Ontkracht: mythes over de arbeidsmarkt en fabels over zzp’ers

Het kabinet juicht: er zijn steeds meer banen in Nederland. Maar het aantal gewerkte uren per baan neemt juist af. En over zzp’ers bestaan veel fabels: zo zouden ze te weinig belasting betalen en tegelijk worden uitgebuit door gewetenloze werkgevers. De Feitenfirma biedt de broodnodige nuancering.

Op 21 januari publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een bericht over het aantal banen in Nederland. In het derde kwartaal van 2015 was dit met 35.000 toegenomen tot bijna tien miljoen. De werkloosheid kwam in december uit op 588 duizend, zo’n 6,6 procent van de beroepsbevolking. Lezers gaan vaak voorbij aan de definitie van baan in deze berichtgeving. Het is de hoogste tijd om een aantal hardnekkige mythes te ontzenuwen.

Laten we beginnen bij de vaste baan, in Nederland nog altijd de meest voorkomende soort baan. In 2008 hadden we er ruim acht miljoen van; eind december 2015 rapporteerde het CBS er 7,8 miljoen. Het aantal vaste banen daalt nog altijd. Dit cijfer gaat over ‘banen van werknemers’, een eerste nuancering die zelden wordt gemaakt. Iemand die voor zichzelf begint, creëert daarmee ook een baan, maar niet die van een werknemer; hij schept een baan van een zelfstandige. Het genoemde aantal van 35 duizend extra banen bestaat uit 23 duizend banen van werknemers en 12 duizend banen van zelfstandigen. Het valt op dat het aantal banen van zelfstandigen relatief veel sterker toeneemt dan het aantal banen van werknemers: bijna een derde van de toename is op het conto van zelfstandigen te schrijven, terwijl zij een veel kleiner aandeel vormen van het totale aantal banen.

Nederland heeft het hoogste percentage mensen met betaald werk van de hele EU. Nu denkt u waarschijnlijk: fantastisch, wat een mooi land. Maar schijn bedriegt: het cijfer wordt flink vertekend door de vele ‘kleine baantjes’ die ook onder deze definitie vallen. Het vertekende beeld komt – ik kan het ook niet helpen – door de Nederlandse vrouw. Nederlandse vrouwen zijn steeds vaker werknemer, maar het aantal uren dat ze werken is zeer laag. Alle 15 tot 75-jarigen die een baan hebben van één uur of meer per week worden meegeteld. Zo gerekend heeft Nederland de hoogste arbeidsparticipatie van Europa, met 67 procent, tegen een EU-gemiddelde van 57 procent. De helft van die 67 procent werkt echter parttime. In de overige lidstaten werkt gemiddeld slechts twintig procent parttime. Nederlanders kennen de kortste gemiddelde werkweek, van slechts dertig uur. In de rest van de EU is dat 37 uur.

De trend van deeltijdwerk zet door. In 2007 was 55,4 procent van het totale aantal banen voltijds; in 2015 is dat cijfer gedaald naar 51,4 procent. Bij een almaar toenemend aantal banen neemt het aantal gewerkte uren per baan nog altijd af.

Dat is een belangrijke nuancering van de banenmarktcijfers waarvoor minister Asscher en Dijsselbloem zich stelselmatig op de borst kloppen. Want vooral voor mannen geldt dat ze in veel gevallen niet korter willen werken, maar wel moeten, omdat er eenvoudigweg steeds minder voltijdbanen beschikbaar zijn. Daardoor groeit het aantal Nederlanders met meer dan één baan, noodgedwongen, om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen.

Het bovenstaande is een ‘bruggetje’ naar het volgende onderwerp, het aantal banen van zelfstandigen. Zoals we hierboven vaststelden, groeit dat almaar, en veel harder dan het aantal banen van werknemers.

De term ‘baan van zelfstandige’ treft u zo goed als nooit aan; zzp’er daarentegen, dat herkent u direct. Maar we hebben het over hetzelfde. En je zou zomaar denken – tenzij je er zelf een bent – dat ze de oorzaak van heel veel kwaad en onrecht zijn.

Op zaterdag 23 januari plaatste de Volkskrant een ruim bemeten artikel – enkele pagina’s – van economiemedewerker Yvonne Hofs. De kop luidde: ‘Waarom zzp’ers de economie te gronde richten’.

Het was een ouwerwets demagogisch stuk waarin de traditionele zuurgraad van de krant, het quasi-linkse karakter (de gemiddelde Volkskrant-lezer is zeer well-to-do) en een volstrekt onvermogen om feiten te interpreteren samenkwamen.

De Volkskrant, door vele honderdduizenden lezers ongetwijfeld als dé bron van waarheid en nuance gezien, sloeg de plank volledig mis en dat is eerder regel dan uitzondering als het om economie en geldzaken gaat.

Economie is, zeg maar, niet zijn ding. Al zal de redactie daar zelf wel anders over denken. Disclaimer: ik heb een betaald abonnement op de Volkskrant.

Het artikel is in te delen in een tweetal tijdens borrelpraat veelgehoorde thema’s:

(1) De zzp’er is een uitvreter die te weinig belasting betaalt en daardoor de financiering van ons sociale stelsel uitholt;

(2) Veel zzp’ers maken deel uit van een nieuw proletariaat; ze worden uitgebuit door gewetenloze werkgevers.

De zzp’er is een ondernemer en betaalt om die reden bepaalde belastingen niet. Dat je in ons land, als je een bepaalde status hebt, bepaalde belastingen niet of juist wel betaalt is heel normaal. Zo betaal je, zodra je de AOW-gerechtigde leeftijd hebt, minder belasting, vooral omdat je helemaal geen AOW-premie meer betaalt. Terwijl je wel maandelijks je AOW-uitkering ontvangt waarvoor je helemaal niets meer hoeft te doen. Sterker nog: je hoeft er zelfs nooit iets voor gedaan te hebben. Het feit dat je in ons land geleefd hebt, geeft je er recht op, al betaalde je nooit een cent premie.

Een zzp’er betaalt wel premies voor volksverzekeringen, bijvoorbeeld voor AOW, maar betaalt geen premie voor WW en WIA, om de simpele reden dat hij daar ook geen aanspraak op kan maken. Heeft een zzp’er geen werk, dan is dat zijn probleem; een WW-uitkering is er niet. Hij zoekt het maar uit.

Heeft u daar moeite mee? Ik zou zeggen: koop elke dag een piekurenretour Groningen-Maastricht bij de NS, gooi het in de prullenbak en ga naar huis zonder de trein van binnen te hebben gezien. Zo steunt u een basisvoorziening (in dit voorbeeld het openbaar vervoer) op een manier die u kennelijk ook van een zzp’er zou verwachten.

De inkomensheffing bestaat uit de sociale premies en de inkomstenbelasting, voor velen van ons bekend als de loonbelasting, die direct door de werkgever wordt ingehouden en afgedragen. Voor veel werknemers is die loonbelasting de ‘eindheffing’; er komt op de aangifte geen verdere belasting meer bij.

Misschien is het nieuws voor u, maar minder dan de helft van de totale belastinginkomsten van het Rijk komt uit deze twee bronnen. Het grootste deel komt uit btw, accijnzen, wegenbelasting, vennootschapsbelasting en dergelijke.

Er is voor een zzp’er geen methode om die laatste belastingen uit de weg te gaan, net zomin als een werknemer dat kan. Wie in een auto rijdt, heeft een krankzinnig bedrag aan belastingen betaald bij aanschaf; vervolgens komt daar periodiek de wegenbelasting bij en lacht het Rijk zich rot elke keer als u benzine tankt. Idem als u een biertje, een glas wijn of sterke drank tot u neemt. Zelfs voor frisdrank moet u de staat betalen. Wie in ons land consumeert, is er fiscaal gloeiend bij.

Daarom is het ook zo belangrijk dat het consumentenvertrouwen toeneemt: we krijgen dan weer zin om het geld dat we al dan niet bezitten te laten rollen; het Rijk geniet volop mee.

Er is dus geen reden om aan te nemen dat een zzp’er de dans ontspringt als hij gewoon consumeert als u en ik.

Wat de inkomstenbelasting betreft: ondernemers zijn hier veel meer aan kwijt dan werknemers. In 2014 bedroeg een gemiddeld inkomen per huishouden in Nederland €73.900 als zich in dat huishouden alleen werknemers ophielden (man, vrouw, thuiswonende kinderen met een baan). Zo’n huishouden betaalde gemiddeld €8200 aan inkomstenbelasting. Een vergelijkbaar huishouden van ondernemers betaalde €10.300 aan inkomstenbelasting. Zo’n huishouden bestaat uit meerdere personen en iedereen die iets verdient, telt in dit begrip mee. Een persoon met een modaal salaris (in 2016 ongeveer €2700 per maand) heeft een totale belastingdruk van circa twintig procent, overwegend bestaand uit premies volksverzekeringen (AOW, Anw, AWBZ, Wlz). Die worden berekend over de eerste € 33.175 aan (belastbaar) jaarinkomen, met een maximum van €9490.

In Nederland betaalde de rijkste tien procent van de beroepsbevolking – gaat u er maar van uit dat dit overwegend ondernemers zijn – in 2014 vijf miljard euro aan inkomstenbelasting, méér dan de rest van Nederland. De ‘armste’ vijftig procent betaalt nog geen drie procent van alle inkomstenbelasting. Het Rijk splitst in zijn verantwoording niet uit welk deel betrekking heeft op premies en welk deel op inkomsten/loonbelasting, maar voor de meesten van ons zijn de premies volksverzekeringen het leeuwendeel van onze belastingheffing. Die premies worden door zzp’ers ook betaald; de extra heffingen voor WW en arbeidsongeschiktheid betalen ze niet omdat ze – zoals gezegd – ook geen recht hebben op zo’n uitkering.

Wel draagt de zzp’er fors – ongeveer achtduizend euro – minder aan premies af (wél AOW, Anw, AWBZ, Wlz, géén WW en WIA). Maar daarvan moet hij dan wel zelf zijn potje voor werkloosheid, pensioen en arbeidsongeschiktheid bij elkaar sparen, dan wel zich hiertegen verzekeren. Het is in Nederland niet bijzonder als een werknemer honderden euro’s per maand aan pensioenpremie betaalt terwijl de werkgever daar nog eens een hoger bedrag bij legt. Hetzelfde geldt voor WW- en verzekeringspremies voor arbeidsongeschiktheid. Als werknemer krijgt u bij ziekte zomaar twee jaar doorbetaald; als zzp’er krijgt u niks.

Een volgende mythe is dat heel veel zzp’ers door hun opdrachtgevers uitgebuit worden. Ze zullen er zeker zijn, de ernstige gevallen, net zo goed als onder de werknemers.

Maar de feiten, alweer van het CBS, ondersteunen deze stelling niet.

Het gemiddelde persoonlijke inkomen van een werknemer met een volledige vaste baan bedraagt in Nederland 41,5 duizend euro. Bij een zelfstandige is dat 37,1 duizend euro.

Werkt die werknemer nog op basis van een flexcontract – hij is dan wel in dienst, maar stapelt tijdelijke contracten – dan daalt zijn of haar persoonlijke inkomen naar 20,2 duizend euro en in deeltijd zelfs naar veertienduizend euro. Als een zelfstandige in deeltijd werkt, dan bedraagt dat inkomen 26 duizend euro. Alle bedragen bruto. Meer aandacht voor de werknemers met een flexcontract in plaats van voor zzp’ers, daar pleiten de feiten méér voor.

Nederland telt volgens dezelfde cijfers – die dateren van 26 januari 2016 – 1,354 miljoen zelfstandigen. Zo’n veertig procent werkt in deeltijd, ruim tien procent minder dan twaalf uur per week.

Veel zzp’ers zouden in armoede leven. Armoede is echter een begrip waar veel mee gegoocheld wordt; er zijn heel veel definities en ze zijn bijna zonder uitzondering arbitrair.

Kijk naar Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie. Volgens die cijfers liepen in 2013, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn, ruim 2,6 miljoen Nederlanders risico op armoede of sociale uitsluiting. Oftewel 15,9 procent van de totale bevolking. Dat is tweemaal zoveel als het aantal zelfstandigen in ons land.

Een andere maatstaf is is die van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het Armoedesignalement, dat sinds 2010 jaarlijks verschijnt. De grens was in 2013 voor een alleenstaande netto 1061 euro per maand. Een gezin met twee kinderen heeft maandelijks minimaal 1990 euro nodig om het hoofd boven water te houden.

Wordt deze definitie toegepast, dan daalt het aantal ‘arme’ mensen in één klap met de helft tot 1,3 miljoen – minder dan acht procent van de totale bevolking.

Tenslotte nog even de Volkskrant, een citaat uit het aangehaalde artikel: “De kinderen van zzp’ers gaan naar school, zzp’ers rijden over de rijkswegen en ontvangen kinderbijslag. Daarmee teren ze in feite op de zak van ‘loonslaven’ die het grootste deel van deze voorzieningen betalen.”

Laat het nou precies andersom zijn: een gemiddelde zzp’er of ondernemer draagt veel meer bij aan de kosten van scholen, rijkswegen en kinderbijslag. Want hij betaalt – bewezen, zie het verschil in inkomstenbelasting – méér belasting voor de zaken die hij gebruikt en waarop hij recht heeft. Gemiddeld zelfs 25 procent méér./

Hans van Brussel