kijken.
“Iedere dag stond hij achter het doel,” zegt de toenmalige middenvelder Bennie Muller, nog altijd sigarenwinkelier in de Haarlemmerstraat. “Steeds als een bal langs het doel suisde, haalde hij die op en schoot hem naar ons terug, in de hoop dat wij onder de indruk zouden raken. Iedereen kende Jopie. Als tante Nel de kleedkamer schrobde, stond hij even verderop een bal tegen een muur te trappen.”
En altijd hoopte hij stilletjes dat ze hem nodig hadden. “Ik weet nog goed dat ik op een dag stond te kijken bij een wedstrijd op het veld voor het stadion,” zegt Jany van der Veen. “De wedstrijdsecretaris kwam op me af: het zesde senioren-elftal had een man te kort. Op dat moment zag ik Johan Cruijff aan komen fietsen, waarschijnlijk om weer met een smekende blik langs de kant te gaan staan. ‘Jopie ga je schoenen halen,’ riep ik, ‘dan kun je meedoen.’ Binnen twee minuten was hij weer terug. Het zesde elftal was niet best, meestal verloren ze met een nulletje of zes. Maar die middag wonnen ze met 6-0. Cruijff kan toen niet ouder dan veertien jaar geweest zijn, maar hij pingelde zijn tegenstanders helemaal zoek. Hij toonde geen enkel ontzag voor die volwassen mannen. Achteraf ben ik nog op het matje geroepen: ik had dat magere ventje nooit met de grote kerels mogen laten meedoen. Johan zelf leek het allemaal niets uit te maken.”

Johan Cruijff, de Spriet, de Lucifer, het Klein Duimpje in De Meer, keek tegen niemand op. De dood van zijn vader en het daaropvolgende sloven van zijn moeder hadden hem nog vastbeslotener gemaakt dan hij al was. De gezinsomstandigheden brachten meer financiële onzekerheid en onderdanigheid met zich mee dan de trotse jongen uit Betondorp kon verdragen.
Vanzelfsprekend vond hij het heerlijk dat zowel familieleden en buurtvrienden het gezin-Cruijff bijstonden, zoals hij in Boem te kennen gaf; als telg van een Jordanees geslacht van middenstanders en marktkooplui wist hij ook dat je een stuiver maar één keer kunt uitgeven. Maar naarmate de getalenteerde adolescent over geld kwam te beschikken – hij bracht het brood rond van de bakker, hij kreeg een eerste contractje bij Ajax – was hij zuiniger dan voor iemand op die leeftijd normaal kan worden genoemd.
“Toen ik een jaar of vijftien was kreeg ik een tientje zakgeld,” schreef hij in het De Gruyter-boekje Cupstukken (’72). “Daarvan hield ik (–) nog vijf gulden over. In het Ajax-restaurant zie ik tegenwoordig jongens van twaalf jaar een uitsmijter bestellen en een biljartje maken. Ze halen zonder te blozen zo twee, drie tientjes uit hun zak. Ze zijn verwend. Die knapen zullen zich later niet meer kapot vechten voor een premie.”
Johan Cruijff was vroeg oud. Hij gaf niet snel een rondje weg, en het voetballen beschouwde hij niet als een hobby, maar als een vak waar je over kon nadenken (en vooral praten, heel veel praten). Midden jaren zestig, tien jaar na de officiële permissie voetballers te honoreren, was dat nog hoogst ongebruikelijk. In hetzelfde boekje Cupstukken wond hij zich op over jeugdspelers die ‘vergeten hun karakter mee te brengen naar het voetbalveld. Ze denken dat ze ster zijn als ze goed links en rechts kunnen schieten, een mannetje passeren en zo nu en dan een doelpunt maken. Maar zo is het niet’.
Op dat moment had hij voor de tweede keer de Europa Cup gewonnen door in de finale tegen de meedogenloze verdedigers van Inter Milaan beide doelpunten te maken. Hij was de werkelijkheid geworden jongensdroom. Duizenden jongetjes zaten in de klas te fantaseren dat ze hem waren, en niemand wist beter dan hij hoeveel hij ervoor over had gehad. Van Gerrie Splinter was inmiddels al in geen jaren meer iets vernomen.

Zoals creativiteit meestal voorkomt uit een gebrek, zo is Johan Cruijff, het scharminkel dat zich letterlijk omhoog moest knokken, het toonbeeld van iemand die zijn genie heeft geput uit een tekortkoming. Hij kon niet schieten. De jongen die later drie keer uitgeroepen zou worden tot de beste voetballer van Europa, kreeg het meest essentiële onderdeel van het voetbalspel – de bal recht vooruit trappen – nauwelijks onder de knie (en dat heeft dat volgens sommige kenners ook nooit gekregen). De leren bal was te groot en te zwaar voor zijn magere benen.
Hoewel hij in opdracht van hoofdtrainer Vic Buckingham (trainers waren in het toenmalige, onderontwikkelde Nederland doorgaans buitenlanders) dagelijks oefende met gewichten, en de jeugdtrainer Keith Spurgeon en de masseur Salo Muller hem bij hen thuis regelmatig bijvoerden, had hij tot kort voor zijn debuut in Ajax 1 nog de grootste moeite met zoiets onnozels als de bal vanaf de hoek van het veld hoog voor het doel te schieten. Hij was te klein voor zijn leeftijd, iets waarin pas vanaf zijn achttiende verandering kwam, en hij droeg speciale schoenen, die medespelers spottend ‘klompen’ noemden.
De enige manier om zijn Heilige Doel te bereiken – de beste zijn – was tegenstanders net zo lang ontwijken tot hij de bal in het doel kon lopen. Zijn specialiteit was niet op het doel schieten, maar het omspelen van de keeper. “Ik geniet ervan als ik sneller en handiger ben dan de rest,” zei hij in 1966. Juist voor iemand die kleiner en brozer is dan de rest, is de aanblik van een door zijn toedoen verlaten doel, dat gapende gat met een net erachter, hetzelfde als de laatste stap voor een bergbeklimmer. Hij had de wereld – en zichzelf – overwonnen, triomf was zijn deel. Als hij met de bal over de lijn stapte, wist hij dat de verdedigers voor gek stonden, dat de doelman machteloos in de modder lag en dat hij, Hendrik Johannes Cruijff, ze allemaal de baas was. En hij wist dat zijn vader, met wie hij in gedachten converseerde, apetrots zou zijn geweest.

De Kleine, zoals men hem vertederd noemde, werd een pingelaar – de meest doeltreffende pingelaar uit de vaderlandse geschiedenis. Toen hij op een regenachtige dag in november 1964 debuteerde in Ajax’ hoofdmacht, scoorde hij in die met 3-1 verloren uitwedstrijd tegen het Groningse GVAV door de bal van korte afstand over de doellijn te tikken – precies zoals hij het bij de junioren al honderden keren had gedaan.
Juist omdat hij niet in staat was tot het meest voor de hand liggende, ontwikkelde hij een ruim arsenaal aan passeerbewegingen, wendingen, versnellingen, schijnacties – en de bal verliet zijn schoenen met de meest idiote draaiingen, hoogst zelden recht vooruit. In het seizoen ’64-’65 kwam hij nog enkele keren uit in het hoogste elftal – meestal als invaller, en dan toonde hij volgens de scribenten in Ajax-Nieuws, die hem enkele jaren tevoren nog kapittelden wegens zijn zelfzuchtigheid, ‘een zeer goede klasse’.

Omdat hij niet sterk was, maar wel slim en lenig (altijd negens en tienen voor gymnastiek), had hij trucs bedacht waarmee hij het lijfelijk contact met grote en robuuste verdedigers tot een minimum beperkte. Zijn passeerbewegingen waren wijder dan gebruikelijk, en om de haverklap sprong hij op teneinde naderende benen te ontwijken. Het was of hij dansend en huppelend het veld over ging. Ze noemden hem een sprinkhaan. “Hij was zo goed als ongrijpbaar,” herinnert Cor van der Hart zich, ex-Ajacied en in zijn nadagen stopperspil bij Fortuna. “En hij kwam op je aflopen met een air van: hé, ouwe, ik zal jou ’s een lesje leren. Het leek wel of hij het erom deed.”

Een vaste plaats in het team kreeg Cruijff pas het jaar na zijn debuut, toen de gymnastiekleraar en voormalige Ajax-spits Rinus Michels het tot dan toe nogal slordig gehanteerde roer van Vic Buckingham had overgenomen. “Hij heeft zich ongelooflijk goed aangepast,” vindt de toenmalige aanvaller Klaas Nuninga. “Aan alles kon je merken dat hij op zijn zeventiende al bijzonder veel over het spel had nagedacht. Tactisch was hij zijn leeftijdsgenoten ver vooruit. Hij was bijdehand, eigenwijs en brutaal. Hoewel hij aanvankelijk te solistisch opereerde, is hij er onder leiding van Michels toch vrij snel in geslaagd in het belang van het team te gaan handelen.”

“De overgang was voor hem minder groot dan het lijkt,” zegt Bennie Mulder. “Wij kenden hem als de sensatie uit het B-Elftal, en hij kwam jarenlang bij ons in de kleedkamer. In zijn begintijd had hij al meteen het hoogste woord. Niet dat dat voor oudere spelers als ik altijd aangenaam was – eerlijk gezegd toonde hij sowieso weinig respect voor andere spelers, zijn maatje Piet Keizer uitgezonderd – maar we pikten het. We waren blij dat hij meedeed, hij won wedstrijden voor ons. Hij was weleens irritant, maar we beschouwden hem toch als ons jongere broertje.”

Wat zich de jaren daarna allemaal afspeelde, ligt in zekere zin allemaal in het verlengde van Cruijffs jeugd. Omdat hij wedstrijden won voor zijn club kon hij het zich permitteren al op jonge leeftijd zijn nek uit te steken door hogere premies te eisen. Hij zei wat de andere spelers dachten. Als de kop van Jut, en landelijk beschimpt als geldwolf, dwong hij verzekeringen en salarissen af die voordien ongehoord waren.

Hij kende zichzelf goed genoeg om te weten dat hij op zijn best was als hij moest knokken. Dus lokte hij vlak voor de belangrijke wedstrijden conflicten uit. Als men zich afvroeg of hij het nog wel kon, en of hij zijn geld wel waard was, dan stal hij de show. En hij bleef een dorpsjongen. Je bent voor of tegen hem. “Hij is een zwart-witdenker,” zegt zijn broer Henny. “Bij hem ben je een vriend voor het leven, maar als je hem een kunstje flikt, komt het nooit meer goed. Vergeten en vergeven komen in het Cruijffiaanse woordenboek niet voor.”

Maar zolang alles honderd procent is, geeft hij alles. Dus gaf hij in de jaren zeventig zijn gehele, tijdens twaalf jaar voetballen bijeengespaarde vermogen – naar schatting tien miljoen gulden – aan de Bulgaarse handelaar Michel Baselevich, die het voor hem zou beleggen. Voor een zuinige middenstandszoon een onbegrijpelijke daad. Maar voor iemand die de vriend van Danny beschouwt als zijn eigen vriend – de hele familie Cruijff viel voor de charmes van deze Bulgaarse playboy – weer iets (hoewel niet veel) begrijpelijker. Dankzij een vruchtbare combinatie van verkeerde beleggingen en oplichting was er van het kapitaal na enkele jaren niets meer over. Zoals altijd rechtte Cruijff de rug, ging weer voetballen, kreeg – natuurlijk – weer conflicten, werd trainer, opnieuw bij zijn vaste clubs Ajax en Barcelona, joeg wederom bestuurders tegen zich in het harnas en is voor de tweede keer miljonair.

Terwijl andere trainers de wereld rondreizen als nomaden, heeft de honkvaste John Cruijff al verkondigd niet meer uit Barcelona weg te gaan. “Hij heeft alles voor zijn vrienden en zijn familie over,” zegt Rolf Grootenboer. “Je kunt midden in de nacht bij hem aanbellen. Hij is een echte family man, een huismus.” Toen hij in 1968 met Danny Coster trouwde, de dochter van de rijke juwelenhandelaar Cor Coster uit Amsterdam-Zuid, besloot hij dat Danny voortaan op de eerste plaats kwam, en daar is hij nooit van afgeweken. De huiselijke harmonie en rust uit zijn eigen jeugd wilde hij zelf ook scheppen. Voor zijn huwelijk had hij al veelvuldig geklaagd over het langdurig van huis zijn als gevolg van trainingskampen, en tijdens het WK in ’74 deed hij dat opnieuw – dus kon het land vier jaar later smeken wat het wilde, hij ging niet mee naar Argentinië. Hij bleef lekker thuis bij Danny en de kinderen.

Net zoals hij in oktober 1969 de KNVB tot wanhoop bracht door aan de vooravond van een belangrijke interland met zijn vrouw naar Italië te reizen om schoenen te kopen voor hun Shoetiek in de Kinkerstraat, ging hij eind vorig jaar, tijdens de turbulente onderhandelingen over de WK in Noord-Amerika, rustig met zijn dochter een auto kopen terwijl de KNVB op een fax wachtte. Dan maar geen bondscoach. De familie komt eerst.

De KNVB is tenslotte een van die instanties die hij op jonge leeftijd reeds als niet oké bestempelde, en daar is geen verandering in gekomen. De mensen die hij vroeger wel oké vond, is hij trouw gebleven. Hij was midden jaren tachtig nog niet aangesteld als coach bij Ajax (overigens opnieuw met problemen, want hij beschikte op geen enkel gebied over diploma’s), of hij haalde zijn oude jeugdtrainer Jany van der Veen terug bij de club, evenals zijn vroegere teamgenoot en volgeling Barry Hulshoff. Zijn Amsterdamse assistent Tonnie Bruins Slot nam hij na zijn aanstelling bij Barcelona mee naar Spanje, en als hij naar de VS was gegaan, had hij zijn hele hofhouding meegenomen.

Voor Ajax heeft al die hardnekkige loyaliteit één groot voordeel. Mocht Johan Cruijff ooit nog weggaan uit Spanje, dan is het naar Amsterdam. Daar woont zijn moeder.